Foto bij 021 - Fíli

Fíli lag al een paar uur in het hoge gras. Hij kon niet slapen, maar hij was al zeker niet van plan om terug te gaan. Desnoods lag hij hier de hele nacht naar de sterren te staren.
Hij schrok op toen in de verte het gehuild van een wolf klonk. Snel werkte hij zich zover overeind dat hij net boven het gras uit kon kijken. Er was niets of niemand te zien in zijn omgeving.
Toen het doordringende geluid opnieuw klonk, twijfelde hij een paar seconden om op te staan en terug te lopen. Hij schudde zijn hoofd en klemde zijn kaken op elkaar. Stel dat hij aangevallen werd... Dan zouden ze tenminste beseffen wat ze met hem deden door hem altijd de schuld te geven. Fíli keek naar de grond en schudde opnieuw zijn hoofd. Het was een rare gedachte.
Zonder op te staan, probeerde hij zijn zwaard uit de schede te trekken. Hij wankelde en leunde tegen de aarde onder het gras om niet om te vallen. Het gehuil klonk voor de derde keer, opnieuw dichterbij leek het. Fíli stond snel op en keek om naar de richting waar het kamp was. Vanaf hier kon hij de grotten waarin ze woonden niet zien. Langzaam begon hij te lopen. Bij iedere stap keek hij behoedzaam om zich heen.
Voor zijn gevoel zou de achtervolging beginnen, zodra hij zijn pas versnelde. Als hij begon te rennen, konden de wargs hem makkelijk horen en zien.
En ruiken. Dat konden ze sowieso al, besefte hij.
Dit keer klonk het gehuil vlak achter hem. Fíli zette het op een lopen. Terwijl hij rende bedacht hij zich dat hij zo iedereen in het kamp in gevaar bracht. Maar het was de enige kans voor hemzelf.
Toen de eerste grotten in zicht kwamen, durfde hij een blik over zijn schouder te werpen. Hij schrok. Niet meer dan drie meter achter hem rende een warg. Door zijn eigen hijgende ademhaling, hoorde Fíli de voetstappen van het beest niet. Hij richtte zijn blik op de grot voor hem en probeerde nog iets harder te rennen. Hij negeerde de steken in zijn zij.
De grot was nog ver. Minstens honderd meter. De rest van het kamp was nog verder weg.
Vlak achter hem stootte de wolf een gehuild uit. Onwillekeurig voelde Fíli het kippenvel op zijn armen verschijnen. Maar dat gevoel was niets vergeleken bij de poot die hem in zijn rug duwde. Hij struikelde voorover en belandde met zijn gezicht tegen de vochtige aarde. De hijgende ademhaling van de wolf overstemde die van hemzelf.
Fíli kneep zijn ogen stijf dicht om het monster niet te zien, en tastte naar zijn zwaard. Het lag iets voorbij zijn gezicht. Terwijl er een warme, vochtige adem in zijn nek blies, lukte het hem net om zijn vingers rond de knop te sluiten. Hij bewoog zo min mogelijk toen hij het zwaard naar zich toe trok. Voor hij het ver genoeg had om het stevig vast te pakken, ging er een plotselinge pijn door zijn rechterbovenarm.
Fíli schreeuwde harder dan hij wist dat hij kon schreeuwen. De rest van zijn omgeving leek te vervagen. De pijn was het enige wat er nu nog echt was. In een flits opende Fíli zijn ogen en keek om. De tanden van de wolf zonken diep weg in zijn bovenarm. Het beest trok zijn hoofd omhoog zonder zijn kaken te openen.
Het scheurende geluid leek onwerkelijk. Net als de rode massa waarin zijn arm veranderde.
De pijn was maar al te echt. Tot het zwart werd voor Fíli's ogen.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen