Foto bij 20 - Rebirth

Hopelijk krijg ik dit hoofdstuk nog af voordat ik morgen de hele dag naar euro disney ben:D


Het is een beetje kort, maar ik heb het nog op tijd!xD

      "Auw..." Ik kreunde en kwam overeind, waarna ik naar de steekwond in mijn zij greep, alleen... was die er niet?
      "Talon?! Horace?! Iemand?!" Wanhopig keek ik om me heen, zoekend naar iemand of iets dat ik herkende, waarna ik zag dat ik middenin de woestijn lag. Ik was nog een beetje duizelig, maar in de verte zag ik een groots gebouw. Het was niet het kasteel van Scynscatha, dat was zeker, maar alsnog zag het er best intimiderend uit.
      Ik keek naar mijn lichaam om het te inspecteren op verwondingen, maar ik leek in orde te zijn, behalve voor het feit dat mijn haar weer voorbij mijn schouders was gegroeid en lichtjes krulde. Hoe lang lag ik hier dan al? Ik slikte eventjes en voelde meteen de droogte van mijn keel. Licht hoestend stond ik op, waarna ik naar mijn krystall greep, maar jammer genoeg had ik die niet meer. Voor de rest was ik ook helemaal wapenloos, op een beeldschone uitrusting van een perfect materiaal na.
      Het leek gesmeden uit een licht metaal, het voelde lichter dan stof aan, maar het leek zo sterk als platina. Ook leek het perfect op maat gemaakt, alhoewel ik er niet achter kon komen waar ik het vandaan had. Opnieuw kwam er een vlaag van droogte en duizeligheid over me heen, waardoor ik maar besloot om water te vinden. Het leek hier echt verlaten, op het grote gebouw na, dus liep ik daar maar naartoe.

      Tegen de tijd dat de poorten in zicht kwamen, was de zon al bijna onder. Mijn uitrusting bood helaas geen warmte en ik huiverde een beetje toen ik richting de lichtjes van het gebouw strompelde. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat dit opnieuw een heilig gebouw moest zijn, omdat het ontwerp enorm op de kleine kathedraal in het kasteel leek, alleen dit was echt vele malen groter en indrukwekkender.
      Doordat ik zo betoverd was door het design, lette ik niet op waar ik naartoe liep, waardoor ik opeens tegen iemand op botste. "Oh, sorry!", zei ik verontschuldigend, waarop ik een nieuwsgierige 'hmm' hoorde. Voor me stond een tweeling met de meest onmogelijke haar- en oogkleur. Beiden hadden ze donkerpaars haar dat naar achteren gekamd was, en beiden keken ze me met honingkleurige ogen aan.
      "Hé, Ariviel, ken jij haar?"
      "Nooit gezien, Beaviel, jij misschien?"
      "Nope, geen enkele keer."
      "Ze heeft dezelfde energie als onze leider..."
      "Nu je het zegt... zou ze een uitgenodigde gast zijn?"
      "Ik heb daar niks van gehoord? Jij?"
      "Ik ook niet, maar alleen uitgenodigden kunnen hier komen."
      "Zullen we haar brengen naar de leider, dan?"
      "Wel goed op haar letten dan."
Opeens keken ze allebei naar mij, waardoor ik lichtjes schrok. De linker, Ariviel, rook aan me, waarna hij zijn schouders ophaalde, "Kom maar mee, vrouwtje."
      "Gedraag je, Ariviel, ze is een dame! Komt u maar mee, schoonheid." De rechter, Beaviel, pakte mijn hand en kuste me erop, waarna hij glimlachte, "Ik zal u escorteren naar de troonzaal."
      "Ach, jij doet dit ook alleen maar omdat ze een meisje is." Ariviel pakte me iets ruiger beet en deed de deur voor ons open, waarna ik werd meegesleept. In het gebouw keek ik opnieuw vol bewondering naar de muurschilderingen. Het leken legendes over de twee engelen, maar hier kwamen er zelfs nog meer bij, en ik zag zelfs demonen. Ik vroeg me af tot hoever de legendes echt klopten en welk volk hier leefde, maar toen werd ik al richting een grote vergulde deur geleid.

      "Wie is daar?!"
      "Ariviel en Beaviel, mijnheer."
      Achter de deuren zat een enorme troonzaal. Het plafond was wel zeker tien meter hoog en was helemaal beschilderd met nog meer plaatjes van de legende. Overal lagen heilige objecten en de kamer leek net gereinigd te zijn met salie. Het gaf me een gevoel van kalmte, maar toen ik opkeek, schrok ik toch wel lichtjes.
      Daar op die troon... zat Vladrim. Was dit dan het legendarische Onawien, waar Vladrim prins van was? Ongeïnteresseerd staarde de leider voor zich uit, waarna hij zuchtte, "Wat is het dit keer, grappenmakers. Als jullie weer voor de grap geesten hebben opgeroepen, dan zal ik jullie eens-!"
      "Mijnheer, we vonden deze dame bij de poorten." Beaviel liet me een stapje naar voren doen, waarna ik probeerde te glimlachen, "Hey, Vladrim."
      "...Hey." Hij keek me verbaasd aan, maar stond toen op, "Ariviel, Beaviel, jullie mogen gaan."
      "Begrepen." De tweeling liep synchroon naar buiten en sloten de deur, waarna Vladrim langzaam naar beneden kwam, "Ik zie dat je nog leeft. Heb je al nagedacht over mijn voorstel?"
      "Wacht... nog leeft? Dus ik was echt neergestoken door... dat ding?"
      "Inderdaad, maar ik heb je teruggebracht. De Heer was zeker niet blij, maar hij was wel opgelucht dat je nog leefde."
      "...huh? Maar Talon en Horace dan?! Heb je hen niet gered?!"
      "Spijtig, nee, één overtreding is al een overtreding teveel." Hij haalde even diep adem, waarna hij twee pikzwarte vleugels liet verschijnen, "Als straf ben ik mijn puurheid verloren, ik zou niet willen weten wat nog een overtreding mij zal aandoen. Ik heb de zielen van je vrienden wel gered, ik heb ze naar mijn ruimte gebracht, zodat Abaddon er niet bij kan."
      "Wacht... zielen, vleugels, overtredingen...?" Ik schudde eventjes met mijn hoofd, wat was Vladrim nou? Was hij ook een demon?! Opeens deed hij een stap naar voren, waarop ik geschrokken mijn zwaard voor me uitstak. Totaal verward keek ik naar het wapen dat uit het niks in mijn handen was verschenen. Het leek uit hetzelfde materiaal als mijn uitrusting gesmeden en gloeide een beetje met een puur witte flux. Direct nadat ik mijn adrenaline verloor, verdween ook het wapen, waarna ik verbaasd naar Vladrim keek.
      "Je... herinnert je nog steeds niks? Raar... ik dacht dat die armband je gedachten blokkeerde, maar misschien ligt het wel aan de hergeboorte van je ziel..." Eventjes wreef hij over zijn kin, maar toen nam hij wat afstand en knikte hij, "Goed dan, ik ben Azraël, je trouwe vriend. Jij verdrijft de duisternis met je heilige zwaard, ik leid de gestorvenen naar hun vredige haven." In zijn hand liet hij weer zijn zeis verschijnen, alleen zag die er nu veel mooier uit dan de vorige keer. Met het topje wees hij naar een schildering op de muur, waar drie engelen stonden. De eerste vocht, de tweede reinigde en de derde leidde de zielen naar de hemel, "Ik ben deze engel, Azraël, de engel des doods, en jij..." Hij verschoof zijn topje naar de vechtende engel, "...bent deze, Sariël, de verlosser. Spijtig zien ze je nog steeds als een man, maar het was ook vast een taboe om je een vrouw te maken. Je bent namelijk een prinses van de hemel, een engel van genezing, een engel des doods en ook een beschermende aartsengel. De tweede is Machidiël, maar je hebt over hem vast al veel gehoord. Het probleem is dus... dat hij niet meer bij onze drie-eenheid hoort."
      "Wow... wacht, ik ben... Sariël?" Ik keek verward naar mijn handen, waarop Vladrim, of Azraël, zuchtte, "Het is een heel lang verhaal, ik vertel het je later nog wel." Opeens legde hij zijn hand op mijn schouder, waardoor ik een lichte schok in mijn lichaam voelde. Plotseling voelde ik een gewicht aan mijn rug en toen ik omkeek, zag ik tot mijn schrik dat ik opeens ook vleugels had. Azraël raakte voorzichtig de witte veren aan, waardoor zijn vleugels opeens ook weer langzaam wit werden, "En wat een engel van genezing ben je!" Hij glimlachte lichtjes toen hij zijn eigen vleugels spreidde, maar toen sloegen de deuren opeens open.

      "Mijnheer, de locatie van de targets is bekend, ze zijn-!" De jongen kneep pijnlijk zijn ogen dicht en stortte piepend neer toen hij ons zag, waarop Azraël bezorgd zijn vleugels introk en ik hetzelfde met de mijne deed, wat een geluk dat ik dat zo snel doorhad.
      "Lothir!" Hij liep naar de jongen toe en hielp hem overeind, "Het spijt me, ik had tegen iemand moeten zeggen dat ik mogelijk in mijn ware vorm zou zijn."
      "Nee, sorry, ik had moeten kloppen." De jongen zuchtte lichtjes en keek Azraël toen met zijn bloedrode ogen aan, "Ze zijn in Lightfield, waarschijnlijk weten ze van ons, wij kunnen daar niet heen!"
      "Maak je geen zorgen, Lothir, Lightfield is al jaren geen heilige plek meer. Maak iedereen klaar voor vertrek, dan zullen we zo gaan."
      "Begrepen!" De jongen boog lichtjes en verliet de ruimte, maar voordat hij de deur achter zich dichttrok, keek hij nog eventjes nieuwsgierig naar mij. Ik keek ook naar hem, maar toen we oogcontact maakten, ging hij er snel vandoor.
      "Halfdemonen." Azraël keek weer naar mij, "Ze kunnen slecht tegen mijn energie, maar het zijn wel goede volgelingen."
      "Mag je als engel wel met hen omgaan...?"
      "Hun ouders waren demonen en door lust verleidde mensen, maar de kinderen hebben zelf geen zondes gepleegd. Onsterfelijken, vastzittend tussen de sterfelijke wereld en de brandende hel, voor hen is er geen andere plek om naar te vluchten. Het is sneu, ik zou ze graag hun zielenheil geven, maar dat is onmogelijk, zelfs voor mij... Daarom heb ik ze onder mijn hoede genomen in mijn eigen heiligdom."
      "Oh... dat is dus ook waarom je zo graag Gaieth wilt redden."
      "Inderdaad, als deze planeet vernietigd wordt, zullen de verloren zielen elders herboren worden, maar de halfdemonen zullen hoogstwaarschijnlijk in de hel belanden of in een leegte tussen de werelden verdwijnen. Het zijn goede personen: sterk, loyaal en bovendien zo puur als wijzelf. Ik kan ze dat als zaligmaker niet aandoen."
      "Ik zal helpen." Ik knikte en deed een stapje dichterbij Azraël, waarna ik hem recht in de ogen aankeek en mijn hand uitstak, "Niet alleen omdat ik schijnbaar Sariël ben, maar ook om mijn vrienden te wreken."
      "Mooi, laat ons zegevieren." Hij schudde mijn hand, waarna hij de deuren voor me openhield, "We gaan naar Lightfield en rekenen daar met Abaddon af. Ariviel, Beaviel!"
      Zeker, mijn heer!" De tweeling kwam naar voren en werd gevolgd door een verlegen meisje. Ze had rozige ogen en sneeuwwit haar, maar probeerde mijn blik nerveus te ontduiken. Azraël glimlachte lichtjes naar haar en opende de laatste deur naar buiten. Voor ons stond een soort jachtwagen met gevleugelde paarden ervoor. We stapten in, met de tweeling voorin als koetsiers, terwijl het meisje achter ons ging zitten. Onze koets vertrok veel eerder dan de rest die nog moest instappen, maar Azraël stelde me al gerust, "Ariviel, Beaviel en Circia zijn de enigen die niet bezwijken onder de energie van een volledige engel, dus zij zullen ons direct aanvullen in ons gevecht."
      "Oh, oké... Kunnen zij vechten dan?"
      "Ook zij hebben een soort flux, zoals de mensen dat noemen dan ten minste."
      "Oh, dus ze hebben dan ook één aangewezen wapen?"
      "Pff, mensen met hun hokjes." Ariviel klikte met zijn tong en draaide om, waarna hij een zwaard, een boek, een toverstaf, een boog, een speer en nog meer wapens liet verschijnen uit zijn energie, "Kijk wat je allemaal kunt als je niet zo georganiseerd wilt zijn."
      "Ariviel, verspil je energie nou niet voordat we gaan vechten." Beaviel zuchtte om zijn tweelingbroer en trok nog eens hard aan de teugels om de paarden nog sneller te laten gaan. Het meisje achter ons keek nog steeds zo verlegen voor haar uit, dus ik liet haar maar zitten.

      Het ging allemaal wel heel erg snel, maar als ik werkelijk Sariël was en mijn zwaard ook echt zo sterk was als de legendes voorspelden, viel dit heus wel te proberen. Ik keek nog even naar Azraël die tevreden voor zich uit staarde, waarna ik ook een vastberadenheid op voelde komen en naar de wolken onder ons keek. Ronde twee, ik kom eraan!

Reacties (4)

  • Helvar

    Jij bent echt evil wat betreft plottwists en de dood van personages:P

    6 jaar geleden
  • AriChibi

    Mama, mijn lezers pesten mij:(

    xD

    6 jaar geleden
  • Katalante

    Brrr....
    Deze korte lengte is angstaanjagend D:
    Brrr....

    6 jaar geleden
  • xEvanPetersx

    Een beetje kort zeg je?xD

    6 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen