Foto bij Hoofdstuk 7

Eén dag vroeger! Om iedereen te herinneren die vandaag, precies dertien jaar geleden, is gestorven. (9/11) You'll be remembered!

7 mei 1940, s’avonds
Fons en Céline hadden nog geen vier uur geleden gezien hoe hun kleine meid nu ook al moest vertrekken. Marie de Rudder, op weg naar het front. Jos de Rudder, getraind en op weg naar het front als hij klaar was. Fons zuchtte. Hoe kon het allemaal zo snel gegaan zijn? Eerst hadden ze Jos gedag moeten zeggen, misschien voor altijd, en nu ook nog Marie, die ze met een beetje geluk ook terug zouden zien.
Toen de legerauto uit het zicht verdwenen was, repten de ouders zich weer naar binnen. Ze wisten niet hoe lang ze gezwegen hadden, maar het tenminste tot aan het avondeten, want toen Fons zich aan de tafel zette, merkte hij tranen op in de ogen van zijn vrouw. “Céline, gaat het?” vroeg hij. Zij schudde haar hoofd.
Fons stond terug op en troostte haar met een knuffel. Hun twee oudste kinderen waren op weg naar nog een oorlog, eentje die zij twee met veel geluk hadden overleefd. Op momenten als deze hoopte hij dat zijn geheugen hem in de steek zou laten. Niet om zijn kinderen te vergeten, maar om de oorlog te vergeten waarin hij gevochten had. Dan zou hij gewoon naar hun graven kunnen gaan en niet weten hoe ze aan hun eind kwamen. Kamiel wilde weg. Albert vergat zijn gasmasker. En Jan offerde zich op voor zijn beste vriend.
Uitgeindelijk lieten ze elkaar los, en Fons stelde voor om Lukas vandaag wel te roepen. Hij liep naar de slaapkamerdeur en zag dat deze op een kier stond. Vreemd, dacht hij, hij sluit zijn deur altijd. Dat spoorde hem aan om de kamer binnen te lopen. De kast stond wagenwijd open en een heleboel kleren waren eruit verdwenen. Een aantal kostbare bezittingen waren ook weg. Maar hetgeen het meest opviel, was hoe het raam open stond en er een heleboel lakens en stukken kledij aan elkaar geknoopt waren en uit hetzelfde raam hingen.
Fons verbond de puntjes en realizeerde zich dat na Jos en Marie, Lukas ook al weg was. “Oh nee.”

8 mei 1940, rond 23:00
Na het eind van weer een vermoeiende dag, lagen alle mannen te slapen. Ze hadden zopas het nieuws gekregen dat het niet lang meer kon duren vooraleer ze op weg aouden gaan en die Duitsers opnieuw verjagen, zoals hun vaders en grootvaders al gedaan hadden. Die nacht waren ze gaan slapen wetende dat ze allemaal zeer vooruit zijn gegaan ten opzichte van hun eerste dag: Frank had zich ingezet om wat eerder op te staan en zo op tijd te zijn, en ontpopte zich ook als een echt gedisciplineerd man, tot hoever hij ook gedisciplineerd kon zijn, maar bij zijn vrienden was hij nog steeds die gast die moppen tapte en de serieuze sfeer die boven hen hing wilde doorbreken. Jos, die nog nooit een geweer had vastgehouden, bleek goed met het wapen overweg te kunnen. Hij had zichzelf bewezen als een schutter, en was zelfs meer bekwaam met het wapen dan Ignace, die dan weer beter was in de technische onderdelen van het soldaatschap. Het zou niet zo lang meer duren voor hij gepromoveerd zou kunnen worden tot het gebruiken van een groter of ander wapen, of misschien met een auto of tank mocht rijden. Louis had zijn Frans in de tussentijd ook al verbeterd met de hulp van Ignace – die toegegeven had na de zoveelste smeekbede – en was trots op de voortgang die hij heeft geboekt.
Iedereen bleek wel beter te zijn geworden in iets, ook Harry. Ook al was dat iets dat geen soldaat nodig had.
Terwijl iedereen al lag te slapen, was hij nog wakker. Ondanks de toch zware dag kon hij de slaap niet vatten, zoals de vorige nachten. Niemand wist wat het was, behalve dan zijn vrienden die de reden konden opsommen in drie woorden: verre Duitse tante. Die vier wisten dat, maar zelfs toen was Harry niet eerlijk geweest. Hij durfde nu al meer Duits te praten als zij vieren erbij waren, maar dan alleen kleinere woordjes en makkelijke zinnen, om de leugen van de tante te kunnen bewaren. Maar nu hij vernomen had dat ze binnenkort de Duitsers zouden moeten tegenhouden… Sindsdien had hij eigenlijk de slaap niet kunnen vatten.
Genoeg, dacht Harry in het Duits, Dit kan zo niet langer! hij ging rechtop zitten en kleedde zich snel aan. De weinige bezittingen die hij mee had genomen raapte hij snel bij elkaar en smeet hij onordelijk in de koffer die hij gebruikt had. Toen hij zeker wist dat hij alles had, zocht hij zijn schoenen en jas en deed deze aan. Met zijn koffer in zijn rechterhand liep hij zo stil mogelijk naar de deur, en het kraken van de deur vulde de hele barak. Harry keek even over zijn schouder om te zien of er iemand wakker werd, maar niemand bewoog. Hij haalde (stilletjes) opgelucht adem, en wandelde snel naar buiten en sloot ook snel de deur, zodat deze minder zou kraken.
En nu hij buiten stond ionder de blote sterrenhemel, werd hij even onzeker over zijn plannen. Mocht hij het kamp niet uit kunnen, zou hij gedood worden voor desertie. Mocht hij slagen, had hij nergens om naartoe te gaan. Niemand wilde hem – de familie van zijn pa mocht hem niet, en de familie van zijn ma mocht hem ook niet. Hij zou gewoon een nieuw leven moeten opbouwen.
Met grote stappen lip hij door en stopte toen hij een deur hoorde openen. Snel draaide hij zich om en gebruikte zijn koffer als schild. Hij sloot zijn ogen, maar opende deze weer toen hij geen schoten hoorde. Toen hij over de rand van zijn koffer keek, zag hij daar Ignace staan, zijn vaders geweer in de handen en klaar om te schieten. Hij had nog zijn broek en schoenen aan kunnen doen, maar de veters zaten los en had geen tijd voor zijn bovenkleding, dus stond hij daar in zijn blote gespierde bortskas.
“Scheiße!” vloekte Harry, en toen Ignace de stem herkende, liet hij het geweer niet zakken, maar er verscheen wel een verbaasde blik in zijn ogen. Harry zag dat Ignace het wapen bijna liet zakken. En toch bleef de loop naar zijn vriend wijzen.
“Harry?” zei zijn verbaasde stem, “Wat doet gij nu? Als ge iemand anders waart en verder waart gelopen, had ik u neergeschoten.” Het bleef even stil tussen de twee, en Harry slikte. Hij was betrapt, en nog wel door Ignace! Aan de andere kant klonk het niet zo verrassend dat de Waal hem had betrapt, omdat hij nooit echt een vaste slaper was geweest. Dat maakte het ook niet zo verrassend dat Ignace nog steeds met het geweer naar hem wees.
“Dit lukt niet meer,” zei Harry, “De druk, de haat, alles! Ich muss hier weggehen.” Het kan niet anders.
“Er is een andere manier,” zei Ignace, ondanks dat hij nooit echt een goede vriend was, “Leg het uit aan de koporaal. Hij helpt wel.” Maar vooraleer de Waal zijn zin kon afmaken, schudde Harry al met zijn hoofd. Nee, er is geen andere manier.
“Nein!” Hij riep het bijna, “Hij mag het niet weten. Niemand mag het weten. Hij zal me laten doodschieten vanwege mijn familie. En hen ook, als hij weet waar ze wonen. Alleen gij en de drie anderen weten het, en ik heb liever niet dat iemand anders het weet. Ze zullen mij te snel als landverader aanduiden.”
“Godverdomme, Harry, kalmeert eens!” riep Ignace, maar Harry schudde weer zijn hoofd.
“Hoe kan ik kalm zijn als ge dat geweer naar mij wijst alsof ge net achter mijn geheim gekomen zijt!” riep Harry, over zijn toeren. Het bleef een lange tijd stil tussen de twee jongemannen, totdat Ignace uiteindelijk langzaam zijn vader’s geweer liet zakken. Dus hij is toch niet het monster dat ik dacht dat hij zou zijn, dacht Harry. Ignace liet inderdaad het geweer zakken, en keek nog steeds naar Harry, deze keer alsof hij zich wilde verontschuldigen voor zijn gedrag.
“JONGENS!” bulderde een stem die onmiskenbaar van korporaal Wesemael was. Geschrokken draaiden de jongens zich om, en de korporaal liep naar hen toe. Ignace salueerde meteen, maar Harry boog zijn hoofd.
“Scheiße!” vloekte hij weer, maar deze keer zorgde hij ervoor dat de korporaal het niet kon horen. Hij zou de jongeman diorect ophangen of laten doodschieten. Ondertussen stond de korporaal naast Ignace en keek naar de twee. De volgende seconde merkte Harry dat Ignace het geweer weeral naar hem richtte en snel hield hij zijn handen ook weer in de lucht.
“Wat is er gaande? Ah, ik zie het al: we hebben ’n deserteur te pakken, nietwaar?” De korporaal glimlachte tevreden, en bestudeerde de jongeman. Natuurlijk zou zo’n schrielkip willen vertrekken. Ach wat, Harry was toch altijd al een watje geweest, een persoon die waarschijnlijk bij de eerste slag zou gestorven zijn. Een soort van voorzien verlies, dus.
“Ik wilde even tijd voor mezelf,” zei Harry. Het was geen leugen – door te vertrekken zou hij alle tijd van de wereld kunnen gebruiken voor zichzelf, maar dat zou hij hen nooit zeggen nu Ignace liever bevelen opvolgt dan een vriend helpen. Ondertussen dacht Harry steeds aan zijn familie, en aan wat zij zouden doen als ze hem tenminste mochten.
Zij zouden het vertellen, dacht Harrry, en hij zuchtte, Ik heb toch niets te verliezen. “Ik ben een zoon van landverraders!” Die woorden duwden zich een weg uit Harry’s mond en na deze volgden vele die zijn helme familiegeschiedenis aan Ignace en korporaal Wesemael uitlegden. Het was de allereerste keer dat hij het er met iemand over had en het voelde bevrijdend om het eens een keertje zelf gezegd te hebben. Nadat hij ongeveer tien minuten gepraat te hebben, eindigde hij met de volgende woorden: “Ik heb dit zelf niet zo gewild, geloof me. Ook al ben ik anders opgevoed, ik zou graag willen vechten voor mijn vaders vaderland. Ik zou als landverrader gemarkeerd worden als ik ooit daar terugkeer en… dit is de enige manier om me als Belg te kunnen bewijzen.”
Het bleef een lange tijd stil, tot de korporaal begon te spreken. “Morales, naar bed! Ik regel dit wel.” Ignace deed zoals hem werd gezegd en wandelde weer de barak in, maar niet voordat hij nog een laatste blik wierp op zijn vriend die toch anders in elkaar zat dan eerst gedacht. Maar Harry merkte die blik niet op omdat hij uit schaamte naar de grond keek. Hij hoorde hoe de korporaal steeds dichterbij wandelde tot hij vlak voor de ‘deserteur’ stond.
“Kijk me aan,” zei korporaal Wesemael, en langzaam tilde Harry zijn hoofd op, tot zijn groene ogen keken in die van de korporaal keken. “Wel, Deprez, misschien zijt gij hier wel de dapperste Belg van allen. Kom maar mee; dan praten we wel verder bij mijn barak.” Harry knikte opgelucht en wandelde met Wesemael mee naar de barak.

Reacties (1)

  • BOOKWURM

    OMG dit is zoooo.cool , hij is de zoon van fucking Deprez? Niceeee!!! Me like
    Dus de duitse verpleegster was zwanger, arme haar, Deprez werd doodgeschoten...
    Nou ik mag Harry wel en natuurlijk Louis , Ignace en Jos ook.
    Ik ben heel erg benieuwd hoe het gaat aflopen met de kids van Fons en Céline ....Dus heel snel verder!

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen