Foto bij Darkness 1.

You feel fine, and then, when your body can't keep fighting, you don't.
- Nicholas Sparks, A Walk to Remember

Het meisje sleurt zichzelf over de rotsachtige bodem, terwijl ze zichzelf voorhoudt dat ze niet stil mag gaan zitten, hoe de uitputting ook aan haar knaagt. Het is ijskoud, zelfs aan de voet van de Nevelbergen, die in het elfs ook wel bekend staan als de Hithaiglin.
Haar kleren bieden namelijk niet veel bescherming meer: wat ooit een dikke broek, een warme tuniek, een degelijke mantel en stevige laarzen waren, hangen nu in verscheurde en vertrapte lompen om haar fel vermagerde lichaam.
Haar haren, die ooit zilverwit waren, zijn grijsachtige slierten die in haar gezicht en nek plakken. Alleen haar ogen, zwart en fel, stralen nog steeds die levensdrang uit die velen afschrikt, en die ook de enige reden is waarom velen Aya Faënonighean bewonderen.
Als een wolvenroedel huilt, krimpt ze in elkaar. Ze is misschien niet zo alleen als ze dacht. Ze heft zichzelf recht, een krachtinspanning die nog zwaarder lijkt dan de volledige tocht die ze al heeft afgelegd. Aya herkent het gehuil van de wolven: het is het geluid dat ze maken wanneer ze hun prooi geroken hebben.
Zolang zij die prooi niet is, loopt ze geen gevaar, weet ze. Ze moet er enkel voor zorgen dat ze ook niet als prooi gezien wordt.
Ze slaakt een jammerklacht als de wind aan haar kleren rukt en haar het stukje perkament, waar ze zich al sinds het vertrek in de Gouw aan vastklampt, ontfutselt. Aya kan wel gillen. Geen voedsel, geen water en nu ook geen kaart meer. Niet dat die haar al erg geholpen had, bedenkt ze. Ze had Imladris, dat langs de rand van het Luidwater ligt, ook niet gevonden met kaart. Hoe kan ze dan verwachten dat ze Lorien of Demsterwold wél vindt?
Aya zucht en zet haar pad verder. De bladeren onder haar voeten kraken alsof er een olifant over dendert, een van de nadelen van haar mensenbloed. ‘Bij Gil-galad’, bromt ze terwijl ze over de bladeren loopt. ‘Zelfs een dove zou me kunnen horen.’
De roedel huilt opnieuw. Aya houdt zich vast aan de gedachte aan de dappere elfenkoning, die als een voorbeeld voor haar dient. Hij was tenslotte een van de weinige elfen geweest die zich ingezet had voor goede banden tussen elfen en mensen. Aya houdt zich nog steeds vaak voor dat zij een resultaat van Gil-galads werk is, en dus niet helemaal verdorven kan zijn, wat er ook in haar oor gefluistert wordt.
Haar aandacht wordt getrokken door een klein eitje, dat uit een nest gevallen moet zijn. Vroeger zou ze het teruggelegd hebben, nu brak ze het open en slurpte het leeg. Het was niet veel, maar het was een fijn gevoel eindelijk iets eetbaars binnen te krijgen.
Tevreden over het feit dat ze iets gegeten heeft, loopt ze iets opgewekter verder. Ze merkt niet dat de bladeren die rechts van haar verschoven zijn niet door de wind weggeblazen worden, dus als ze omvergelopen wordt door een onzichtbare schim, denkt ze dat ze –voor de zoveelste keer- struikelt. Er klinkt een schreeuw die de nacht in tweëen scheurt, en Aya is geschrokken door het geluid dat ze zelf denkt gemaakt te hebben.
Want, ze is alleen, wie kan het anders geweest zijn?
‘Deze tocht is vervloekt’, mompelt ze als ze haastig verwijderende voetstappen lijkt te horen, maar niets kan zien. Als ze moeizaam recht gaat staan, vraagt ze zich af of haar menselijke bloed zijn tol begint te eisen, en ze dus oud wordt. Ze zet de gedachte snel van zich af, want dat is onmogelijk. Ze is voor altijd bevroren in de jeugdige staat waar ze zich nu in bevindt. Ze dwingt zichzelf verder te gaan.
Met takken en struiken als steun loopt ze onder het kale bladerdak door. Ze heeft dorst, haar keel is kurkdroog.
Stemmen, door de wind naar Aya gebracht, draaien om haar heen. ‘Bo?’ Aya vraagt zich af of ze gek wordt. ‘Waar is… Bil…?’
‘Hoe kan ik dat nou weten?’ snauwt ze, omdat mensen, en zelfs halfelfen, nu eenmaal behoorlijk snel geïrriteerd worden na enkele maanden door de wildernis te zwerven. De wind brengt geen antwoord mee wanneer hij ijskoud om haar heen fluit.
Uit het struikgewas hoort ze een subtiel gegrom, wat erop wijst dat de wolven dichterbij zijn gekomen. Aya strompelt verder, aangezien ze momenteel niet sterk genoeg is om ze van zich af te weren, te slecht op de been is om snel in een boom te klimmen, en geen wapen heeft om de wilde dieren aan te vallen.
Bovendien weet ze ook niet hoe ze met een wapen om moet gaan.
Als het grommen toeneemt, weet ze dat zij de prooi is die de wolven uitgekozen hebben. Wolven zijn slim genoeg om te weten dat je een prooi niet moet opjagen, als het elk moment kan instorten.
Als er achter haar een rauwe stem klinkt: ‘Mirdautas Vras’, weet Aya nog niet wat haar te wachten staat. Ze kent de taal van de orks natuurlijk niet. Toch loopt ze, terwijl de takken, die haar eerst hielpen vooruit te komen, nu in haar gezicht striemen en haar kleren nog meer aan flarden scheuren.
Als ze aan de rand van het bos komt, ziet ze daar Gandalf de Grijze met dertien dwergen om zich heen, en hoewel Aya in haar paniek geen afzonderlijke gezichten kan zien, weet ze dat deze personen haar niet kwaad gezind zijn.
Omdat ze de spanning in de lucht kan voelen trillen, draait ze zich om. Ze staat oog in oog met een Warg.

Reacties (2)

  • Schack

    Ik zag net dat je Hithaiglin hebt opgeschreven, maar volgens mij is het Hithaeglir. :3

    4 jaar geleden
  • Lucem

    Wauw! Dit is echt super goed geschreven! You are amazing!

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen