Manatee leunde met zijn hoofd tegen de muur aan. Hij zat al uren op de grond, terwijl Antisgui een meter verderop stond en een wapen in zijn armen hield. Zijn nauwlettende blik week geen moment van zijn gezicht en Manatee voelde zich diepongelukkig. Zouden de anderen hem straks nog een ogenblik alleen laten? Zou hij nog iets zelfstandig kunnen ondernemen of zou er almaar iemand om hem heen cirkelen, die het wapen in de aanslag hield voor het geval hij plotseling in een monster zou veranderen?
Manatee kon niet zeggen dat hun wantrouwen niet gerechtvaardigd was. Hij was blootgesteld aan de atmosfeer en het tiberium dat daar deel van uitmaakte, had andere wezens ook doen veranderen. Zou hij nu ook langzaam veranderen? Had het element hem al aangetast? Knaagde er al iets aan zijn hersenen, dat hem uiteindelijk horendol zou maken?
Hij slaakte een diepe zucht en wenste dat hij iets om handen had. Libel had net wel een boek gebracht, maar hij kon zich niet concentreren. De letters dansten voor zijn ogen en hij kon de angst niet van zich af schuiven dat zijn concentratievermogen was aangetast. Wat als hij nooit meer in staat zou zijn om boeken te lezen? Hij stierf nog liever dan dat hij geen informatie meer tot zich kon nemen en dat hij niets meer kon bijdragen aan de gemeenschap die hen hierheen had gestuurd
‘Zou ik een schetsblok en potlood kunnen krijgen?’
‘Ik weet niet of iemand tijd vrij heeft om er één te halen.’
Manatee rolde met zijn ogen. ‘Kom op, man. Verveling is op dit moment een groter gevaar dan die paar ademteugen die ik heb genomen.’
Antisgui keek hem even aan, maar liep toen naar de deur en riep wat naar de anderen.
Een ogenblik later kwam een van de anderen hetgeen brengen waarom hij gevraagd had. Vanaf een afstandje werd het blok naar hem toegegooid, alsof hij een besmettelijke ziekte had.
Niemand kon echter uitsluiten dat dat gevaar niet van kracht was.
Hij kroop een stukje naar voren om bij het tekenblok te komen en sloeg de bladzijden naar achteren totdat hij een leeg A4tje aantrof. Met snelle strijken schetste hij de entree, het winkeltje met de miniatuurdieren en het lege hok, omringd door water, dat aan de overzijde had gestaan. Zijn hart begon sneller te bonzen toen hij zich terug waande in het park, om de details zo goed mogelijk te herinneren. Het gebrul van de reusachtige olifant denderde weer in zijn hoofd en hij keek met een verwilderde blik om zich heen. Het duurde even voordat hij zich realiseerde dat hij zich binnen veilige muren bevond en hij streek even over de linkerkant van zijn ribbenkast, waar hij door het beest was getroffen. Hij had dood kunnen zijn. De angst om vergiftigd te zijn had dat besef de hele tijd aan de kant geduwd, maar nu pas drong het tot hem door dat hij de dood recht in de ogen had gekeken – op dag één al.
Wat betekende dat? Waren ze niet adequaat genoeg uitgerust? Waren de gevaren groter dan ze gedacht hadden? Als hij al bijna bij de eerste tocht was uitgeschakeld, hield dat dan in dat ze binnen een week allemaal het loodje hadden gelegd? Een angstig gevoel bekroop hem. Hadden hun bevelhebbers dat in de planning opgenomen? Hadden ze een reserveteam achter de hand dat naar de Aarde zou afdalen zodra zij hun troeven hadden uitgespeeld?
‘Wat is er?’
De stem van Antisgui haalde hem uit zijn gedachten en hij zag dat hij zijn potlood had laten vallen. Blijkbaar was hij bang dat hij een toeval zou krijgen of een andere vreemde streek zou uithalen.
‘Niks,’ zei hij snel, terwijl hij de oogopslag van zijn metgezel vermeed. Had die gedachte hem ook al geplaagd? Had hij al geaccepteerd dat ze als een kapot onderdeel vervangen zouden worden?
Gauw boog hij zich weer over het kladblok. Als de zaken echt zo in elkaar staken, moest hij maar zoveel mogelijk notities achterlaten.

Reacties (1)

  • Frey_

    Pfff, laten we hopen dat je geen gelijk hebt Manatee!

    6 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen