Foto bij 011 || Hikari Kiyama

Terwijl de lucht donkerder begint te kleuren gaat iedereen zijn eigen gang.
Endou voetbalt met een paar jongens van Manyuuji en anderen spelen een spelletje.
Morgen of overmorgen zouden we vertrekken uit Kyoto, maar ik weet niet precies wanneer want mijn gedachten waren er niet bij toen coach Hitomiko het vertelde.
Mijn blik glijdt over de mensen in de zaal, bijna het hele Raimon team en enkele spelers van Manyuuji. Verbaasd merk ik op dat niet iedereen er is. Kazemaru, Fubuki en Satoru zijn er niet. Even overweeg ik te kijken waar ze zijn maar ik laat het idee direct vallen.
Wel sta ik op en loop naar buiten, niet om de drie jongens te vinden maar gewoon om mijn gedachten op een rijtje te zetten.
Onder de wedstrijd tegen Epsilon, alhoewel een wedstrijd kan je het niet noemen zo kort, zag ik hem bij de school staan. Vanaf de plaats waar hij stond keek hij neer op ons spel en ik denk dat hij die plek daarom koos.
Hiroto.
Het ene moment waarop we oogcontact hadden speelde er een grijns om zijn lippen waar ik rillingen van kreeg.
Ik klim op het dak van het Inazuma busje en kijk naar de reusachtige, donkerblauwe hemel die zich oneindig ver uitstrekt. De lucht wordt langzaam gevuld met opkomende sterren en ik word rustiger.
Op het voetbalveld verderop staat iemand, hij traint al vanaf ik naar buiten ben gegaan. Aan het vuurrode kapsel te zien is het Satoru. Een klein glimlachje speelt om mijn lippen.
Ik begin het toch wel naar mijn zin te krijgen in dit team.
Ik sluit mijn ogen even, als ik ze weer open staan er twee figuren op het veld. Met beide rood haar. Ik knipper even met mijn ogen en focus me op Satoru en de persoon die bij hem is komen staan. Zodra ik hem herken bijt ik op mijn lip om niet boos te gaan schreeuwen en ik klim direct van het busje af. De laatste paar treden spring ik naar beneden en ik ren naar het veld toe.
Als ik dichterbij kom kan ik de twee figuren duidelijk onderscheiden, Satoru en Hiroto.
Ik stap Satoru direct voorbij en ga met mijn armen over elkaar geslagen voor Hiroto staan. Boos kijk ik hem aan, ‘Wat doe jij hier?!’ sis ik boos, maar wel zo zacht dat Satoru het niet hoort. Hiroto kijkt me geamuseerd aan, ‘Ook hallo.’ Glimlacht hij.
Wat me alleen maar bozer maakt.
‘Ga weg.’ Grom ik. Hiroto grinnikt, ‘Maar ik ben er net.’ Zegt hij zielig.
‘Waarom ben je hier.’ Snauw ik boos, ik denk al niet meer aan het volume waarop ik praat en ook ben ik vergeten dat Satoru er nog bij staat. Hiroto trekt een gezicht alsof hij er lang over na moet denken, ‘Wat gaat jou dat aan?’ vraagt hij grijnzend.
‘Hiroto!’ roep ik boos. Waardoor hij nog breder grijnst.
‘Niet zo boos kijken.’ Pruilt hij, als reactie krijgt hij alleen en boze grom. Dan stapt Hiroto naar me toe en trekt me in een omhelzing, ‘Niet zo boos,’ zegt hij weer. ‘Zusje.’ Fluistert hij er nog achteraan in mijn oor. Nog steeds boos duw ik Hiroto weg, ‘Jaja, wat doe je hier!’ schreeuw ik geïrriteerd. ‘Niets hoor, ik praatte alleen even met je vriendje, dat is alles.’
Even kijk ik verbaasd opzij en wordt ik er weer aan herinnerd dat Satoru er nog steeds staat en dus alles heeft gezien, en hoort. Mijn wangen kleuren licht rood terwijl ik snel weer naar Hiroto kijk, die grijnst alleen maar. ‘Hij is niet mijn vriendje, gewoon een vriend.’ Snauw ik boos. ‘Meer dan een gewone vriend.’ Kaatst Hiroto direct terug. ‘Een goede vriend, ook goed. Een betere vriend dan jij.’ Sneer ik boos.
Hiroto lacht even en kijkt me dan doordringend en serieus aan, ‘Maar ik ben ook niet jou vriend en dat weet jij best.’ Hij werpt even een blik op Satoru, die het hele schouwspel verbaasd volgt ,en kijkt me dan weer strak aan waarbij hij een stap dichterbij zet. Hiroto’s lengte werkt intimiderend maar toch blijf ik hem boos aankijken. ‘Moet ik je eraan herinneren wat ik van jou ben?’ sist Hiroto dreigend.
Als ik niet antwoord buigt hij zich nog dichter naar mij toe.
‘Ik ben jou broer, en daar kan je niets aan veranderen, zusje.’ Ik bijt op mijn lip en er trekt een koude rilling over mijn rug. Dan stapt Hiroto weer naar achter met een grijns van hier tot Tokyo. Wacht Tokyo is niet zo ver, met een grijns van hier tot Amsterdam.
Ik grom boos en kan Hiroto ieder moment aan vliegen als Satoru ineens tussen ons in komt staan. Op dit moment staat hij op een gevaarlijke plaats en ik grom nogmaals, maar nu zachter. ‘Wow, wacht! Wat is er aan de hand! Hiroto, Hikari?’ vraagt hij en hij kijkt ons beide vragend aan. Hiroto grijns en vormt met zijn lippen het woord: ‘’Succes’’ mijn kant op. Satoru kijkt hem vragend aan en kijkt dan vragend naar mij.
Ik kijk Hiroto nogmaals boos aan, als blikken konden doden…
Satoru kijkt weer naar Hiroto, maar de plek waar hij stond is nu leeg. Hiroto is weg.
‘Wat? Waar is… waar is hij?’ stamelt Satoru verbaasd.
Ik kijk nog even om me heen of hij nog in de buurt is, maar als ik zie dat hij echt weg is zucht ik opgelucht. ‘Weg.’ Beantwoord ik Satoru’s vraag simpel.
‘Hikari,’ Satoru gaat voor me staan en kijkt me vastbesloten aan. ‘Wat was dat allemaal? Kennen jullie elkaar? En waarom noemde hij mij ‘’je vriendje’’?’ de enorme stroom van vragen verlaat Satoru’s mond. En hij trekt er een verongelijkt gezicht bij.
Ik zucht even en leg mijn hoofd in mijn handen.
‘Het was niets, nee ik ken hem niet, omdat hij vervelend is.’ Beantwoord ik al de vragen in één keer. Satoru trekt spottend zijn wenkbrauwen op, ‘Geloof je het zelf?’
‘Jepp, ik heb er het volste vertrouwen in.’ Zeg ik terwijl ik één wenkbrauw optrek.
Dan draai ik me om en loop weg. Ik hoor Satoru achter me aan komen maar hij stop bijna direct. Ik voel zijn blik in mijn rug branden en ik slik moeizaam.
Als Satoru zijn mond hier maar over houdt…
‘Ooit kan ik het je uitleggen, Sato.’ Fluister ik in het donker.

Reacties (2)

  • hawksilver

    Wow cool stuk ^^
    Snel verder

    4 jaar geleden
  • xxlenxx

    aboo
    snel verder!

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen