Foto bij Hoofdstuk 2

Bedankt voor het klikken op mijn story!
Dit is het eerste verhaal van me dat ik deel op het internet, dus ik het zou echt waarderen als je me zou vertellen wat je ervan vindt. Als je een reactie schrijft, schrijf ik er ook één voor jouw stories.
Als ik twee reacties krijg, schrijf ik verder.

Cast; Zachary "Zac" Leviz = Logan Lerman
Judy Maeson = Shailene Woodley
Breanna Maeson = Mia Talerico
Soundtrack; Just a Boy door Angus en Julia Stone
Rainbow On Fire door Elissa Franchessi

“I’ll melt like a rainbow on fire…” – Rainbow On Fire door Elissa Franchessi


Sommige mensen hebben het soort lach dat maakt dat je er een duizelig soort van dolgelukkig van wordt. Secondenlang bleven we zwijgen om elkaar aan te kijken. Zijn ogen waren het mooiste soort groen dat ik ooit gezien had en in zijn irissen zag ik iets helders flakkeren wat ik herkende als de glans van een gelijkgestelde ziel. Hij droeg een jeanshemd dat enkel en alleen voor hem leek gemaakt te zijn. ‘Hey,’ glimlachte hij naar me. Zijn haar viel in prachtig warrige lokken om zijn gezicht, een tikje verwaaid maar desondanks perfect.
Zijn wimpers waren donker, zo donker, alsof een gepassioneerd tekenaar ze met trefzekere stroken houtskool om zijn ogen getekend had. Evenzeer waren zijn lippen perfect getekend, zachtroze en symmetrisch gevormd.
Hij was even oud als ik, misschien ouder, en een twintigtal centimeter groter dan ik, waardoor hij zeker een meter negentig moest zijn en half gebukt moest staan om in het springkasteel te passen. ‘Niet vallen,’ waarschuwde hij toen hij mijn schouders losliet.
Ongemakkelijk zette ik een stap achteruit, onhandig als een babyhertje op zijn fijne pootjes. Toen ik daarbij bijna dwars over een kind viel, sloeg hij zijn arm terug om me heen. Zijn lachende ogen schoten van mijn gezicht naar dat van Breanna. Het was bijna onmogelijk dat hij niet zag dat ze mijn zusje was, want vreemd genoeg leken we ondanks het leeftijdsverschil van dertien jaar enorm op elkaar. Als we oude fotoboeken openslaan, weet bijna niemand te zeggen of een vierjarige ik of Breanna de bladzijden vult. ‘Je zus is niet zo heel stabiel, is het niet?’ glimlachte hij naar Breanna.
‘Ik ben Breanna. En Judy valt veel,’ snaterde Breanna simpelweg. ‘Altijd.’ Het was waar, ik kon over alles struikelen, van uitstekende tegels tot mijn eigen voeten. Maar dat betekende dan nog niet dat Bre het er in hoefde te wrijven.
‘Judy,’ knikte de jongen glimlachend. De warmte van zijn hand drong dwars door de stof van mijn shirt, waarop ik zijn hand voelde gloeien op mijn bovenarm. ‘Mijn grootmoeder heet ook Judy.’ En dat was meteen waarom ik mijn naam haatte met hart en ziel. De enige Judy’s op de wereld waren ik en een heleboel zestigplussers. Uit zijn mond, van over zijn gave lippen, klonk het echter als een compliment, niet als de scherpe opmerkingen die ik vaker te horen gekregen had in verband met mijn naam.
‘Het is een ouderwetse naam,’ gaf ik zachtjes toe. ‘Niet heel erg populair meer…’
Zijn ene mondhoek klom omhoog in een jongensachtig lieve grijns. ‘Ik heet Zachary.’ Zijn hand vouwde hij in de mijne om me semi-plechtig de hand te schudden, waarbij zijn huid zacht aanvoelde tegen de mijne. ‘Naar mijn grootvader.’
Soms is het geweldig om iets met iemand te delen, al is het alleen een ouderwetse naam.
Zachary en Judy. Mijn wangen verhitten bij het idee alleen al.
‘Zeg maar Zac, iedereen zegt Zac.’ Met een vriendelijk knikje keek hij richting de uitgang van het kasteel. ‘Wat denk je, Breanna? Brengen we je zus in veiligheid voor ze iets breekt?’
Hij was fantastisch met kinderen, dat zag ik meteen. Breanna luisterde naar hem op de manier waarop de Paus naar God himself zou luisteren, met grote ogen vol van bewondering en een opengezakte mond vol verbazing.
Op de één of andere manier had hij haar stil gekregen, want na nog geen vijftien minuten zat ze voor ons aan tafel met een kleurplaat en een pannenkoek. ‘Ik vind Zach leuk,’ giechelde ze tegen de tekening die ze gemaakt had. Verder zweeg ze. Het was jaren geleden dat ik haar zo stil had weten zijn. Van voor de dag dat ze leerde praten, in feite.
Naast Breanna zat Elliott, Zac’s driejarige broertje. Halfbroertje, veronderstelde ik, want hij leek in geen enkel opzicht op Zac zelf.
‘Vertel me eens, Judy.’ Een grote beker softijs schoof hij naar me toe. Met een dankbaar knikje na ik de plastic beker aan. ‘Wat brengt jou hier?’
Met een lacherig gebaar wees ik richting mijn zusje. ‘Breanna. Mijn moeder wilde dat ik nog eens buitenkwam, dus…’ Toen ik me realiseerde dat ik klonk alsof ik nooit buitenshuis kwam – wat eigenlijk ook wel zo was – hield ik mijn mond. ‘Genoeg over mij… Ook een kinderfeestje?’ Voorzichtig wees ik met mijn duim naar Elliott.
Over het vlakke tafeloppervlak schoof hij zijn neongroene beker schaafijs tussen zijn slanke handen. ‘Nee, nee… We komen hier vaker, Elliott heeft de laatste tijd… Hoe zeg je zoiets…?’ Even leek hij moeite te hebben met het vinden van de juiste woorden, waarop ik alles gegeven zou hebben om even terug in de tijd te gaan en mijn vraag ongedaan te maken. ‘Mijn oudere broer Jonathan… is… Hij ligt…’
‘Je hoeft het niet te zeggen als je het niet…’ Een enorme steek medeleven zwol op in mijn ziel, zonder dat ik wist waarom precies.
‘Nee, het geeft niet… Mijn broer ligt in een coma.’ Zijn stem brak onder het gewicht van de woorden, waarop hij zijn keel schraapte.
Ik voelde mijn bloed uit mijn wangen, die een gezonde blos hadden gekregen van het eerdere lachen, omlaag stromen. Lichtjes begon ik te duizelen. Het was zo’n onwerkelijk idee, iets wat ik niet kon bevatten, in coma liggen. Het betekende dat iemand er nog wel was, maar tegelijk ook weer niet. Vragen waarom durfde ik niet. Ik wist dat hij het niet erg zou vinden, hij zou antwoord geven als ik het zou willen weten, maar hij had iets gebrokens in zijn blik gekregen en ik wilde niet dat hij er ook maar één seconde langer uit zag alsof hij nooit meer zou gaan lachen met die donker-, donkergroene ogen waar ik een klein halfuur geleden voor gevallen was, zowel letterlijk als figuurlijk. ‘En… Voor Elliott is het ongelofelijk bevreemdend, ik bedoel… Hij begrijpt het niet, hij is pas vier en hij is autistisch, dus… Hij kan sowieso al niet tegen verandering, zeker niet tegen een verandering als deze, en ik… Ik doe mijn best om het hem zo aangenaam mogelijk te maken.’ Hij lachte zachtjes, niet zoals eerder, het neigde min of meer naar een droevig grinnikje. ‘Zelfs als dat betekent dat ik op een zaterdagavond in een oude speelhal moet zitten.’ Van over de rand van zijn beker keek hij me aan, en nu lachten zijn ogen weer. Ik werd er duizelig van, op de goede manier dit keer. ‘Het is nu ook weer niet zo erg, ik bedoel… als ik hier niet om de haverklap was, zou ik jou niet hebben leren kennen.’
Zijn ogen sprankelden zoals ik ze nog nooit had zien sprankelen. De kleine, gouden snippers die in het groen van zijn irissen huisden, dansten door zijn ogen. Caleidoscoop-ogen, dacht ik, dat is de enige naam die je eraan kan geven. Vroeger kocht mijn moeder altijd caleidoscopen voor mij en mijn zusje Anna. Het waren kijkbuizen met glitterende stukjes plastic erin, en als je die dan draaide, verschoven de glitters zodat je prachtige beelden van glimmend plastic te zien kreeg. Caleidoscoop-ogen. ‘Geloof je in het lot?’ grinnikte hij toen.
‘Misschien wel,’ grijnsde ik terug. ‘Ik…’
Een meisje met een voorgebonden schort en een hoge paardenstaart legde een dun papiertje op de tafel. ‘De rekening,’ knikte ze.
Uit de zakken van mijn rafelige, oude rok die ik van mijn moeder eigenlijk niet meer mocht dragen omdat ze het er onverzorgd uit vond zien om kledij van vier jaar geleden te blijven dragen, viste ik een verfrommeld stukje briefgeld. Met de palm van mijn hand streek ik het glad tegen het tafelblad. ‘Ik betaal.’
Zac lachte naar me en schudde zijn hoofd. ‘Ik trakteer, geen probleem.’ Het papiergeld werd terug naar me toe geschoven.
Opnieuw schoof ik het geld naar hem toe. ‘Het hoeft niet, ik ben je iets verschuldigd. Ik had mijn voet gebroken als je me daarstraks niet opgevangen had bij het springkasteel.’
‘Weet je wat?’ glimlachte hij. ‘Ik betaal vandaag, dan laat ik jou de volgende keer betalen.’ Zijn geld schoof hij over de tafel naar de serveerster toe, waarna hij halfblozend naar me grinnikte.
Toen pas realiseerde ik me pas wat hij gezegd had. “De volgende keer.” Ik sloot héél even mijn ogen en wenste dat hij meende wat hij zei en er inderdaad een volgende keer zou komen dat we elkaar zouden zien.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen