Foto bij Hoofdstuk 3

13 januari 1940
Jos keek nog één keer over zijn schouder terwijl de auto waar hij in zat doorreed. In de verte zag hij de contouren van het dorp waar hij in is geboren, met op een iets minder verre voorgrond de verschillende oudere personen en jonge kinderen. Hij keek naar vijf mensen die in zijn leven veel hadden betekent: zijn familie en een goede vriendin, Rosalinde. Ook al verkleinden zij en het dorp met iedere seconde, hij wist zeker hoe ze nu naar hen keken. Marie, Rosalinde en z’n ma zouden hem bezorgd nakijken. Lukas zou, gokte hij, wensen dat-ie mee zou mogen gaan omdat hij had gezegd op zijn verjaardag dat hij als hun pa zou willen worden. En vader Fons… nou, van hem wist Jos niet hoe die zou reageren. Hij zou in ieder geval niet blij zijn zoals zijn jongste zoon. Jos wendde zijn hoofd weer af, en keek in plaats daarvan naar de andere mannen die mee moesten.
Wat er aan de hand was? De Duitsers, dat was wat er aan de hand was. Die Duitsers hebben het weer gemunt op bepaalde naburige landen en, ondanks dat België neutraal is, heeft de regering toch besloten om een algemene mobilisatie uit te voeren. Toen Fons het nieuws hoorde, reageerde hij anders dan ze allen dachten dat hij zou reageren. Ze wisten allemaal dat hun vader een eerste oorlog met de Duitsers heeft overleefd, als enige van een grote groep vrienden. Ze dachten dat hij op z’n minst boos zou zijn, of het nieuws redelijk koel opnam. In plaats daarvan liep hij hun huis uit en ging naar één of andere plaats, en ze hadden hem niet teruggezien tot Jos moest vertrekken.
En daar zat-ie dan, in een legervoertuig op weg naar de hoofdbasis van het leger. Van de tocht herinnerde hij zich niet zo veel, alleen dat het een lange saaie rit was waarin geen van hen een woord gezegd had. Ze waren nerveus, bang of hadden geen zin om te praten. Ook al had Jos de tijd willen doden door een babbeltje te slaan met zijn mede-soldaten, hij zou toch niet als eerste begonnen zijn. Hij was altijd nerveus, en nooit echt goed geweest in vrienden maken.
En dan waren ze er. Iedere soldaat kreeg een bevel van een onderofficier om naar een bepaalde plaats te gaan, en al meteen moesten ze in een lange rij gaan staan. Nadat hij een paar van die plaatsen had gehoord, kwam hij te weten dat iedereen ergens anders heen werd gestuurd. Wat daar de reden van was, kon hij niet zeggen.
Nadat hij zijn locatie aangewezen kreeg (barak 4J) vertrok hij naar die barak met zijn spullen. Ondanks dat Jos niet wist welke kant hij op moest, waren er toch genoeg richtingaanwijzers die hem vertelden waar hij heen moest om bij die ene barak aan te komen. Het duurde niet lang om daar aan te komen, en bleef voor de deur staan. Aarzelend reikte hij zijn hand uit naar de klink, maar trok deze al snel weer terug. Wat zou hij vinden achter deze deuren? Pestkoppen, spierbundels of de gewone man? Ze konden toch niet random mensen bijeen zetten en dan verwachten dat het goed zou gaan, toch?
Hij zette een paar stappen achteruit, waardoor hij door één van de ramen kon kijken. Het was een redelijk brede barak, opgetrokken uit hout, en toch ook lang. Door het raam zag hij stapelbedden, waarin twee personen pasten – één vanboven en één vanonder. Ze konden er twee stapelbedden in de breedte langseen staan en zo ontstonden twee rijen van tien bedden. Veertig personen.
“Hallo, daar!” Jos draaide zich geschrokken om, waardoor hij bijna zijn koffer met spullen liet vallen. De jongeman die hem had aangesproken wandelde dichterbij, een glimlach op zijn gezicht. Hoe kan-ie die glimlach houden, dacht Jos terwijl hij de jongeman bestudeerde. Jonger dan dertig, ouder dan twintig, blauwe ogen, vuurrood haar, sproeten, brede glimlach, nogal dun… Al die uiterlijke kenmerken zouden nog eens van pas komen als die gast een pestkop bleek te zijn. Blijkbaar gaf hij die rosse kop een vuile blik, want de glimlach verdween al van zijn gezicht. “Zeg, gaat het wel?” vroeg de jongeman. Jos knikte – natuurlijk gaat het.
“Ja.” Meer zei hij niet. Ten minste, meer zou hij niet zeggen totdat hij deze vreemdeling met het accent een beetje beter kende. De jongeman keek een beetje bezorgd.
“Weet ge zeker dat het gaat? Waar moet ge zijn?” Nou, het kon geen kwaad om hem dat te vertellen, toch? Als dit een pestkop was, zou hij er ooit wel achterkomen waar hij ondergebracht werd. Hij knikte naar barak 4J. De rosse kop keek van die barak terug naar Jos, en opeens was die glimlach weer terug. Jos zette één step achteruit. Die glimlach was een beetje beangstigend.
“Wel, da’s toevallig!” riep de jongeman uit, “Hier moet ik ook zijn! Mijn naam is Louis.” Hij stak een hand uit als teken van solidariteit, en om zo vriendschap te kunnen sluiten met Jos. Jos aarzelde even – als hij vbrienden had, waren het mensen die hij kon vertrouwen tot de dood. En ondanks die beangstigende glimlach nam hij die hand beet en schudde hij hem.
“Ik ben Jos,” zei hij tegen die jongeman met die grote glimlach, die Louis. Na een stevige handdruk keken ze elkaar nogal onwennig aan, maar ze hadden op z’n minst één iemand waar ze mee om konden gaan. En nu Jos hem een beetje beter kende, zag hij er nog niet zo’n kwaaie uit.
“Dus,” begon Louis weer, “Best wel eng, is het niet?” Voor Jos het zelf wist, knikte hij. het was inderdaad eng. Hij was verder van huis dan hij ooit geweest was, tussen mensen die hij niet kende. Tenminste, de mensen in de barak die hij niet kende. Nog niet, maar die zou hij wel leren kennen de volgende dagen. Louis gaf hem een geruststellende glimlach. “Zeg, als ’t een beetje te eng is, kunnen we samen binnenlopen. Is da goed?”
Jos knikte weer, en hij liet Louis voorgaan in het naar binnen lopen. Snel opende de rosse de deur, en ze waren bijna de allereersten. Er waren al zo’n vier jongemannen die al met elkaar aan het praten waren. Deze stopten even hun gesprek en één van hen knikte naar de twee nieuwkomers, en ging toen weer verder met het gesprek. De anderen keken hen gewoon aan met een verslagen blik, alsof ze wisten dat ze de oorlog zouden verliezen. De Rudder en Laenens besloten om samen een stapelbed te delen, en merkten ook een vijfde vroege vogel op. Deze vijfde vroege vogel had een stapelbed gekozen in de hoek die het verst van de deur aflag. Alles aan hem deed Jos vermoeden dat hij hier niet wilde zijn, dat hij niet gezien wilde worden, dat hij liever verdween in de muur.
Zonder verder aan de jongeman te denken legden Louis en Jos hun spullen op het stapelbed naast die van de vijfde. Jos merkte op dat hij hen nerveus aankeek, alsof hij ieder moment op iets betrapt kon worden, maar die gedachte schudde hij snel van zich af. Iedereen had het recht geheimen te hebben. Als voorbeeld had Jos niet de beste ogen ter wereld, maar niet zo slecht als die van z’n pa en broertje.
“Ik zag dat ge alleen waart. Wat is uw naam?” hoorde Jos Louis zeggen. Hij draaide zijn hoofd naar de rosse en zag dat hij tegen de eenzaat in de hoek zat te praten.
“Harry,” zei hij. Harry had kort zwart haar en begon al een snorretje te krijgen. Hij was niet echt een persoon die je de oorlog in zou sturen: daar leek hij veel te tenger en kort voor. hij las een boek en Jos wilde al achterhalen welk, maar één van de grote handen versperden het zicht op de titel en auteur, en de achterkant was niet goed zichtbaar in dat donker hoekje. Louis glimlachte naar Harry – serieus, houdt-ie er nooit mee op, dacht Jos – en stak zijn hand uit.
“Wel, hallo Harry. Ik ben Louis en hij daar is Jos.” Harry bekeek die hand argwanend en besloot uiteindelijk om zich weer op het boek te focussen. Louis keek naar zijn nieuwe vriend, met een blik die hem vroeg wat hij fout had gedaan. Jos haalde zijn schouders op en besloot om er verder geen aandacht aan te besteden. Als Harry wilde praten, zou hij dat vast doen.
Het duurde nog zo’n twee uur voordat de hele barak volzat met de veertig mannen die erin paste. De oudste was ongeveer dertig en Jos had het gevoel dat hij de jonste was onder de twintig, ondanks dat Harry zich waarschijnlijk nog kleiner zou voelen vanwege zijn tengere lichaam. Eén van hen zat op te scheppen over het aantal meisjes waarmee hij al had geslapen, Louis begon met iedereen wel een praatje en nog een andere zat in een groepje nors te wezen.
Toen het klokslag vier was, kwam er een man binnen en ieder gesprek verstomde. Deze man was breed gebouwd, grijze haren zichtbaar in zijn kort geschoren zwarte haar. Hij droeg zijn uniform, waaruit bleek dat hij een korporaal was. Alle mannen stonden op, eens ze begrepen dat hij een hogere officier was. Harry was de enige die in zijn hoekje weggedoken bleef zitten in de hoop niet gezien te worden. De korporaal verlaat zijn plaats niet, waardoor hij Harry ook niet kon zien.
“Welkom, mannen,” begon de korporaal met een brulstem, “Jullie weten waarschijnlijk allemaal waarom jullie hier zijn, dat hoef ik dus niet nog eens uit te leggen. Ik ben korporaal Wesemael, en jullie noemen me niets anders dan korporaal Wesemael. Begrepen?” De mannen knikten, een instemmend gemompel weerklonk uit de groep.
“Als ik jullie een vraag stel, geven jullie me een duidelijk antwoord!” beval hun korporaal hen, “Is dat duidelijk.”
“Ja, korporaal!” antwoordde iedereen. Korporaal Wesemael knikte.
“Vanaf dit moment zal ik me over jullie, zootgje ongeregeld, ontfermen. We weten niet wanneer die vervloekte Duitsers ons land weer binnendringen, dus moeten we jullie proberen zo snel mogelijk op te leiden. Ik zie jullie over een uurtje, buiten, in uniform en in de houding!” de manschappen gaven hun korporaal een luid ‘Ja, korporaal’ voor die vent hun barak vzerliet en de veertig mannen zich klaarmaakten om te beginnen om vijf uur.
“Hebt gij uw uniform al afgehaald?” vroeg Louis aan Jos, die knikte. Louis slaakte een zucht.
“Verdomme! Dat was ik vergeten!”
“Het is te vinden bij de algemene barakken. Vraag er maar naar.” Louis en Jos draaiden zich om naar Harry, die deze zin gezegd had. Hij zat nog steeds geconcentreerd in zijn boek te lezen, en men zou niet vermoeden dat hij net iets gezegd zou kunnen hebben. Louis haalde zijn schouders op en liep de barak uit, op zoek naar een uniform dat hem zou passen.

Reacties (1)

  • BOOKWURM

    Arme Jos, arme Louis:(:(:'(
    Iemand heeft vel weg van Albert, die meisjeszot hahahahahahaha
    En Harry is zo coool en mysterieus
    en nu weer snel verder alstublieft

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen