Foto bij O69 | Gail

Soldat

Tot Andúnë's verbazing leek geen enkeling verwonderd toen ze met Arnubên de Gondoriaanse poorten uitreed. Haar hart stopte even toen ze de enorme massa aan mensen en andere wezens zag die buiten de poorten kampeerden, wachtend op nieuws. De Halfelf zat echter stevig in het zadel, met de mantel ver over haar o zo herkenbare haren getrokken, en het kwam in niemand op dat er onder die mantel wel eens de gevreesde Kali Ielgwanath zou kunnen schuilen. De tijden van vrede waren immers aangebroken, en men dacht dat Kali veilig opgesloten zat in de kerkers van Minas Tirith. Enkelen staken zelfs vriendelijk hun hand op toen Arnubên voorbijreed. De Dunadan nam zijn tijd, door terug te zwaaien, te glimlachen en enkele woorden te wisselen tegen iedereen die ze tegen kwamen.
Eerst verbaasde dat Andúnë, aangezien haar afwezigheid elk moment ontdekt zou kunnen worden en de wachten moord en brand zouden schreeuwen, deze menigte opzwepend tot een razende, bloedlustende bende. Indien Arnubên met hoge spoed door dit kamp heen zou rijden, zou dat argwaan zaaien, zouden de wachten achter hem en zijn onbekende gezel worden gezonden. Nu bestond die kans nog steeds, maar zou het niet vreemd zijn als de Dunedan zo zorgenvrij oogde, zo vriendelijk was, terwijl hij Sauron's dienaar hielp ontsnappen?
Al gauw lieten ze het kampement achter zich, en verder, op de vlakte, bleken nog anderen op hen te wachten. Allen Dunedan, merkte Andúnê op, allen op gelijkaardige paarden als degene waar zij nu op zat. Er was zelfs een paard speciaal voor haar voorzien.
'Hoe zullen we u noemen, Vrouwe, als wij stoppen in een herberg of ons in een andere groep mengen?' Andúnë was verbaasd over de eerbied waarmee de man tegen haar sprak. Ze herkende hem vaag - dit was de Dunedan waar ze het nieuws over Numenor tegen had verteld. Ze klemde haar hand tegen haar borst en fronste. Ze was reeds onder zovele namen bekend geweest, en het stemde haar somber om haar geboortenaam af te nemen net nu ze hem weer de hare kon noemen.
Arnubên tilde haar van zijn paard af en tilde haar op het andere paard. De wind woei haar kap van haar hoofd en haar lokken dansten vrij in de lucht.
'Isilme,' sprak Arnubên tegen zijn kompaan, zijn blik strak op Andúnë gericht, 'De Zilveren.' Ze zag de geruststelling en het vertrouwen in zijn blik, en ze glimlachte.
'Uw wolven hebben ons al dagen geschaduwd,' glimlachte een vrouw die naar een punt achter Andúnë keek. Ze draaide zich om. Sirdal kroop langzaam vanachter enkele rotsen vandaan, gevolgd door drie anderen, slechts een treurig getal indien Andúnë aan de oorspronkelijke roedel terugdacht. Ze jankten toen ze naar haar toe liepen, een van de wolven licht mankend.
'En wat nu?' vroeg iemand. Het was Arnubên die antwoordde.
'Nu gaan we naar huis.'

Het was nog altijd een lange tocht, ondanks ze nu over paarden beschikten. Toch leek hij minder lang, ondanks de constante dreiging van ontdekking, en de nachtmerries die haar nog altijd plaagden. De Dunedain ontpopten zich tot uitstekende reisgezellen, en in het verloop van de rit sloot Andúnë een hechte vriendschap met hen. Ze was nog elke dag dankbaar om hun vergevingsgezindheid om de terreur die ze had gezaaid. Ze had nooit verwacht dat ze die zou ontvangen, maar de Dunedain leken maar al te bereid om die haar te schenken.
Zo was er Lorien, dat zijzelf met de magie van de Balrog had verwoest, dat nog steeds in puin lag. Hoewel ze er niet doorheen trokken, was de staat van het woud zelfs vanop afstand evident. Andúnë had zich verschrikkelijk gevoeld, en zelfs de wolven leken om de verwoesting te rouwen. Het was de doler Cúndis die haar opzij trok, die erop stond haar haren te knippen - soms is een nieuw kapsel eens goed om je herboren te voelen - en Andúnë over haar leven vertelde, over haar vader die een afvallige Dunedain was geweest en haar met die filosofie had opgevoed, haar naar zijn zwarte idealen had gevormd, tot Cúndis zelf besloot het heft in eigen handen te nemen en voor het goede te kiezen.
En de mensen die ze op hun reis tegenkwamen waren allen zo gelukkig. 'De ring is vernietigd! Sauron is weg! De schaduw verdwenen!' En zelfs de geruchten dat een van zijn dienaren uit de kerkers van Minas Tirith was ontsnapt, leek hun geluk niet te deren. Het leek wel alsof velen geloofden alsof Kali Ielgwanath een mythe was, de Andúnë Gurthang van deze jaren, fluisterde een oude vrouw met blozende wangen hen toe, 'Slechts een verzinsel om de kinderen mee bang te maken.'
Niemand lette ook maar op de Halfelf die zich in het midden van de Dunedan bevond. Haar korte, stoffige haren waren dof genoeg om elke tint blond te kunnen zijn indien ze een bad nam, en hoewel haar ogen donker waren, leek er geen duisternis in te schuilen.
Zo trokken ze langzaam naar de zee. Eens ze de Nevelbergen voorbij waren, sloten er zich enkel meer Dunedain bij hun reisgezelschap aan, hoewel niet allen in de herrijzenis van Numenor geloofden, noch in de vondst van Niluphêr, die de naam Isilme bleek te dragen. Haar vluchtnaam werd zo vaak gebruikt, dat Andúnë soms betwijfelde of haar oude reisgezellen nog wel wisten wie ze was, aangezien ze het soms ook zelf wel eens vergat, omdat Isilme, de reizende Dunedan, een leven had dat ze meer in de armen sloot dan haar verleden.

De zee leek nog enormer nu ze wist dat ze er overheen zou moeten varen om een eiland te vinden. De haven die Arnubên uitgekozen had bleek enorme boten te bevatten, hoewel ze niet allen meer bruikbaar waren. Het waren reeds oude boten, sommige zo verrot dat je er bij de minste druk zo doorheen zakte. De Dunedain werkten als gekken om ze zo snel mogelijk zeevaardig te krijgen. Andúnë hielp zoveel ze kon, maar zonder haar oude kracht was ze niet meer zo nuttig als ze vroeger geweest kon zijn. Arnubên nam het haar niet kwalijk, en spoorde het haar juist aan om van de schoonheid van Midden-Aarde te genieten. Ze maakte vaak lange wandelingen, soms met Cúndis, soms met Arnubën of andere Dunedain, maar ook vaak alleen. Ze zag dat niet alles vernietigd was door het monster dat ze naar deze kusten had gezonden, dat de natuur verder woekerde en de dieren ook teruggekeerd waren. Soms zat ze ook gewoon aan het strand en keek ze uit over de enorme grijze vlakte, zoals ze vroeger ook vaak met Vean had gedaan.
Het was op een van die dagen dat ze de steen vond, op de kustlijn, versteend en gebarsten, met door de barsten de glinstering van een vreemd licht.
'Dus het is waar,' mompelde een stem. Andúnë schrok en draaide zich om. Achter haar stond een Elf, met lange donkere haren en blauwe ogen.
'Wie bent u?' vroeg Andúnë, hoewel de man haar niet dreigend leek.
'Ik ben niemand geweest sinds ik dat juweel in de oceaan heb geworpen. Tot nu. Vloekbreker, u draagt mijn eeuwige dankbaarheid.' En Andúnë herinnerde zich het verhaal. Maglor, die in zijn verdriet en schande de Silmaril aan de golven toevertrouwde, vond nooit meer rust sinds het juweel onder het water verdween. Of hij gestorven is of nog steeds aan de kusten van Midden-Aarde verblijft, is onbekend. Maar Andúnë wist wat er met Maglor was gebeurd. Maglor had een kind verwekt die op haar beurt ook een kind had gekregen. Een zilverharige halfelf.
Deze man was haar bloed.
'Het geschenk van de Valar Ulmo om ons thuis te brengen,' prevelde Maglor. Hij bleef naast haar staan terwijl Andúnë huilde en over de oceaan uitkeek.

Reacties (2)

  • Croweater

    Oh wauw.
    En nu?

    2 jaar geleden
  • Schack

    Damn.
    I just.
    Damn.

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen