Foto bij [10]Troublemaker~Killian

^^ Trygven

Na een goede nachtrust- tenminste, wat overbleef van de nacht gezien we pas om vijf uur gingen slapen, zat iedereen om twaalf uur aan de tafel. 'Het is alsof ik op een Morgenster heb geslapen.' 'Awh, heeft ons prinsesje de boon onder haar koninklijke matrassen ontdekt?' vroeg Mason, een huurling, geamuseerd. 'Zijne hoogheid zal waarschijnlijk nog nooit op een normaal bed gelegen hebben. Enkel op met veren gevulde en met gouddraad geborduurde kussens', antwoordde een ander. 'Genoeg. En geen gebruik van zulke titels hier. De muren kunnen oren hebben.'
'Hé, jongen', bromde een diepe stem van achter me.
Ik draaide me om, try to act cool , hield ik me voor.
' Wat is het?'
'Je zit aan onze tafel, jij en je bende minstrelen.' 'Jouw tafel? Hoezo, staat je naam er dan op? En we zijn geen zangers trouwens.'
De man, midden de vijftig met grijs door zijn lange zwarte haren en ruige baard leek norser te worden met de seconde. Achter hem stond een afzichtelijke man die iets jonger was maar de littekens, ongetemde baard en de boosaardige frons op zijn gezicht lieten hem er veel ouder uitzien. Achter de andere schouder van de bariton stond iemand van ongeveer Methui en Liam's leeftijd... Hij zag er merkwaardig normaal uit voor de rest van het woeste gezelschap want naast de bariton en de afzichtelijke man stonden nog ongeveer dertig man die er om ter gevaarlijkst uitzagen.
'Ja', bromde de bariton en in één soepele beweging plantte hij zijn dolk op een paar centimeter van mijn bord in de tafel. Vlak erboven stond "Caesar" gekerfd. 'Oké, en dan?' 'En dan, mooie jongen? Heb je enig idee wie ik ben?' 'Ik gok een man.'
'Je daagt me uit.' 'Er zijn genoeg andere tafels, ik hoef voor niemand baan te maken.'
Plots werd ik achteruit getrokken aan mijn kraag en belandde hard op de grond. Een dolk drukte tegen mijn keel. 'Niet zo verwaand. Ik ben de man die voorkomt in je nachtmerries, degene voor wie iedereen baan maakt eens de nacht valt. Ik ben degene die duisternis een enge betekenis geeft. Ik ben de leider van de Bende van Vallas.'

Oh shit, dat betekende problemen. Serieuze problemen. Sinds ik werd toegestaan om de Raad bij te wonen ging het over de terreur die zij zaaiden. 'Uhm, iedereen klaar met eten? Ja toch hé? Heer, we waren net van plan te vertrekken. Sorry voor mijn vriend Killian hier, hij heeft wat te diep in het glas gekeken. Dan gedraagt hij zich altijd zo overmoedig', probeerde Will de zaak te redden.
'Waarom is jullie gevolg hier eigenlijk, jongen?' vroeg de spuuglelijke man die Will aanzag als de leider. 'Mijn verloofde, het stomme rund, is weggelopen. We willen haar terughalen. En eigenlijk kwamen we naar hier om wat mannen te ronselen om mee te zoeken... Tegen een goede prijs natuurlijk.' 'Wij hebben geen interesse in je geld. Niemand hier heeft interesse in je geld. We nemen gewoon wat we willen!'
'Dan weet ik dat nu.'
Ik kwam terug overeind.
Iedereen aan de tafel maakte baan voor de bende. Dus zo eindigden we in mijn kamer. 'Heb je een doodswens? Het is de bedoeling dat je lévend bij je zus aankomt', berispte Fitzwilliam me.
Ik rolde met mijn ogen en net toen ik de route aan de rest wou uitleggen vloog de deur van de kamer open en de normale jongen stond daar, samen met iemand anders.
'Hoeveel schuift het.'
'Ik dacht dat jullie niet geïnteresseerd waren?'
'Houd me niet voor de gek. De prinses is verdwenen, jou naam is Killian en jullie gaan een meisje zoeken... Dus, hoeveel schuift het als we helpen?' 'Wie zijn we?' vroeg Methui. 'Ben je achterlijk?' vroeg hij aan Methui.
'Ik en mijn vriend Liam, welke andere mensen zie je hier?' 'Maar gaat die creep dan niet kwaad zijn als jullie met ons meegaan?' 'Kwaad?' de mondhoek van bruinharige jongen schoot spottend omhoog. 'Hij zal furieus zijn en ons achterna komen om ons op te hangen wegens verraad. En jij hebt nog steeds mijn vraag niet beantwoord', zei de jongen toen hij zich terug tot mij wendde.
'Zoveel je maar wenst.' 'Zoveel ik maar wens?' 'Een maximum van tienduizend Goudkronen.' 'Klinkt aardig. Voor elk van ons.' 'Wat?' bracht ik verbaast uit. Elk tienduizend?
De jongen trok zijn wenkbrauwen op. 'Goed dan. Maar enkel als je aan het eind van de reis je nut hebt bewezen.' 'Kan voor gezorgd worden.' 'En wat is jou naam?' 'Caspian.' Ik knikte en de rest van het gezelschap stelde zich ook voor.

Caspian en Liam vertrokken snel daarna naar de stallen zodat ze niet tezamen met ons zouden worden gezien.. Na een half uur vertrokken wij naar de stal. Caesar wierp me een duistere blik eer we de herberg verlieten en ik verbrak snel het oogcontact.
Terwijl we de teugels van onze paarden losmaakten en hen zadelden liep er een blond meisje binnen en toen ze ons zag bleef ze verstijfd staan in de deuropening. 'Luc's dochter. Grijp haar voor ze ons verklikt!' Meteen schoot Kellan, één van Will's neven in actie. Het meisje slaakte een gil en zette het op en lopen. Tevergeefs. Ze werd vastgebonden op Fitzwilliam's paard gezien hij de mildste ruiter was met een doek om haar mond gebonden.
Ze zag er niet erg gelukkig uit en we hadden geen idee wat we met een vrouw moesten doen op deze reis. Tenslotte was ze enkel onhandig: ze hoorde een aparte kamer te hebben maar dat ging niet gezien ze niet mocht ontsnappen en elke keer als ze naar het privaat moest zou iemand haar ook moeten vergezellen... En ze had geen reservekleding of niets... Maar we konden haar niet simpelweg omleggen. We waren geen moordenaars... Op de huurlingen en de twee bendeleden na dan.

Dagenlang reden we onverstoord en op hetzelfde tempo als ik had voorspeld tot op een dag één van de dertien huurlingen, die die dag tot scout was benoemd, luid op zijn horen blies. Drie keer lang voor de klinkers en twee keer kort voor de medeklinkers zoals we hadden afgesproken. Valas. De bende had ons ingehaald.
Meteen gaf iedereen zijn paard de sporen. Iedereen joeg zijn paard door het bos terwijl we de dieren over de boomwortels lieten springen terwijl we zelf de boomtakken vermeden. Het werd donker maar nog steeds minderden we geen vaart. Eén keer hadden we allemaal halt gehouden en toen we het gedraaf van vele hoeven hoorden gingen we opnieuw snel verder.
Ik wist dat binnen ongeveer een kwartier we bij de herberg zouden komen waar we die dag werden veronderstelt te slapen. We hadden al pogingen ondernomen hen van ons af te schudden maar het had geen zin gehad en ik wist dat als we zouden besluiten door te vluchten doorheen de nacht, zij hetzelfde zouden doen.
Het zou vierentwintig tegen ongeveer dertig man zijn. We waren in de minderheid maar het was geen grote minderheid. 'Casian, hoeveel man is de bende?' vroeg ik toen ik het einde van het bos voor me zag opdoemen. 'Zonder ons: achtendertig.'
Oh, dat veranderde de zaken. Ze telden veertien meer dan ons. Een bende van moordenaars en verkrachters. Ik hoopte dat de huurmoordenaars naar hun reputatie zouden opleven.
'We kunnen niet blijven rennen.' 'Nee, en als het op volhouden aankomt winnen ze het van ons met de handen op de rug.' 'Binnen vier minuten komen we op een vlakte. We gaan aanvallen.' 'Mij goed.'
Ik deelde het commando mee aan de rest van de groep tezamen met nog enkele bijkomstige instructies en eens we aankwamen op de vlakte liepen we ver genoeg zodat ze zich niet in en tussen de bomen konden schuilhouden en namen een strijdpositie in.
Daar kwamen ze. Slechts heel kort verbaasd dat we stil stonden. Maar al snel raceten ze door in volle galop alsof ze over ons heen konden rijden.
Ik greep mijn zwaard.
Here goes to nothing.
'Verraders! Jullie zullen hangen aan de hoogste tak zodat iedereen jullie schande kan zien!' Strijdkreten klonken overal en al snel werd mijn aandacht naar de snel nader komende figuur voor mij getrokken. Onze zwaarden zongen een lied van ijzer en bloed in het machtsspel dat werd bemoeilijkt door de bewegende ondergrond die onze paarden waren.
Een tweede ruiter verscheen naast me. Mijn paard steigerde en ik gebruikte het moment dat ik buiten raakafstand was om mijn zwaard over mijn schouder te tillen enkel om wanneer ik neerkwam het heel hard te laten neerkomen in de nek van de eerste. Met zijn hoofd slechts half aan zijn lichaam gehecht stortte hij neer terwijl ik snel de knots van de ander ontweek waardoor deze recht op de heup van Adir terechtkwam. Het paard hinnikte en steigerde en trapte de ander recht in het gezicht. Ik wist dat aan het eind van dit alles het slagveld een schrikwekkend aanzicht zou zijn maar nu kon ik er geen seconde aandacht aan geven. Ik probeerde Adir weer onder controle te krijgen en bekeek het slagveld kort.
Evan, één van Will's neven vocht dapper tegen drie man maar zag er knap gehavend uit. Ik ging naar hem toe en Adir struikelde één maal bijna over het levenloze lichaam van iemand. Ik wierp mijn dolk naar één van zijn tegenstanders. Het trof de man die geen harnas droeg recht in de buik. Maar vooraleer ik dichter kon geraken werd ik opgehouden door de kwaadaardig grijnzende Caesar.
'Jij moet echt je plaats leren kennen jongen.' 'En waar is die dan?' 'Eerst zou ik gezegd hebben-' Een uithaal met zijn dolk naar mijn schouder dat ik kon ontwijken '- Thuis aan je mama's borst maar nu... Hoor je onder de zoden!'
Zijn dolk trof nu doel in mijn lenden. Ik krijste het uit in een erg onmannelijke manier maar mijn zwaard zocht al snel doel. Het kwam in contact met het zijne. We duwden om overwinning... Maar zijn jaren ervaring wonnen het van mijn energie. Ik dook maar mijn zwaard sloeg tegen mijn gezicht en zijn zwaard schraapte over mijn dikke leren wambuis. Ik was zo enorm dankbaar dat er ook nog een maliënkolder onder zat want zijn zwaard was verrassend scherp en met nog drie slagen zou hij ongetwijfeld door de vijftien lagen tellende stof zitten.

'Boogschutters in positie!' Officiële strijdhoorns klonken en even was ik zo verbaast dat ik geen aandacht schonk aan mijn nemesis. Tegen dat ik me omdraaide had ik nog net de tijd mijn linkerarm voor me te houden of het zwaard raakte me.
Zonder na te denken bleef ik slaan en hakken terwijl hij me met gemak afweerde. Ik was woest. Furieus en doodsbang. Mijn neef was hier. Ik ging niet voor zijn ogen afgaan!
Caesar leek zich te ergeren aan mijn vastberadenheid en geraakte steeds meer opgewonden. Tot een pijl door zijn hoofd schoot en hij van de kracht van de impact van zijn paard viel.
'Daar! Dat hebben we dan ook weer opgelost.' 'Ik had het onder controle.' Trygven trok een kritische wenkbrauw op. 'Zoals je wenst. Dan heb ik je simpelweg de moeite van een verder gevecht bespaard. Ook trouwens een goeie dag neefje.'
Net toen hij zich wou omdraaien en wegrijden gleed zijn blik verder over mij.
'Killian, ik denk dat het beter is als je mij volgt', besloot hij met bij elkaar getrokken wenkbrauwen. 'Hoezo?' 'Kom nu maar.'
Zoals gebruikelijk had het geen zin om hem tegen te spreken als hij die toon aansloeg.
Ik was verrast te zien dat er een heel kamp rond de herberg was gevestigd. Hoe lang had hij al op ons zitten wachten?
Bij een tent waar een bordje voor stond dat omwikkeld was met doeken liet hij me afstappen.
Hij sprong haastig van zijn paard en leek klaar me op te vangen. Ik had geen idee waarom.
Maar van zodra ik mijn ene been over het paard zwierde en met mijn eerste voet de grond raakte, wist ik het. Ik onderdrukte een pijnkreet. Mijn knie plooide dubbel bij de pijn die door mijn lies schoot. Trygven sloot zijn handen behendig onder mijn oksels.

Mijn gewicht rustte voor het merendeel op hem terwijl ik binnen hinkte in wat er uitzag als een veldhospitaal.
Meteen liet de dokter die voorheen rustig door een boek bladerde me neerzitten. Pas toen hij en Trygven met alle zorg mijn kleren verwijderden en het bloed van mij wasten had ik door waarom Trygven er zo ongerust had uitgezien. Mijn linkerhand dat een slag had afgeweerd, ontbrak de pink- en ringvinger. Over mijn rechterbeen liep een grote snede en slechts enkele centimeters voor mijn lies zat een diepe steekwonde. 'Je hebt geluk dat hij niet in je lies zat. Anders waren je spieren kapot en was je mooi hier gebleven jongen', zei de dokter.
Trygven zat de hele tijd stil naar mij te kijken. 'Hoe lang ben je hier al?' vroeg ik om de stilte te verbreken. 'We zijn vanmorgen aangekomen. We reden meteen uit toen we hoorden dat er een gevecht plaatsvond.'
'Waar denk je aan? Je bent zo stil?' 'Ik vraag me af wat ik ooit heb mis gedaan dat ik zo een familie verdien.' 'Geef toe, zonder ons zou je leven ongelofelijk saai zijn.' Hij schonk me zijn strenge-vaderblik. Een blik die hij helemaal niet hoorde te hebben gezien hij nog geen vader was maar al onder de knie had sinds de tedere leeftijd van veertien.
'Ik zweer het, ik denk dat je me net mijn eerste grijze haren heb bezorgd', verzuchtte hij. 'Ik hoop dat je weet dat je geluk hebt met mij. Ik had helemaal geen reden om jou te komen helpen.' 'Geen reden? Je gaat toch niet vertrekken hé?' 'Natuurlijk niet. Ik laat mijn familie nooit stommiteiten uitvoeren... Op hun eentje.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen