Foto bij Liefdesvlees - hoofdstuk 1, deel 2

De wind was fris toen Celeste en ik de supermarkt uitstapten en ongemerkt stopte ik mijn handen nog wat dieper in de zakken van mijn jas. Een zachte zucht klonk al snel van Celeste’s kant en met een snelle beweging viste ze haar sleutels uit haar broekzak.
‘Welke kant ga je op?’ vroeg ik glimlachend, gebarend naar de fietssleutel die ze tussen haar wijsvinger en duim geklemd had.
‘Helaas niet jouw kant. Ik had Neal beloofd dat ik langs zou komen,’ vertelde ze me, waarna ze een verontschuldigend glimlachje rond haar lippen toverde. Ik wuifde het weg, drukte mijn mondhoeken weer een stukje omhoog en gebaarde vervolgens naar de andere kant van het terrein.
‘Geeft niet. Zo ver is het niet, mijn fiets staat toch daar. Ik zie je morgen wel weer,’ vertelde ik haar snel. Celeste knikte en stapte naar haar fiets toe. Ik wenste haar veel plezier met Neal toe en beende vervolgens over het verlaten parkeerterrein. Mijn blik gleed over de enorme parkeerplaatsen en bleef steken bij mijn oude barrel dat tegen een stenen muurtje geparkeerd stond. Normaal gesproken brandde de lantaarnpaal ernaast altijd, maar vandaag moest hij het natuurlijk weer net niet doen.
Ik zuchtte zachtjes, haalde diep adem door mijn neus en rechtte mijn schouders. Kom op zeg, ik durfde toch wel naar mijn fiets te lopen? Ik was verdomme geen schijterd.
De stemmen van mijn collega’s die ik zojuist nog gezien had, stierven nu langzaam weg en lieten een zware stilte vallen op het enorme terrein. Ik was er eerst van overtuigd geweest dat één van de fietsen die in de buurt van de mijne geparkeerd stonden wel van een van mijn collega’s zouden zijn, maar blijkbaar was dat verloren hoop geweest. Lekkere timing.
In al die drie jaar dat ik hier nu werkte, was deze plek altijd super handig geweest om te stallen. Hij stond namelijk buiten de gevreesde jat-zone, was geparkeerd naast een – normaal gesproken dan – werkende lantaarnpaal en het was gewoonweg dichter bij mijn huis. Het scheelde misschien maar een metertje of honderd, maar toch.
‘Hé!’ klonk het ineens achter me, waardoor mijn hart een sprongetje leek te maken in mijn borstkas en ik ongemerkt mijn pas een stukje versneld. ‘Hé wijffie, niet zo snel!’
De voetstappen die achter me hadden geklonken, klonken nu sneller en met mijn hart in mijn keel liep ik nog een stukje sneller naar mijn fiets. Toen ik deze eenmaal bereikt had, viste ik mijn sleutels uit mijn broekzak en probeerde het slot los te maken dat ik om het wiel en de stang had vastgeklemd. Het was een oud scooterslot, maar functioneerde eigenlijk altijd prima voor mijn fiets. Het was stevig en zorgde er eigenlijk altijd voor dat mijn fiets niet van het station gejat werd. Nu, echter, leek het door mijn verdomde trillende handen alleen maar voor problemen te zorgen.
‘Schiet op, vervloekt ding!’ siste ik toen ik het slot niet meteen losgedraaid kreeg.
‘Hebbie problemen, schatje?’ grijnsde het gezicht van de jongen die duidelijk bij de stem van daarnet hoorde. Hij leunde ineens tegen het muurtje aan en krulde zijn armen over elkaar. Zijn vrienden, die even verderop op hem stonden te wachten, lachten. Waar kwamen ze eigenlijk zo ineens vandaan? Ik had niet eens gezien dat er nog mensen hier waren.
‘Het is niet zo netjes om mensen te negeren, hè?’ vroeg hij nu, zijn hagelwitte tanden bloot grijnzend. Ik trok vies mijn neus op en voelde de haren op mijn armen overeind komen. Ik wist dat ik zei dat ik spanning in mijn leven wou, maar dit was absoluut niet wat ik bedoeld had.
Verdomme, Rose, verzin iets!
‘Ook niet om mensen te besluipen,’ was mijn gevatte antwoord. Ik morrelde nog een keer aan het slot en zuchtte opgelucht toen deze dan eindelijk opensprong.
‘O, maar ik besloop je niet,’ grijnsde de jongen terug. ‘Ik bewonderde je van gepaste afstand.’
‘Ik versta iets anders onder gepaste afstand, dus als je het niet erg vindt..’ mompelde ik snel. De jongen lachte geamuseerd en hield bij wijze van theatraal gebaar zijn hand tegen zijn borst. Bijna alsof hij nog nooit iets grappigers gehoord had.
De jongen legde zijn hand op mijn arm en trok zijn mond open, maar nog voordat hij iets kon zeggen, klonk ineens het luide ronken van een motor. Uit het niets reed een gitzwarte, robuuste motor het terrein op en werd naast de jongen geparkeerd.
De man die er op zat, deed zijn helm af en keek mij aan. ‘Valt hij je lastig?’
Nog voor ik antwoord had kunnen geven, draaide de jongen naast mij ook zijn gezicht en liet abrupt mijn arm los toen zijn blik die van de jongeman op de motor kruiste.
‘Nee, man, niets aan de hand,’ mompelde de jongen snel, waarna hij zijn hoofd schudde en zijn handen onschuldig in de lucht stak. Zonder nog een woord te zeggen, maakte hij zich uit de voeten en gebaarde naar zijn vrienden. Waarom wist ik niet, maar ze sloegen op de vlucht als een stel opgejaagde konijnen. Wat was er aan die jongen dat ze zo snel had doen afdruipen?
‘Je kunt beter naar huis gaan,’ mompelde de jongen op de motor nu tegen mij. Ik liet mijn blik over zijn knappe gezicht glijden en knikte toen. Ik tilde mijn fiets een stukje omhoog en ging op het zadel zitten. Net toen ik mijn gezicht naar de jongen op de motor toe wilde draaien om hem te bedanken, zag ik dat hij al verdwenen was, niets achterlatend dan een hoop rook en een ronkend geluid.
Snel begon ik met trappen en fietste naar huis. Onderweg kieperde ik bijna een keer in de berm omdat ik met mijn gedachtes totaal ergens anders was, maar ik kon ze niet weren. Wie was die jongen en waarom had hij die jongens zo afgeschrikt? Sterker nog, wat was er zo bekend aan hem?

Reacties (5)

  • Suitable

    Spannend! Snel verder(:

    4 jaar geleden
  • NicoleStyles

    Zooo spannend
    <3
    Snel verder!!

    4 jaar geleden
  • FabriziaNaomi

    Hmmmm Oke ik neem een ABO ben benieuwd

    4 jaar geleden
  • SweetDemon

    nieuwe abo snel verder!

    4 jaar geleden
  • Pam

    (H)(H)(H)(H)(H)(H)(H)(H)(H)(H)

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen