Ik twijfel of ik dit zal uitwerken tot een story ^^
Dit is dan zeg maar het begin...

De fabriekshal is donker en straalt een grimmige vasthoudendheid aan het verleden uit. Grote regendruppels roffelen op het stoffige, glazen dak. Rillend en druipend van de regen kijk ik rond. De ruimte is schimmig verlicht door een aantal stoffige olielampen en het weinige licht dat zich door de dikke stoflaag op de ramen en het dak heeft weten te wurmen. Een gevoel van onbehagen bekruipt me en ik wacht af, al mijn zenuwen tot het uiterste gespannen. In de verte klinken voetstappen, de grote hal laat de zachte passen galmen en echoën, waardoor er een leger van duizend man op me af lijkt te komen. Trillend van angst en koude wacht ik af, ik kan nu nog terug, nog wel. Dan verschijnt hij ineens voor me, een gedaante die twee seconden geleden nog opgeslokt was door het duister, zijn gestalte is onguur en de lucht die van hem afwalmt niet bepaald geruststellend. Het weinige dat ik van zijn gelaat kan onderscheiden in het gedimde licht is pokdadig en getekend door littekens en ouderdom. Ik denk te zien dat hij een oog mist, maar dat kan ook een hersenspinsel zijn. Hij is een kop kleiner dan dat ik ben en staat lichtelijk kromgebogen. Zijn grote blauwe ogen staren me aan als twee heldere manen en hebben een leegte in zich die nog verontrustender is dan zijn gestalte of zijn geur. Hij loenst een beetje, maar lijkt duidelijk te zien wie en wat ik ben. Een raspend geluid klinkt en het duurt even voor ik door heb dat hij probeert te praten. Hij gorgelt, lijkt te stikken en kleine belletjes speeksel druppelen over zijn lippen. Met veel moeite kan ik een woord onderscheiden uit de onverstaanbare brij die hij probeert uit te brengen.
'Kom.' Ik knik en hij blijft me aankijken, speeksel nog steeds druipend over zijn lippen. Dan draait hij zich om, zijn rug naar me toe, en schuifelt hij weg in de richting waarvan hij gekomen was. Ik loop achter hem aan en het leger van voetstappen lijkt zich verviervoudigd te hebben nu ook de mijne weerkaatsen tussen de wanden van de lege fabriekshal. Bij iedere stap die ik zet ga ik me nietiger voelen. Mijn gedachten lijken zich niet te willen laten vangen, dus mijn hoofd blijft leeg als de ogen van de man, als de galmende fabriek. Ineens houden zijn voetstappen op, ik stop ook maar met lopen, want ik heb geen idee wat er gebeurd als ik tegen hem op bots. Een zacht gerommel weerklinkt in het donker en ineens verlicht een flikkerend vlammetje een oude machine. De man schuifelt weer weg, mij achterlatend bij het vlammetje en de oude machine. Ik staar naar het flikkerende lichtje alsof het mijn enige houvast is in deze hele fabriek en probeer me niet te realiseren dat er helemaal geen houvast meer is, niet in de fabriek, niet op de wereld, nergens meer. De vage vormen die ik van de oude machine kan onderscheiden vertellen me dat het een weefgetouw is, stammend uit een tijd voor mijn geboorte, zelfs voor die van mijn ouders en hun ouders. Het gevaarte ziet er levensgevaarlijk uit en terug dekend aan mijn geschiedenislessen over hoe mensen hieronder terecht zijn gekomen, geplet tussen de grote stukken roestig ijzer waardoor ze een uiterst pijnlijke dood tegemoet gingen, voel ik me niet veel veiliger. Ik wacht, de tijd lijkt voorbij te kruipen en ik merk geen teken van leven op. De oude man lijkt van de aardbodem verdwenen en een klein stemmetje in mijn achterhoofd bevestigd de mogelijkheid daarvan. Ik sluit mijn ogen om het duister van deze omgeving buiten te sluiten en mijn eigen duisternis binnen te laten. Zo wacht ik, alleen met mijn eigen duisternis, proberend de sfeer van de fabriek niet te proeven, meer dan ooit hopend dat de galmende voetstappen weer klinken. Ik knijp mijn ogen zo hard dicht dat flikkerende witte puntjes hun eigen weg gaan achter mijn oogleden en een steeds veranderend patroon vormen, waarin figuren te zien zijn. Mijn hartslag bonst in mijn oren en het langs suizende bloed maakt me doof. Ongelijke passen verstoren het regelmatige ritme dat mijn oren vult. Ik open mijn ogen, niet wetend wat ik moet verwachten, terwijl vreugde en angst om voorang strijden in mijn hoofd. Met een doffe bons wordt er een zwaar voorwerp op de machine gezet. Ik kan niet precies onderscheiden wat het is, maar het heeft een cilinderachtige vorm en een hoogte van een halve meter. De trillende hand van de oude man reikt voor me langs en pakt de olielamp die het vlammetje produceert. Ik deins terug, angstig dat hij de hete olie over me heen giet. Hij grinnikt pruttelend terwijl hij met de lamp het voorwerp belicht. Vol ongeloof kijk ik naar de mysterieuze cilinder. De vorm wordt duidelijk en het blijkt een grote weckpot te zijn, gevuld met een vloeistof, dikker dan water, vloeibaarder dan siroop. In deze substantie drijft een zwarte gedaante met een gekromde rug en een kop die schuin tegen de deksel is gedrukt, vanwege de beperkte ruimte die het tot zijn beschikking heeft. Nieuwsgierigheid wint het van mijn angst en ik besluit het wezen van dichterbij te bestuderen. Het ziet eruit als een uit de kluiten gewassen embryo, maar niet van een mens. Het figuurtje is rank, de ledematen smal en het hoofd lijkt te groot voor zijn lichaam. Ik steek mijn hand uit om het glas van de pot aan te raken, maar zodra mijn rechterwijsvinger eroverheen strijkt opent het wezen zijn ogen en kijkt hij me recht aan. Ik staar terug, niet in staat om mijn blik af te wenden van de melkwitte, bloeddoorlopen leegte die me weg lijkt te zuigen van de werkelijkheid. Mijn adem wordt oppervlakkiger en verandert in hyperventilatie. Mijn hart klopt twee maal zo snel en het bloed wordt in een razend tempo door mijn aderen gepompt, die opzwellen tot twee maal hun grootte. De reptielachtige staart van het beest zwaait door de weinige ruimte die nog over is in de pot en begeeft zich naar de plaats waar mijn wijsvinger nog steeds tegen het glas gedrukt zit. Terwijl het puntje van de staart zich tegen de plek van mijn vinger aandrukt, met alleen het glas nog als scheidingswand, knijpen de ogen van het embryo lichtjes samen. Een luguber glimlachje verschijnt om zijn bek en een enorme schok trekt door mijn vinger naar mijn ruggenwervel en via daar door naar mijn hersenen, waar een stekende hoofdpijn ontstaat. Snel trek ik mijn hand terug en geschrokken waak ik op uit mijn trance. Ik probeer woorden uit te brengen, zodat ik de man, die als versteend naar het tafreel dat zich zojuist heeft afgespeelt stond te kijken, om uitleg kon vragen, maar er komt niets meer dan een rasperig geluid uit mijn keel. De stekende hoofdpijn centreert zich in mijn kruin en happend naar lucht val ik op de grond, mijn knieën schavend aan de ruwe, stenen vloer. Zwaar ademend grijp ik naar mijn hoofd, waar de pijn zich vanuit mijn kruin begint te verspreiden. Het hele oppervlak van mijn schedel lijkt door miljarden messen doorboord te worden, mijn gezicht lijkt langzaam te worden opengereten, mijn hals voelt dik aan, alsof er duizende bijen hun angels in hebben gezet. De pijn verspreid zich door mijn hele lichaam, overal dezelfde steken die in ieder afzonderlijk lichaamsdeel anders lijken te zijn. De pijn verspreid zich verder, niet alleen oppervlakkig, maar ook diep van binnen. Mijn longen, maag, darmen, hart, alles lijkt doordrenkt te worden met een bijtend zuur waardoor mijn gehele bestaan langzaam verteerd wordt. Ik rol me op en wacht tot ik letterlijk verteert zal worden door de pijn.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen