Onrust was Ehriänae al bekropen toen de eerste toppen van de Nevelbergen zich lieten zien. Het was lang geleden dat ze die doorkruist had en de herinneringen waren niet heel plezierig. Slechts weinigen namen de paden die langs de steile hellingen slingerden en dat was niet zonder reden. Vele mythen waren in dat deel van Midden Aarde ontstaan, waar ongure schepsels zich in donkere holen verscholen hielden, wachtend totdat een dwaze reiziger zijn vermoeide gezicht liet zien.

Dwergen bleken een synoniem voor “dwazen” te zijn, toen bleek dat ze inderdaad dit pad hadden verkozen, zonder op de Istari te wachten. De interventie van de steenreuzen was een van de dingen die Ehriänae gevreesd had. Velen ontkenden hun bestaan en deden hun verschijning af als een hersenspinsel of het gedaver van de donder, maar Ehriänae wist wel beter. Ze moesten zorgen dat ze hier zo snel mogelijk vandaan kwamen, voordat een van de giganten opnieuw voor de ander uitweek en tegen de muur leunde, waarbij zij geplet zouden worden door zijn gigantische omvang.
Haar ogen flitsten opzij, naar Mithrandir die naast haar lag. Hij had een wond op zijn gezicht die gestaag bloedde en opende kreunend zijn ogen toen ze een hand tegen zijn wang legde.
Zodra hij weer bij zijn positieven was, kwam de elf overeind. Het vallende gesteente had stof doen opwaaien, waardoor ze Azra kwijt was geraakt. Ze klauterde over een paar rotsen heen en slaakte een zucht van verlichting toen ze haar dochter verdwaasd om zich heen zag kijken.
‘We zijn hier,’ zei ze zonder stemverheffing.
Voor Azra was het genoeg. Ze draaide zich direct om en haastte zich tussen de rotsblokken door.
‘Ik ben oké,’ mompelde Azra.
Het ontging Ehriänae niet dat haar gelaatsuitdrukking verwilderd was. Haar ademhaling was versneld en ze leek zelfs een beetje in shock. Ze had op het randje van de dood gebalanceerd en dat wist ze zelf ook.
Ehriänae wierp een blik naar de hemel, alsof de Valar daar zouden verschijnen om hun zegje te doen. Was dit een teken dat ze hun stem verkeerd verstaan had? Of werd ze slechts beproefd in haar doorzettingsvermogen?
Mithrandir schraapte zijn keel. ‘We moeten verder, vrouwe. De nacht is gevallen en een gevoel van onbehagen bekruipt mij wanneer ik mijn blik naar voren richt.’
‘Ja,’ was het enige dat Ehriänae antwoordde. Ze ervoer eenzelfde ongemak, alsof de duisternis hen beschimpte omdat iets kwaadaardigs al in werking was gesteld en zij te laat waren om het een halt toe te roepen.
‘Is er iets gebeurd met de dwergen?’ vroeg Azra.
Ze klonk een tikkeltje nerveus en het was Ehriänae duidelijk dat ze iets om hen was gaan geven.
‘Dat niet alleen.’ Ze draaide zich om en liet haar ogen door de duisternis schieten. ‘Er is eveneens iets in aantocht. We kunnen hen maar beter voorblijven.’
‘Wat dan, mam?’
Ze gaf geen antwoord, maar gaf haar dochter een duwtje tegen haar schouder. ‘Lopen.’

Zwijgend legden ze het pad verder af. De steenreuzen versperden hen nog eenmaal de weg, maar het was alsof het vechten met elkander hen uitputte en ze één voor één wegzonken in een diepe slaap.
Het onweerde nog steeds. Nu en dan scheerde er een heldere flits door de lucht en ze bleven zo dicht bij de wand als mogelijk was.
Ehriänae wisselde een blik met de Istari. Het gevoel werd sterker en dat merkte hij ook. De dwergen kwamen dichterbij. Het was hun wanhopige gemoedstoestand die ze voelde en die haar de weg wees. Het was lang geleden dat ze de radeloosheid van anderen opving. Haar vingers werden warm en ze keek even naar de ring. De rode steen die erop bevestigd zat, werd helderder van kleur en verspreidde een zachte gloed.
‘Hierheen.’
Ze hees zich op aan de stenen wand en klom naar boven. Even wierp ze een zorgelijke blik op haar dochter, maar deze klom zonder vertoon van veel moeite achter haar aan. Als ze al begon af te takelen, was dat nog niet zichtbaar.
Ze gaf even een knikje aan Vígdis, die bij haar bleef alsof hij haar schaduw was. Ze wist dat het vogeltje om hulp zou roepen als Azra daar zelf te trots of te zwak voor was en dat stemde haar enigszins gerust.
Ehriänae richtte haar blik weer naar voren. Ze hadden een plateau bereikt en de Istari bewoog zoekend zijn staf over de grond. Zijn gezicht ontspande even toen hij het juiste punt vond en hij stak het voorwerp in de aarde. Een helder licht verspreidde zich, gevolgd door een luide explosie. Mirtrandir stapte het gemaakte gat in en Ehriänae greep de hand van haar dochter vast en volgde zijn voorbeeld.

Reacties (3)

  • Rhovaneth

    Leuk stukje!

    6 jaar geleden
  • EvilDaughter

    Leuk!

    6 jaar geleden
  • Jarnsida

    Ehriänae is echt een goed personage met die strenge kalmte en statigheid

    6 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen