Foto bij Hoofdstuk 14

15 mei 1940
Frank keek in de spiegel.
Dit vond hij geen fraai zicht. Hij zag eruit als een wrak. Dat was hij ook, mentaal gezien dan. Hij had flinke wallen onder zijn ogen, zijn eens zo netjes gekamde haren waren door elkaar gehaald. Hij zag eruit alsof hij in dagen geen bad heeft gehad – hetgeen dat overeen kwam met de werkelijkheid. En dan spreken we nog niet over het gat bij zijn rechterschouder.
Hij plaatste zijn linkerhand bij de wond. Erbij, niet erop. Als het gevoelige plekje ook maar aangeraakt wordt, ook al is het een onbenullige vlieg, vertrok de dertiger in pijn. Als hij het bewoog deed het ook pijn, maar een directe aanraking deed hem nog het meest pijn.
Dit is niet wat hij in gedachten had toen hij zich voor het leger aanmeldde. Hij verwachtte gewond te raken, ja, maar hij had niet gedacht dat ze tijdens deze veldslagen gebruik zouden maken van allesvernietigende bommen en dat ze duizenden soldaten zouden opofferen om een verloren dorp of stad te verdedigen, om elders een succesvol offensief te starten. Gelukkig waren de bommen nog schaars – voorlopig – en nu zou hij zich geen zorgen moeten maken over diekleine wapens met grote vernietigingskracht. Hij maakte zich, voor het eerst in heel zijn leven, zorgen over zijn gezondheid.
Als kind kon het hem nooit schelen of hij ziek of gezond was; hij zou zich altijd wel een weg weten te banen naar buiten. Dit was één van de redenen waarom hij een eenzame jeugd was: de andere kinderen wilden niet ziek worden en meden hem als de pest. En nu, nu hij misschien zou kunnen sterven, wenstehij alleen dat hij voorzichtiger was geweest en beter had opgelet toen Wesemael hen uitlegde hoe je het het beste kon overleven in de oorlog.
Wesemael … hij miste die gast. Die man was misschien niet altijd aardig geweest voor hem en ze waren misschien niet goed begonnen, maar Frank had wel respect gekregen voor die dappere man. Voorlopig stond Wesemael op de eerste plaats als het neerkwam op respect, maar nu begon die ereplaats zich eerder op te dringen naar Ignace, die hem – ondanks zijn duidelijke haat voor die irritante Frank Desmet – redde van de dood, twee dagen geleden.
Hij voegde ook nog de snelle recuperatietijd toe aan de lijst met dingen die hij haatte aan het leger. Gisteren werd hij wakker, en vandaag kreeg hij nog even respijt, en morgen zou hem weer een geweer in de handen geduwd worden om verder te strijden tegen de Duitsers, om Luik te beschermen van de inval van de pinhelmen.
Hij keek weg van zijn spiegelbeeld en nam de benen. Hij verliet het kamp niet, maar had wel neigingen om dit te doen. nee, hij ging gewoon naar de ziekenboeg van het kamp. Daar zag hij dat de meesten hun bedden al moesten verlaten, en maar twee personen waren er nog aanwezig; de ene man beet op een stok vieze stof zodat de verpleegster (niet Marie) haar best deed om die kogel uit de arm te krijgen. Aan de andere kant lag de tweede man al even roerloos als gisteren. Frank ging naast die tweede man zitten. Hij was nog niet wakker geworden, en de man maakte zich zorgen om hem. Hij draaidee zijn hoofd en zag dat die ene verpleegster hem zat aan te kijken en hij gaf haar een glimlach.
Hij wist niet of er bezoekers toegestaan waren, maar hij zou blijven. Tenminste, tot hij weggejaagd was. Daarbij, hij moest praten, maar er was niemand die naar hem wilde luisteren. Louis, Harry and Jos zaten Antwerpen te verdedigen, net als Wesemael, en de enigen die met hem wilden praten wilden hem alleen maar belachelijk maken.
“Hey, Morales,” begon Frank, “Hoe gaat-ie? Ik … zou het eigenlijk niet moeten vragen, maar toch. Gast, ik ben u een bedankje verschuldigd. Ge waart geweldig daar ook al weet ik niet hoe ge het volgehouden hebt. Ik heb gehoord dat ge mij hierheen hebt gesleurd, anderen zeggen dat ge me bij één been hebt gepakt en meegetrokken naar hier.” Frank glimlachte toen hij de uitdrukking op Ignace’s gezicht zag; zelfs in zijn slaap (?) zag hij eruit alsof hij ieder moment kon kotsen. “Ik voel me ook niet zo goed, nee,” ging Frank gewoon door, “Die verdomde schouder is gewoon een blok aan m’n been, als ge begrijpt wat ik bedoel. In Antwerpen hebben ze het vast makkelijker, hé? Jos en Harry en Louis zitten zich vast rot te amuseren terwijl wij de dupe zijn van de pinhelmen. Wat zou ik graag van plaats willen ruilen met hun. En gij?” de vraag werd beantwoord door de stilte die nu ondertussen in de tent hing. De andere soldaat was gestopt met schreeuwen, maar snikte wel nog steeds.
“Waarom praat ik nog steeds?” vroeg Frank zich luidop af, “Ge kunt me toch niet verstaan.” Hij stond op en maakte zich klaar om weer naar buiten te lopen, weg van Ignace. Halverwege stopte hij en keek hij een laatste keer om. Ondanks dat kots-gezicht zag Ignace er vredig uit. Mooi zo. Zo was hoe hij zich de jonge Waal wilde herinneren, mocht hij niet de kans krijgen om terug te keren of hem nog te zien voor één van hen stierf.
Toen hij bijna de tent uit was, ging hij naar zijn slaapplek. Deze was op zijn meest oncomfortabel, maar daar moest hij het mee doen. Daar wachtte hem een grote verassing: Marie de Rudder wachtte er op hem. Niet op iemand die bij hem in de buurt sliep, maar hém. Ze keek hem achteloos aan en stond met haar armen gekruisd; ze was hier duidelijk niet voor haar plezier.
“Hoe gaat het met uw arm?” vraagt ze zonder emotie en hij haalt zijn schouders op, een beweging die hem pijn deed, maar die pijn negeerde hij.
“Gaat goed,” liegt hij. “Doet niet veel pijn meer.” Marie fronste.
“Dan moet ge u melden. Ge moet weer gaan vechten.”
“Weet ik.” Antwoordde hij en hij ging zitten, en tot zijn grote verbazing ging zij nog niet weg. Ze bleef staan en zei geen woord tot hij uiteindelijk het initiatief toonde en weer begon te spreken. “Waarom zijt ge hier eigenlijk? Ge haat mij!”
“Da’s waar.” Zei ze, en ze ging langs hem zitten – wel nog ver van hem af. “Dit wil ik niet meer.” Nu fronste Frank.
“Wat niet meer?”
“Dat weet ge best. Ge wilt hier waarschijnlijk niet meer zijn. Niemand wil dit, niet met de oprukkende Duitsers. Dit is zelfmoord.”
“Daar hebt ge toch geen last van,” zei Frank, “ge zijt maar een verpleegster.” Ze sloeg hem hard op zijn knie. Hij gaf geen krimp en vroeg haar wat er scheelde. Ze zuchtte.
“Ik hoopte levens te redden hier. Ik kwam hier omdat mijn moeder al wat ouder wordt en ik het ook kon. Dit is niet wat ik me had voorgesteld. Ik wilde écht levens redden. Hier lap ik alleen de jongemannen op en hoop dat ze lang genoeg leven. Ik heb Morales ook wat extra verdoving gegeven, zodat hij goed kan uitrusten.” Frank keek gekwetst.
“Mij hebt ge geen extra verdoving gegeven!” riep hij uit, en hij beging bijna een fout, “niet dat ik het nodig heb, hoor.”
“Ge zijt niet mijn patiënt, dus verzorg ik u niet. Ik verzorg wel uw vriend. En hij heeft deze wel nodig. Als hij genoeg rust en zijn been te vroeg gebruikt, zouden ze hem direct weer het veld in sturen en zou er weer iemand opgelapt worden. ik kan dit niet meer doen… ik wil weg hier!” ze riep het niet uit, maar enkel Frank hoorde het. Hij schoof een beetje dichter bij haar.
“Dan gaan we toch weg?” Marie’s ogen werden groot van verbazing, “Wat?” zei ze, omdat ze niets anders kon bedenken om te zeggen. Frank haalde zijn schouders op en probeerde zijn gezicht niet te vertrekken. Het deed pijn, en ik weet dat ik dit te vaak aan het herhalen ben, maar ik kan het niet vaak genoeg benadrukken: hij had toch veel pijn.
“Dan gaan we toch weg? Als wij een vrachtwagen in kunnen sluipen, zijn we zo weg.”
“Is dat niet een beetje riskant?”
“Niets is zo riskant als het veld opgaan,” om het te benadrukken legde hij zijn hand naast de verse wonde, “Man, ik kan nu echt een biertje gebruiken.” Marie zuchtte en haalde vanuit haar tas een klein flesje, gevuld met bier. Gretig nam Frank het flesje en opende het.
“Hoe wist gij ... hoe komt ge … dank u!” Hij dronk de inhoud van het flesje op en Marie haalde haar schouders op.
“Alcohol ontsmet,” was haar monotone antwoord, “en ik wist dat je dat zou zeggen.” Hij hoorde dat laatste bijna niet door de drank. Als alcohol ontsmette, hoopte ze dat die wonde waar hij over zat te liegen ook verdoofd werd zodat hij op zijn minst die pijn niet zou kunnen voelen. Als hij de laatste druppel in zijn mond had gegoten nam Marie hem het flesje af en ze stopte het weer in haar tas.
“Waarom gaf ge het?”
“Wat kan mij u schelen? Ik ga u nog altijd niet verzorgen.” Frank knikte. Dat klonk logisch. “We kunnen het proberen.”
“Wat, mij verzorgen?”
“Weggaan. Er is een kleine kans dat we het halen.” Frank knikte en gaf Marie een hand, om hun korte verbond te bevestigen. Niemand hoefde te weten dat ze weg waren en na middernacht zaten ze effectief in zo’n vrachtwagen, op weg naar de vrijheid. De volgende ochtend waren de hogere officieren kwaad op het listige vertrek van één van hun gewonde soldaten en een goede zuster.

Reacties (1)

  • BOOKWURM

    Omg... Nu word het spannend:)
    Dit heeft mijn dag opgevrolijkt, ondanks de pijn van mijn gebroken kaken .
    En ik mis Harry nu al ...(huil)(huil)

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen