Maand: februari 2014
Thema: paranoia

Ze zeggen wel eens dat iedereen zo zijn eigenaardige trekjes heeft. De ene heeft zweetvoeten, de ander lacht zo vervelend. Sommige mensen kunnen niet tegen veranderingen, sommige mensen hebben gewoon de pest aan alles en iedereen.
Iedereen is uniek, iedereen heeft een eigen gebruikershandleiding, een eigen blauwdruk. Er bestaan geen dubbelgangers. Geen klonen. Geen exacte kopieën van mensen. Althans, dat hoop ik maar gewoon
Waar de handleiding van de meeste mensen een gemiddelde tweehonderd pagina’s telt, bevat die van mij hoogstwaarschijnlijk zo’n zeshonderd… minstens.
Ik wordt altijd bestempeld als ‘de nerd’, ‘die stille griet achter in de klas’, ‘de persoon die is geobsedeerd door cijfers’. Ik had een bijna dwangmatige obsessie, die ook goed te beschrijven was als ‘gekte’. Ik was geweldig in alles waar nummers bij kwamen kijken. Een rekenwonder. Het lievelingetje van alle wiskundedocenten. De enige uit de klas die voor iedere wiskundetoets minstens een negen haalde. Alles lager dan een acht scheen haar gek te maken.
Iedere dag minstens eenentwintig geruchten door de school.
Iedere dag minstens zevenendertig kwetsende opmerkingen recht in mijn gezicht. Bij wijze van uitzondering had ik alle kwetsende opmerkingen die achter mijn rug om werden gemaakt niet geteld.
Wonderbaarlijk genoeg had ik wel vrienden. (Zij zaten op een andere school, wat er wellicht aan bijdroeg dat ze niet allemaal compleet gestoord werden van mijn gedrag daar.) Sterker nog, vanavond was al de achtenveertigste avond dat we samen in het café zaten. Heel hard bezig lol te maken. Zij tenminste. Ik zat aan de bar met mijn derde glas ijsthee, prikkend in mijn citroen. Zeven, acht, negen keer. Ik nam een slok.
De klok tikte de seconden af. Hij ging veel te langzaam. Ik hield niet zo van dit soort gelegenheden. Er waren teveel mensen in een te kleine ruimte. Iedereen botste tegen elkaar aan. Er was geen enkel plekje waar je veilig was. Geen enkele vierkante meter waar er niet iemand naast je stond of zat. Ik zat zoals altijd in het hoekje wat de bar maakte met de muur. Wachtend tot mijn grote vriend, de klok, aangaf dat het één uur was. Dan kon ik mijn jas aantrekken, mijn muts over mijn oren trekken en me naar huis begeven.
Nog drie minuten. De muziek werd nog harder gedraaid.
Nog twee minuten. Ik kreeg een knuffel van een vriendin die met dubbele tong iets brabbelde over de jongens die haar rokje omhoog hadden geschoven zodat de hele club nu kon meegenieten van haar slipje.
Nog één minuut. Ik dronk het laatste beetje ijsthee op en maakte aanstalten op te staan.
Eén uur. Mijn hele lichaam schreeuwde om frisse lucht. Al mijn spieren waren gespannen, wachtten af tot ik mijn jas aan had getrokken, mijn muts op had gezet en een sjaal om mijn nek had gewikkeld. Ik was niet claustrofobisch, dan zou mijn eigen kleine slaapkamertje me niet zo geruststellen. Ik was alleen niet zo gek van mensen.
Op topsnelheid stopte ik al mijn spullen in mijn tas. Ik controleerde zes keer of mijn portemonnee er wel echt in zat, stuurde een berichtje naar mijn ouders dat ik vertrok en wurmde me ongemakkelijk door de mensenmassa heen. ‘Niemand raakt je aan,’ mompelde ik tegen mezelf. ‘Niemand raakt je aan. Je bent alleen in een club. Absoluut geen lichamelijk contact.’ Mensen zeggen wel eens, dat als je heel lang dezelfde leugen herhaalt, je het zelf ook gaat geloven. Ik deed het nu al mijn hele leven, maar ik geloofde het nog steeds niet.
De andere vrienden sloegen samen nog elf keer hun armen om me heen. Ik trok tien keer mijn neus op voor de walm alcohol die uit hun mond mijn neusgaten binnenkwam. Tien keer. De elfde was een vriendin die nog te jong was voor drank. Zij nam dan ook maar één keer afscheid. Normaal deed ze dat zonder daadwerkelijk haar armen om me heen te slaan, maar ze was een beetje in een jolige bui en stond niet stil bij mijn aversie ten opzichte van knuffels.
Ik moest twee keer aan de klink rammelen om eindelijk buiten te komen. Mijn voeten stevig op de grond, tot mijn enkels in de sneeuw. De witte troep kwam nog steeds uit de lucht vallen alsof het donzen veertjes waren. Bah.
Ik was altijd maar even opgelucht als ik buiten kwam. Het werd al heel snel nog veel afgrijselijker dan binnen. Dit was het punt waar ik het meest tegenop zag van avondjes uit. Ik moest naar huis. Ik woonde een paar kilometer buiten de stad, aan een weg zonder al teveel lantaarnpalen, maar met struiken langs het pad.
Veelal ging ik op de fiets. Dan racete ik met vijfentwintig kilometer per uur over het afgelegen weggetje. Ik schrok nog steeds van iedere schaduw of vogel die opvloog, maar dan kon ik ontsnappen aan de verschrikkingen die zich schuil konden houden in de bosjes. Tot mijn grote frustratie en angst had mijn fiets er vanavond de brui aan gegeven. De band was plat, de ketting lag eraf en er zat een kreukel in de velgen. Er was verder niemand thuis, dus werd er van mij verwacht dat ik een half uur eerder vertrok om die paar kilometer door het donker maar te gaan lopen. Omdat ik de mensen van wie ik hield niet nog meer redenen wilde geven om me te verlaten, had ik ze nooit verteld over mijn gedachten. Mijn angstgevoelens en de schrikmomenten. Niemand wist het, behalve de vogels, mijn fiets, ikzelf en de schaduwen.
In de stad was het niet zo erg. Er was nog licht. Ik stapte stevig door. Tik tak tik tak. Hakken op de tegels maakten zo’n vrouwelijk geluid. Iedereen die zich in de struiken schuilhield hoorde van mijlen ver een jong meisje aan komen. Waarom was ik toch ook zo stom om klikklak-hakken aan te doen?
Iemand tik tik tikte op mijn schouder. Ik schokte, hield een gil ternauwernood nog binnen en draaide me zo snel mogelijk om. Mijn vingers om een scherpe sleutelbos geklemd. Een man, een kop kleiner dan ik, stond met grote ogen voor me. ‘Mevrouw, mag ik u een vraag stellen?’
Ik ontspande een klein beetje, liet de sleutels weer in mijn zak verdwijnen. ‘Natuurlijk.’
‘Weet u waar de kerk is?’
Wat had die vent zo laat nog in een kerk te zoeken? Zou hij de boel gaan afbreken? Of was hij gewoon een onschuldige gelovige die heel graag om genade wilde smeken bij iets wat volgens de natuurwetten niet kon bestaan?
‘Als u deze straat uit loopt, komt u bij de kerk.’ Laat hem niet kwaadaardig zijn. Loop weg, meneer. Niet omkijken.
Toen hij tien meter van mij weg was draaide ik me op mijn hakken om. Zo snel als ik kon liep ik het centrum uit. Ik had nog geen voet op het pad gezet of er kraakte een takje rechts van me. Een vogel maakte een vreemd geluid en een ander flapperde met zijn vleugels, maar steeg niet op. Voor mij signaal genoeg om er vandoor te gaan.
Ik rende het pad langs, zo ver mogelijk bij de absolute duisternis vandaan. Ogen prikten in mijn rug.
Het was niemand niemand. Het was nooit iemand. Al mijn hele leven had ik dit gevoel. Toen ik klein was heb ik het een paar keer – naïef als ik was – gezegd tegen mijn ouders. Ze dachten in het begin nog dat het kinderangsten waren. Ze drukten me op het hart dat er echt niemand was. Dat we alleen waren met de vogels. Later werden ze er chagrijnig van, al probeerden ze dat te maskeren door me op een zogenaamd vriendelijke toon te vertellen dat er écht niemand was. Ze hebben drie keer met een zaklamp de bosjes uitgekamd, met mij vlak achter zich, en me heel erg duidelijk gemaakt dat ik niet zo dom moest doen.
Toch bleef het gevoel altijd.
Ook als ik rende rende rende over het asfalt. Het regelmatige geluid van mijn hakken stelde me een beetje gerust. Ik hoorde gehijg. Mijn hartslag schoot omhoog, ik keek achter me. Niemand. Pff. Pff. Pff. Ik hield mijn adem in. Niets.
Was ik het zelf dan?
Was het iemand anders?
Zag ik spoken?
Werd ik gek?
Was ik al gek?
Rende rende rende over straat.
Boem boem boem boem boem deed mijn hart. Het arme ding sloeg zichzelf stuk.
Rende rende rende rende over het pad. Eindeloos lang. Tot mijn benen aangaven even rust nodig te hebben. Ik ging te hard. Mijn enkels schreeuwden. Gilden om vergiffenis. De hakken moesten uit.
Ik deed de hakken uit.
Ik liep in een rustiger tempo door. Mijn hartslag ging om laag. Ik zocht naar een herkenningspunt. Hoe ver was ik nog van huis? Hoe ver had ik al gerend? Waar was ik überhaupt? Was ik te ver? Was ik verdwaald?
O god o god ogod god god o god ogodogod.
Nee. Daar. Daar! De boom met de vreemde kruin, zonder bladeren. Hij was zo goed als dood, wachtte alleen nog op de laatste slag. De kettingzaag die zijn stam doormidden zou snijden, al het leven uit hem zou trekken.
Nog vijfhonderdeenentwintig meter. Ik had het uitgemeten.
Toen opeens een geluid. Er vlogen vier vogels op. Mijn adem stokte, hart sloeg een paar slagen over. Een schaduw kwam een paar meter achter me uit de bosjes gestruikeld. ‘Dat voelt…’ Meer hoorde ik niet. Ik gilde en zette het op een rennen.
Ik moest weg weg van hier. Zo snel mogelijk weg!
Mijn benen negeerden de pijn en stuwden me naar voren. Nog vijfhonderdeenentwintig meter te gaan.
Snelheid van zo’n slordige vijf meter per seconde. Ik zou binnen twee minuten thuis moeten zijn als ik dat haalde. Maar dat was mijn sprinttempo. Ik rende vierhonderd meter in een krappe twee minuten. Dat maakte twee minuten en dertig seconden een haalbare tijd.
Te lang.
Sneller.
Mijn panty scheurde. De steentjes van de weg boorden zich in mijn voeten. Maar ik voelde het niet.
Ik kwam na honderdvierenveertig seconden aan bij de deur. Ik probeerde met trillende handen de sleutel in het slot te krijgen. Na acht keer lukte dat pas.
Deur open.
Sleutel eruit.
Deur dicht.
Bam bam bam…
Er was niemand thuis. Ik was alleen met mijn gierende ademhaling en racende hart.
De ogen waren weg, maar mijn ogen hadden het ook wel gehad.
Er ontstonden watten in mijn hoofd. Zwarte vlekken voor mijn ogen kondigden een flauwte aan. Ik liet me langs de deur naar de grond zakken. Mijn hoofd tussen mijn knieën. Ik kon nooit meer het huis uit.
De mensen waren echt.
De schaduwen waren verraders.
De vogels, mijn trouwe vrienden, waren nu weg.
De ogen bestonden. Ze keken me aan. Al die tijd al. Om te wachten op het perfecte moment.
Maar het was ze niet gelukt. De ogen hadden me niet te pakken gekregen. Ik zat hier achter een gesloten deur. Dat zou ik altijd blijven.
Ze konden hun hele leven lang wachten voor het tuinhekje, maar ik kwam niet meer naar buiten.
Ik bleef achter gesloten deuren.
Een schurende, griezelige, angstaanjagende lach borrelde op in mijn keel.
Ik was ontkomen.
Maar ze zouden wachten.
Net zo lang tot ik de belofte aan mezelf brak.

Reacties (2)

  • Yayde

    Echt geweldig goed geschreven! Je sleurt me helemaal mee. (:

    8 jaar geleden
  • Quies

    echt prachtig geschreven!

    8 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen