De Ware hoopte dat de mensen niet zouden hervallen.
Hij maakte een voorspelling die verhaalde,
dat er eens een groot kwaad zou komen
over de wereld die hij geschapen had.
De sterkste generatie van de nakomelingen van
de vijf uitverkorenen, zouden het gewicht van de vrede in
hun wereld op hun schouders moeten dragen.
Elk zouden ze hun eigen sterktes en zwaktes hebben, maar
samen zouden ze de wereld voor het kwaad kunnen behoeden.
Samen, en alleen samen, zouden ze kunnen voorkomen
dat de duisternis zich voor eeuwig over hun wereld
zou uitspreiden. Ze zouden vrede onder de verschillende
volkeren brengen en een nieuwe, voorspoedige tijd inleiden.

De grote voorspelling uit Het Heilige Boek van Atra.

“Ik hoop dat ze op tijd zijn Sacharias, de Duisternis verspreidt zich langzaam over hun wereld, en ik heb het gevoel dat het geen halt zal houden aan de grenzen van deze wereld…” “Moge Kali hun behoeden.”, antwoordde Sacharias mompelend. “Ze zullen hem nodig hebben.” “Ik wenste dat hij zou kunnen Sacharias, maar jij weet even goed als ik dat hij niets voor ze kan doen. Wacht even, ik denk dat… Ja! Kijk Sacharias, ik vond nog een broodje ham, van al deze gebeurtenissen zou je honger krijgen…” “U bent en blijft ook altijd hetzelfde meester…” “Mwja, mwik heb ook mwel evemn mwust vewdiend”, brabbelde hij met zijn mond vol. Hij slikte zijn broodje ham door en ging zitten in zijn luie stoel. “Even kijken wat er nog te beleven valt”, zij hij met zijn blik op de flikkerende beelden gericht die zo snel kwamen en gingen dat een gewoon mens er niets uit zou opmaken. “Mooi, die heb ik nog niet gezien denk ik.” Sacharias rijkte hem wat frisdrank aan en ging naast hem zitten. “Even een moment van rust.”, mompelde hij met een een broodje in zijn handen. “Hè, is dat een broodje kaas?”, vroeg zijn meester nieuwsgierig terwijl hij het broodje uit zijn hand griste en het in zijn mond stak. “Het is een broodje kaas!” Sacharias zuchtte en vroeg zich af waarom hij toch ooit op die verdomde vacature had gentwoord terwijl hij wat anders te eten ging halen.

Ricardo en Timotius liepen gniffelend door de gangen in het paleis. Langslopende bedienden liepen met een boogje om hen heen omdat ze geen zin hadden slachtoffer te worden van een van hun sluwe streken. De tweeling liep de trappen af naar de keuken, waar ze ondertussen al gekend waren om hun vindingrijkheid bij het stelen van eten. Ze waren een tweeling, niet dat je het zou vermoeden als je ze zou tegenkomen. Behalve hun lengte hadden ze geen enkel lichamelijk kenmerk gemeen, maar beiden haalden ze samen de gekste streken uit in het paleis. Hun vader, tevens de gouverneur van de provincie Rallart, werd gek van hun streken. De enige die hun rustig kon houden, was hun moeder. Maar wanneer ze er niet dreven ze het hele paleis tot wanhoop. Toen ze voor de deur van de keuken stonden vroeg Ricardo: “Klaar timy?” “Zeker Ricky.”, antwoorde die. Timy zetten zijn kap op en liep door de deur. Stilletjes, om niet herkent te woren, liep hij de keuken binnen. Hij stak zijn hand uit naar een appel maar hoorde en stem bulderend roepen:”Poten af, je dacht zeker dat ik je niet herkend had met je kap!?” Timy draaide zich met een schuldbewust gezicht naar de kok en verontschuldigde zich. Stil keek hij naar links en zag dat Ricky de zoetigheden gevonden had. Een grijns trok over zijn gezicht en lachend liep hij weer door de deur. Niet begrijpend keek de kok hem na. Toen hij zich wilde omdraaien zag hij wat er gebeurde. “Rennen Ricky!”, schreeuwde timmy terwijl hij de deur openhield. De kok probeerde hem nog de weg te versperren maar de kleine jongens waren te vlug. Lachend renden ze de trap op en de gang door met de kok op hun hielen. De kok schreeuwde en vloekte maar ze bleven rennen. Hij had ze bijna te pakken en stak zijn hand uit. Net op dat moment dook Ricky tussen de benen van een verontwaardigde bediende waar de kok recht tegenop knalde.Timy raapte snel een gevallen koekje op en rende, samen met Ricky, de hoek om. Na nog een paar gangen en trappen kwamen ze op het binnenplein. Samen liepen ze naar de stal en klommen via de hooizolder op het dak. Grinnikend begonnen ze te eten. Plots hoorden ze een stem en verstarden. Schuldbewust keken ze neer op hun moeder die vanaf het binnenplein met haar handen in haar zij naar hun zat te kijken. “Haal die jongens onmiddellijk van het dak af.”, beval ze de stalknecht. De jongens kwamen beteuterd het dak af, zich voorbereidend op weer een preek van hun moeder…

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen