Foto bij Hoofdstuk 2

27 oktober 1939
“Pa! Hij doet het weer!” Fons zuchtte. Het was geen geïrriteerde zucht, want bij deze schudde hij zijn hoofd en glimlachte. Die zin had hij zijn dochter al vaker horen roepen. Hij keek naar zijn vrouw, die al voorbereidingen trof voor de verjaardag van hun jongste, en aan haar uitdrukking zag hij dag zij het ook gehoord had.
“Gaat gij eens kijken?” vroeg hij, en ze gaf hem een glimlachje.
“Nee, gaat gij maar. Deze keer zei ze uitdrukkelijk ‘pa’,” zei Céline. Fons stond op en liep hun huis uit – hij had al zo’n vermoeden waar hun dochter was.
Al sinds 21 jaar woonde Fons in het ouderlijk huis van Céline. Haar ouders waren vriendelijk geweest om hem in de familie op te nemen en Fons had ook de zegen gekregen van haar vader om met haar te mogen trouwen. Tot nu toe was het altijd een prachthuwelijk geweest door die vreselijke oorlog die geleden heeft. Een aantal jaar geleden waren haar ouders gestorven – door ouderdom en door ziekte, en sindsdien had de familie de Rudder het huis voor hen alleen.
Het huis zelf lag een eindje van het dorp vandaan, maar het was wel makkelijk te bereiken, zowel te voet als met de fiets en de auto. Het huis lag ook dicht bij de zee – als ze een uurtje wandelden, konden ze de zee zien en lieten ze hun kinderen er altijd spelen als het mooi weer was. Fons hield van deze rustgevende, winderige plaats die hem bijna niet meer deed verlangen naar de wei met de boom bij het dorp waar hij geboren was.
Nu was Fons het huis uitgelopen, en vond in hun nogal grote tuin twee kinderen, twee jongvolwassenen. De ene was een jongedame, een meid om trots op te zijn. Zij was achttien jaar oud, had lange donkerblonde haren die net haar schouders voorbij gingen, en twinkelende groene ogen. Zij was het tweede kind van Fons en Céline, met haar ogen en zijn haar. Langs haar stond het derde kind van de familie, een jongeman die twee jaar jonger was dan zijn oudere zus. Hij had al even slechte ogen als Fons die een groene kleur hadden en zijn rosse haren waren kort geknipt. Ook al waren ze nog redelijk ver van hem vandaan, toch kon Fons zien dat ze ruzie hadden – alweer.
“Wat is er nu weer?” riep hij naar hen toe, zodat ze gewaarschuwd waren dat hij eraan kwam. Zodra de jongedame haar vader zag, wandelde hij snel op hem af en de jongeman volgde haar, maar hij rende om toch maar eerste bij hun vader aan te komen. Fons zelf wandelde op zijn eigen tempo. Op dit moment was hij net vijftig jaar oud, niet meer de jongste en vond dat, omdat de kinderen nog jong waren, zij maar naar hem moesten lopen in plaats van hij naar hen. Zoals voorspeld kwam de jongste als eerste aan.
“Pa, Marie doet weer moeilijk!” zei hij terwijl hij zijn bril weer hoger op zijn neus duwde. Niet snel hierna kwam ook zijn dochter Marie aan, en zij zag er woest uit.
“Ik doe moeilijk?” zei ze, en ze verhief haar stem, “Nee, pa, het is dat daar dat moeilijk doet!” Fons fronste – hij wist wel dat Marie haar jongere broer niet zo leuk vond, maar het was hoogst ongepast om hem ‘dat daar’ te noemen. Zeker omdat het nu zijn verjaardag was. De jongeman keek verontwaardigd naar zijn oudere zus.
“Hoezo, ik doe moeilijk? Is die appel dan te veel gevraagd?”
“Wel als ‘t de mijne is! Gij kunt de uwe zelf aanschaffen, hoor!” wierp Marie tegen. Fons zuchtte. Hun ruzie ging deze keer over een appel. Jep, compleet normaal. Broers en zussen horen ruzie te maken, maar Fons wist dat niet ze zeker meer vanwege zijn kinderen, die bijna constant ruzieden om de meest belachelijke dingen, zoals een appel. Toen besloot Fons om tussenbeide te komen voordat één van de twee nog zou besluiten de ander te verwonden.
“Lukas, kalmeer,” zei hij, en hij legde zijn hand op de schouder van zijn jongste zoon, maar met een ruwe beweging met diezelfde schouder forceerde hij de hand ervan af.
“Néé, pa! Zij wilt mij die appel niet geven terwijl hij van mij was!”
“Gij hebt die van mij afgepakt voor die appel van u was!” wierp Marie tegen, en Fons zuchtte weer. Hij hield van zijn gezin, en hij wilde niet dat dat gezin uit elkaar gedreven werd door onnodige ruzie, zoals hij had zien gebeuren met de familie Pieters in het dorp. Daarom probeerde hij zijn familie uit te ruzie te houden, maar soms was dat onvermijdelijk. Hij ging staan tussen Marie en Lukas, en draaide zijn gezicht naar Lukas.
“Lukas de Rudder!” begon hij op een strenge toon, zodat zijn jeugdige zoon zou snappen dat het nu menens was en hij geen tegenspraak duldde, “Volgens mij was die appel inderdaad eerst van Marie. Gun haar dat! Later deze dag zult ge nog vele andee dingen zien die van u alleen zijn. Ge zijt nu zestien, dus begrijp alstublieft dat ruziën niets uithaalt.” Hij wachtte even af om te zien of Lukas besefte wat hij hem zonet had gezegd. Uiteindelijk na lang afwachten, knikte Lukas en bleek de modder waar hij op stond plots heel interessant te zijn. Fons draaide zich toen om naar Marie.
“Marie, ik weet dat uw broer soms domme dingen doet, maar vergeet niet dat hij nog jong en impulsief is, en dat wijsheid bij sommigen later komt dan bij anderen. Vergeef het hem gewoon.” Hij zette toen een stap opzij en even was hij bang dat Marie het niet zou laten gaan, maar uiteindelijk stak ze haar hand uit naar Lukas, die dit gebaar niet veel later opmerkte. Nadat hij een tijdje twijfelde, accepteerde Lukas het gebaar en schudde hij haar hand, waardoor Fons moest glimlachen. Weer een ruzie bijgelegd tussen Marie en Lukas, weer eentje die niet eens had hoeven bestaan. En nu hoopte hij dat het nog een tijdje zou duren voordat die twee nog eens over iets onbenulligs ruzieden.
“Pa, Jos is terug!” riep Lukas plotseling, and hij wees in de richting van het dorp. Marie en Fons draaiden hun hoofden naar het dorp, en er kwam een jongeman aanfietsen. Een jongeman die, als je hem bekeek vanaf een afstandje, redelijk lang was, een lichtblonde warrige bos haar had en als enige de blauwe ogen van zijn pa had geërfd. Fons glimlachte terwijl hij toekeek hoe Lukas op zijn oudere broer afliep. Hij had zelf nooit broers of zussen gehad, maar hij had zijn vrienden die die rol op zich namen.
Al snel was Jos van zijn fiets afgestapt en nam hij deze mee tot bij zijn vader, maar was nog begroet door Lukas en Marie wanneer hij hen passeerde. Jos was met zijn eenentwintig jaren de oudste van de kinderen van het gezin de Rudder. En als Fons een beetje beter had geprobeerd, zou Jos misschien Jan hebben geheten. Uiteindelijk had Céline haar zin gekregen en hadden ze hun zoontje Jos genoemd. Fons zuchtte – het leek alsof Jos gisteren nog leerde stappen, praten, fietsen, … zijn kinderen groeiden snel op, te snel naar zijn smaak.
“Nu al hier, Jos?” vroeg pa de Rudder aan zijn oudste, “En uw werk dan?” Jos glimlachte naar zijn vader, een geruststellend glimlachje.
“Iok ben eerder vertrokken vandaag en ben dus ook eerder klaar. ‘k Ga de verjaardag van m’n broertje toch niet vieren bij de groenteboer, zeker?” Hij liep verder naar het huis, gevolgd door Marie en Lukas. Lukas en Jos bleven nog even doorpraten tijdens het wandelen, waarbij het onderwerp ‘meisjes’ was, terwijl Marie liever gewenst had dat die jongens zich voor een keertje beter gingen gedragen.
Fons dacht aan de verjaardag van Lukas, maar ook aan de Duitse activiteit van de afgelopen dagen. Het klonk verdacht veel alsof Duitsland weer andere landen wilde binnenvallen, wat het ook deed. Het leek er bijna op alsof er een nieuwe Wereldoorlog zou uitbreken, en dat was het laatste wat hij wilde – een nieuw gevecht, een nieuwe strijd, waarin zijn kinderen verplicht werden te helpen de Duitsers te verdrijven. Liefst niet, dacht hij, geen oorlog, geen strijd, ik wil mijn kinderen niet verliezen. Hij volgde hen naar binnen, waar ze begroet werden door Céline en met z’n allen de verjaardag van Lukas konden vieren.

Reacties (1)

  • BOOKWURM

    Aaahw dankje voor dit leuke stukje , Fons en Céline zijn echt een schoon koppel en hun gezinnetje is leuk ! Geweldig om zo op reis te vertrekken met dit leuke stukje
    Snel verder !

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen