Inzending SOTM - Augustus 2014

De aarde is verwoest, onleefbaar geworden, vernietigd door de mens, geholpen door zijn eigen krachten. Orkanen, tsunami’s, vulkaanuitbarstingen. Soms allemaal tegelijk. Het was afschuwelijk. Velen zijn gestorven.
Ik niet.
In mijn handen hou ik een object dat me naar een plaats zal brengen waar ik bespaard kan blijven van de natuurrampen die de aarde in zijn greep houdt. Maar wil ik wel weg? Wil ik de aarde wel verlaten? Is dit niet het teken dat mijn leven eindelijk voorbij is? Dat ik eeuwige rust kan krijgen? Twijfels stapelen zich op in mijn hoofd als een wazige mist die mijn logisch denkend brein in slaap wiegt. Het is een dilemma waarop ik het antwoord zoek ben. Waarom zou ik nog leven als alles dat me ooit dierbaar is geweest, is verwoest, tot een hoopje as gereduceerd? En wat zal ik daar dan vinden? Rust, veiligheid, vrede?
Een geluid dringt mijn oren binnen, het is een stem, een schreeuw liever, gevuld met twijfels en wanhoop. Het duurt even voor ik besef dat ik het zelf ben die de schreeuw over mijn lippen laat rollen. Ik klem mijn tanden op elkaar, bal mijn handen tot vuisten, dring de tranen die uit mijn ogen willen ontsnappen terug.
Ik ben misschien de enige onder de mensen die uit deze hel kan ontsnappen. Een huilende wind vindt zich een weg tussen de kieren van het verwoeste huis waarin ik me bevind, ik sla mijn handen over mijn oren, wil de wind niet horen, wil ze niet voelen, maar ze teistert me. Met haar koude handen streelt ze over mijn wangen, over mijn blote armen, totdat er kippenvel ontstaat en dan nog laat ze me niet met rust. Moet ik dit mijn einde laten worden? Gevangen in een ruïne met enkel de wind als gekmakend gezelschap?
Er is nog iets in me dat blijft vechten, tegen de honger, de dorst die me overmant. Er is nog iets in me dat me beschermt tegen de beukende wind. Iets dat me vertelt dat ik niet zo snel mag opgeven, ondanks het feit dat ik alles verloren ben. Ik duw mezelf overeind, voorzichtig, mijn hand steunt tegen de muur zodat mijn benen niet onderuit zouden zakken. Mijn hart bonst snel. De wind laat de flarden die ooit samen een T-shirt vormden wild flapperen. Ik hou het object voor me. Het is felblauw, maar tegelijkertijd haast doorzichtig. Ik haal diep adem, laat de muur los en draai me om zodat ik met mijn gezicht naar de grijze bakstenen kijk. Ik klem het object in mijn vuist, laat de wind me nog eenmaal overmeesteren tot de koude zich tot in mijn botten doordringt en dan laat ik het object los. Mijn ogen volgen de baan van het voorwerp tot het tegen de muur aanbotst.
Eerst gebeurt er niets. Dan wordt de ruimte langzaam gevuld met rook. Ik wil mezelf beschermen tegen de grijze mist die mijn ogen doet tranen en een prikkelende hoest oproept, maar durf het niet, bang dat ik de mogelijkheid om te ontsnappen dan zou mislopen. Uiteindelijk drijft de rook weg, voor me verschijnt er een aarden pad dat doorheen een levendig bos loopt. Verscheidene dieren snuffelen rond over de bosgrond. De zang van tientallen vogels dringt mijn gehoorgangen binnen, zonlicht glijdt over de groene bladeren waardoor het bos gevuld is met een mysterieus groenachtig licht dat me vertelt dat ik daar eindelijk mijn rust zal vinden. Ik kijk nog een keer naar de grijze muren die me zolang gevangen hielden voor ik de stap zet. Als ik omkijk zie ik bos zover mijn oog reikt. Ik begin te wandelen, als je strompelen als een soort van wandelen beschouwt toch. Voor me zie ik iets glinsteren. Zon dat op water weerkaatst? Mijn ogen worden groot, mijn hart begint sneller te kloppen. Hopend dat het geen hallucinatie is, gecreëerd door mijn brein ten gevolge van mijn rauwe keel die snakt naar water, ren ik er strompelend naartoe. Ik besef pas dat het echt een rivier is als ik er tot mijn middel in sta.
En dan begin ik te lachen. Een luide lach die de vogels rondom mij doet opschrikken, hun vleugels doet uitslaan zodat ze weg kunnen vluchten van het geluid dat hen bang maakt. Het lachen stopt even snel als het gekomen is en ik doop mijn handen in het water, vorm er een kommetje van en breng het naar mijn gebarsten lippen. Dankbaar slik ik de doorzichtige vloeistof door. De droogte verdwijnt deels. Ik blijf drinken tot het dorstgevoel eindelijk verdwijnt. Dan laat ik me in het water vallen. Het vuil dat op mijn lichaam zit geplakt weekt los, vult het doorzichtige water met sporen bruine aarde, stoffig grijs.
“Wie ben je?”
Ik kijk op, mijn ogen zoeken de bron van het geluid en vallen op het mooiste meisje dat ik ooit heb gezien. Een mantel wappert zachtjes achter haar aan, twee felle, blauwe ogen nemen me nieuwsgierig op. Ik schraap mijn keel. “Dante.”
“Ben je een mens?” Ik knik.
“Het is lang geleden dat hier nog eens mensen zijn geweest, hoe ben je hier geraakt?”
“De sleutel van Fraiken.”
Ze lacht, een heldere lach die de vogels doet zingen van plezier, zelf krult zich ook een glimlach om mijn lippen. Ze wenkt me met een slanke, bleke vinger en ik klauter het water uit. Ze kijkt even naar me voor ze zich omdraait en begint te wandelen, haar voeten lijken de aarde haast niet te raken. Ze beweegt zo sierlijk dat geen enkel takje, geen enkele struik, geen enkel blaadje haar weet te raken. Diezelfde dingen die mij achterlaten met schrammen, jeukende bulten en bloedende sneeën ontwijkt ze gracieus. Haastig volg ik haar, niet wetend wat anders te doen. Uiteindelijk houdt ze halt voor een dikke eik wiens bladeren ver over de omgeving reiken, andere bomen omhelzend in zijn greep. Ze wandelt sierlijk over een van de dikke wortels die zich door de aarden laag heen hebben weten te worstelen, je zou het haast ‘trippelen’ kunnen noemen. Haar blauwe ogen kijken weer even naar mij voor ze zich op de schors voor zich richt en met haar slanke vingers het bruine hout raakt. Lichtgevenede lijnen banen zich kriskras een weg over de rimpels in de schors. Gefascineerd kijk ik toe naar de lijnen die heel de boomstam omhullen vooraleer er een deur verschijnt. Ze doet een stap naar voor en lijkt in het ijle te verdwijnen, vlug begeef ik me ook in de opening waardoor zij is verdwenen. Als ik omkijk zie ik enkel duisternis, mijn hart versnelt zijn slagen wanneer ik voorzichtig vooruit loop, ik reik naar beneden om mijn schoenen los te maken zodat mijn voeten de ondergrond beter zouden voelen. Mijn vingers glijden over de wand van de gang die zich voor mij uitstrekt. Het is zo duister dat mijn ogen niet in staat zijn te wennen aan de donkerte en net als het me teveel dreigt te worden, net op het punt dat de duisternis mij dreigt op te slokken zie ik licht. Zij staat midden in de ruimte die zich voor mij uitstrekt, boven mijn hoofd zie ik een opening waar het licht van de zon doorheen stroomt, weerkaatsend door de ruimte door de verschillende projecties die het bladerdak boven me verspreid. Haar slanke vinger wenkt me dichterbij en ik richt mijn aandacht weer op haar prachtige ogen. Ze dwingt me naar voor te kijken en dan pas zie ik de houten troon die zich in de ruimte bevind. Een gracieuze man, wiens leeftijd ik moeilijk kan bepalen, staat op en richt zijn blik op mij. “Welkom mensenzoon, in het rijk der verbeelding.”
Ik kijk naar haar, ze heeft een glimlach om haar lippen.
“Wat brengt jou hier?”
“Een zoektocht naar rust.”
“Naar rust of naar rijkdom?”
“Rust.”
De man neemt me nieuwsgierig op, ik deins lichtjes achteruit bij het zien van zijn intense blik, het voelt alsof hij mijn ziel zo kan doorgronden, ze uit mijn lichaam kan tillen en me kan kwellen tot enkel pure waarheid mijn lippen verlaat. Maar dan is het gedaan. Hij kijkt weg van me en richt zijn ogen in plaats daarvan op het bladerdak boven ons.
“Goed, want rijkdom zult u hier niet vinden,” zegt hij uiteindelijk. Hij zet zich weer neer op de troon en wuift met zijn bleke vingers.
Zij vouwt haar vingers rond mijn hand en trekt me mee, een tweede gang in, deze is wel verlicht, door duizenden toortsen met wakkerende vlam. Ik kijk even toe naar de verscheidene vonkjes die zich losmaken van het vuur voor ik me weer op hetgeen voor me richt. Haar blonde haar reikt tot aan haar middel, glanst in de vlammen van de verschillende toortsen waardoor het bijna goud lijkt. Een bloemenkrans omkranst haar hoofd. Als we weer buiten in het zonlicht staan neemt ze mijn tweede hand ook vast en sluit haar ogen, haar stem vormt een melodieus lied dat zich binnendringt in mijn lichaam en het vult met energie. Langzaam verdwijnen de honger, de moeheid, de angst. In plaats daarvan voel ik eindelijk rust. Een glimlach kruipt om mijn lippen en verandert langzaam in een echte lach. Een vrolijke lach die net zoals de hare de vogels doet zingen in plaats van wegvliegen. Als in een impuls plaats ik mijn handen op haar heupen en zwier haar door de lucht waardoor haar lach zich vermengt met de mijne.
“Je hebt een goed hart, mensenzoon,” zegt ze als ik haar weer met beide voeten op de grond heb geplaatst. “Vertel me eens wat je naar hier heeft gebracht.”
En deze keer vertel ik haar alles, mijn verleden, de verwoesting, de rampen, de dood, de vernieling van al wat me dierbaar is. Als mijn stem de laatste woorden van het verhaal naar buiten hebben gedragen kijkt ze me in stilte aan. Haar duim glijd langs mijn wang en dan pas merk ik dat tranen zich een weg over mijn gezicht hebben gebaand. Ik probeer me te vermannen en richt me op haar prachtige blauwe ogen.
“Wat is je naam?” vraag ik zacht.
“Emuela.”
“Bedankt,” fluister ik.
Haar ogen houden me weer eens in hun greep en ik voel mijn hart bonzen in mijn borstkas.
“Je bent gebroken maar ik zal je helen,” zegt ze zacht..

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen