De figuur was volledig gekleed in donkere kleuren: van zijn laarzen tot aan zijn handschoenen. Ook de rugzak had een donkere kleur en smolt bijna samen met de dief en zijn schaduw. Zijn broek was strak en hij droeg een leren jack. Misschien was het wel een vrouw in plaats van een man?
Ik kon het gezicht van de figuur echter niet goed zien. De capuchon op zijn hoofd en de grote buxus verhulde zijn gezicht in een zwarte schaduw en wilde niet prijsgeven of zijn eigenaar een man of een vrouw was. Ik kon het onderste gedeelte van het gezicht wel zien. De grote afstand tussen ons maakte het te moeilijk voor mij om details te kunnen onderscheiden. Ook de wind hielp niet mee en sloeg losse lokken haar voor mijn ogen. Misschien kon ik wel dichterbij kruipen?
Ik trok mezelf terug achter de struik en ging weer op mijn hurken zitten. Links van mij bevond zich het landhuis en er stond een standbeeld op een groot marmeren blok. Er was ook nog een struik, maar als ik daar heen kroop zou hij me zeker zien. Aan mijn rechterkant was de oprit. Daar stond niets wat mij beschutting kon bieden. Ik zag, gelukkig, ook nog geen taxi en wenste dat hij nog lang weg bleef. Ik wilde zien of ik de dief kon herkennen...
Of toch? Daar aan het einde van de oprit? Zag ik daar twee koplampen? Ik tuurde in de verte en kneep mijn ogen tot spleetjes.
Plots slaakte de wind een zucht en blies me omver. Ik zwaaide met me armen in een poging me op te vangen en een zachte piep ontsnapte uit mijn keel. Met mijn rechterarm brak ik mijn val en ving ik me op. Ik durfde me niet te bewegen. Had hij me gezien? Weet hij dat ik hier zit?
Snel trok ik me terug achter de struik en drukte me in zijn prikkelende jas. Ik had mijn hand op mijn mond geklemd en mijn hart klopte in mijn keel alsof ik kilometers gerend had. Alsjeblieft, laat hem me niet gezien hebben!
Ik probeerde om me heen te kijken; naar de randen van de struik. Ieder moment verwachtte ik het hoofd met de capuchon. Ik zag alleen niets: mijn haar danste rond mijn ogen. Ik deed een wanhopige poging het uit mijn gezicht te krijgen, maar het lukte niet! Toen liet ik mijn blik over de oprit glijden en voelde een vurig verlangen naar mijn taxi; ik wilde niets liever. Hier weg kunnen rijden zou fantastisch zijn: verlost van de koude nacht en de dief die geen lid van het personeel was, maar... er was geen taxi. Alleen het grint en zijn wuivende bomen. Er vlogen blaadjes in de lucht en in de verte riep een oehoe. Maar er was geen taxi.

Ik haalde een paar keer diep adem: Waar bleef hij? Zou hij er nog zitten? Ik besloot om de hoek te kijken.
Op voeten en handen schoof ik terug naar de linkerkant van de struik en vond een stabiele houding. Het laatste wat ik wilde was nógmaals omver geblazen te worden door de wind. Ik plaatste mijn hand op de struik: zoekend naar goed houvast. Terwijl ik een tak vasthield bracht ik mijn gezicht met alle voorzichtigheid dichter bij de rand van de struik. Een takje raakte mijn lippen aan terwijl ik om de hoek keek en ontdekte dat de dief weg was.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen