Foto bij 18 - The Island of Yore

Waaaaaaaaaaah, ik upload steeds zo laat:(

En ik heb echt weer verschrikkelijke internetproblemen, dus ik dacht: nou dan upload ik wel als ik op de uni ben. Toen vergat ik dat het pinksterweekend was.............................en mijn weekend donderdagavond al begon. Ach ja, hier is het alsnog :p

      "Wauw... Kijk naar die mist..." Arvellon staarde naar de dikke wolken voor ons op het water en pakte voorzichtig mijn hand vast. Ik knikte, er viel niet doorheen te kijken, doch wist de begeleider van de boot precies hoe we moesten varen.
      Het was nu vroeg in de ochtend, dus tegen de tijd dat we aan zouden meren, zou de zon alweer fel schijnen. Ik vroeg me wel af hoe het eiland eruit zag, gezien het al jarenlang van de buitenwereld lag afgezonderd. Zouden er mensen wonen? Of elven wellicht? Als Evroin er een leger bouwde, zou er toch iets moeten zijn waarmee hij dat leger kon vullen?
      "Weldra komen we aan, jonge reizigers." De stuurman stuurde behendig met het roer, waarna we de dikke wolken mist passeerden en het eiland in beeld kwam. Arvellon en ik keken verrast op toen we zagen hoe mooi het eruit zag. Het was ook echt een afgezonderd eiland, zo buitenlands zag het eruit, hoewel de natuur duidelijk meer land had geclaimd dan de bewoners ervan.
      Toen we aankwamen, zei de schipper ons nog vaarwel, waarna we ons eigen pad mochten volgen. Voorzichtig begonnen we dus aan onze eigen weg, onwetend wat ons stond te wachten.
      Nadat we een tijdje dwaalden door het barre landschap, zagen we een blauwe vlag in de verte. Enthousiast wees Arvellon ernaar, blij dat we de eerste tekenen van beschaving hadden gevonden, maar toen werden we opeens omsingeld door een groep bewapende personen.
      Snel keek ik rond me om ze te identificeren, maar voordat ik een van hen direct aan kon kijken, moest ik mijn zwaard al trekken om mezelf te verdedigen. Door al die aanvallen op ons de laatste tijd, was ik erg sceptisch tegenover al die gewapende figuren geworden. De eerste twee schaduwen kreeg ik van me af, maar toen Arvellon haar boog trok, leek het alsof ze extra alert werden. Direct werden we ruig en behendig vastgepakt en van onze wapens gescheiden, waarna we door onze belagers werden meegesleurd naar hun hoofdkwartier.
      Eventjes keek ik met een stomme grijns naar Arvellon, waardoor ze me een tikkeltje chagrijnig aankeek. Dat was al de tweede keer deze week dat we werden afgevoerd als een stel misdadigers, terwijl we enkel op bezoek waren. Veel tijd om aan de touwen gewend te raken, hadden we niet, want we werden meteen in een kar gepleurd, waarna we zo verder reden naar hun stad. Daarbij hadden ze ons ook nog met onze gezichten tegen het hout neergepleurd.
      "Nou, zo komen we wel snel in het centrum," grapte ik ongemakkelijk, waarna Arvellon maar halfhartig toegaf dat dat inderdaad zo was, geen zin om nogmaals tegen te stribbelen.

      Het duurde niet lang voordat we in Dorei aankwamen, waar ik toch wel even moest opkijken van de oude architectuur. Het leek wel op hoe mijn vader de oud-elfse gebouwen beschreef, behoorde dit eiland tot een oude elfse bevolking? De stadsmuren waren oud en vervallen, maar er was een duidelijk elfs design te zien. Op de vlaggen stonden draken afgebeeld, maar ook de gebouwen waren met de grote wezens versierd.
      "Wat is deze commotie buiten de tempel?" Een tweetal personen leek uit een gebouw naar ons te komen, waarna ze bijna voor ons gingen staan.
      "Sarya, Erlhathan, wij vonden deze twee relschoppers aan de kust. Ze waren bewapend en openden direct aanval nadat wij hen wilden aanspreken."
      "Aanhangers van Ehtmordon? Dan moeten we heer Lhaindir waarschuwen.", klonk een jonge vrouwenstem, waardoor Arvellon opeens opkeek. Ze probeerde om te draaien, maar de touwen weerhielden haar daarvan. Alsnog probeerde ze zo rechtop mogelijk te zitten, waarna ze sprak, "Spreekt u over Lhaindir Glingaeron?"
      "Het meisje kent zijn naam?" De jongen van het duo klonk verrast, waarna hij richting ons liep en de anderen commandeerde, "Maak ze los, ik wil hun gezichten zien."
      Direct werden de touwen losgesneden, waarna we uit de kar konden stappen. De jongen keek aandachtig naar Arvellon, "Wat weet jij nog meer over onze verlosser? Wat zijn je plannen op dit eiland?"
      "Ik ben Arvellon Glingaeron, zus van Lhaindir Glingaeron en prinses van Rhosgeth. Ik ben hier om hem te bezoeken en hem te verzoeken zijn leger met het onze te voegen, om zo samen te vechten tegen de krachten van Ehtmordon."
      "De zus van... Sarya, wat denk jij?" De jongen keek naar het meisje, waarna ze knikte, "Laat haar Lhaindir zien, als er iets gebeurt, zijn wij er altijd bij." Ze wenkte naar Arvellon, waarna ze de trappen van de tempel op liepen.
      "Um, ik ben Cadeyrn, uit Yulor. Ik zou graag verzoeken-!"
      "Enkel het elvenmeisje mag naar binnen. Voel je vrij de stad te verkennen totdat ze terug is." De jongen keek me een tikkeltje streng aan, alsof mijn menselijkheid het enige was wat mij weerhield van het betreden van de tempel, waarna hij omdraaide en terug naar binnen liep.
      Voordat ik erachteraan kon lopen, hoorde ik opeens een laag gegrom en werd ik bijna omvergeblazen door een harde windstoot. Toen ik mijn ogen weer opendeed, werd mijn pad geblokkeerd door een heuse draak, waardoor ik toch wel achterover tuimelde. Een tikkeltje sinister keek hij me aan, maar vanuit de bovenste kamer van de tempel, klonk een stem waardoor de draak kalmeerde.
      Ik keek op naar de jongen, die vanuit zijn toren de draak leek te temmen. Hij had blond haar en groene ogen, dezelfde combinatie als Arvellon. Was dat haar broer? De manier waarop hij tegen de draak sprak, deed me eraan denken dat hij de baas ervan was. Ergens kwam hij me toch bekend voor, vooral de manier waarop hij naar de grote hagedis keek. Echter toen ik hem wilde aanspreken, draaide hij opeens om, waardoor de draak weer zijn kans nam om mij te plagen en mijn haar naar achteren te blazen.
      Als een idioot staarde ik stom naar het beest, maar toen hij een bijna sarcastisch hapje naar me nam, besloot ik hem maar met rust te laten. Ik nam maar wat extra afstand en begon aan mijn tour om de stad te verkennen. Maar alsnog herkende ik die jongen ergens van, en daarbij voelde ik dat ik toen geen goede eerste indruk had gemaakt.

Brithuns POV
      "Wil je misschien nog iets te drinken?" Tante Arneth kwam nog eens met de kan langs, dus liet ik haar mijn glas weer vullen. Zelf was ik verdiept in de vele landkaarten die er in onze bibliotheek lagen, om er zelf een gedetailleerdere versie van te schetsen. Na nog wat krasjes, frommelde ik het papier op en gooide ik het weer weg, waarna ik een nieuwe scrol pakte en de grenzen opnieuw overtrok.
      "Lukt het, jongen?" Tante Pephie kwam naast me zitten, waarna ze naar mijn weggeworpen krabbels keek, "Een schatkaart?"
      "Nee, ik probeer de snelste route mogelijk te bedenken, vanaf Bal Kolduhr naar hier." Zodra ik het zei, lachte ze zachtjes, waardoor ik besefte dat ik haar grapje serieus had genomen. Ongemakkelijk liet ik ook wat haha's horen, waarna ik mijn vijfde kaart van de dag tevoorschijn haalde. Ze keek over mijn schouder mee en liet haar vinger over de uitgegomde groeven glijden, "Het is sneller om gewoon rechtdoor het bos te gaan, zo ging je moeder ook altijd naar Yulor."
      "Klopt... maar dit is niet voor mij. Rophrax bestaat tegenwoordig uit een groot leger, maar zij weten niet hoe ze in Eryneth moeten komen. Ik probeer de snelste weg naar hier te vinden, op de snelste en efficiëntste manier. Het bos is veel te dik om doorheen te marcheren."
      "Dan kun je het beste via het mensenrijk komen." Ze pakte een zilverstift en tekende de route uit, "Vooral in Yulor zijn er brede, betegelde paden. Die moet je volgen tot aan de kust, vanaf daar kun je nog redelijk snel naar de stadsmuren komen. Er is een groot open veld tussen het einde van de kust en waar het bos begint. Dit is niet al te ver van het kasteel, daar zal waarschijnlijk ook het slagveld plaatsvinden, stel dat Ehtmordon aanvalt. Het beste is dus om je daar te verzamelen, zo houden we hem ook buiten de stad. Stel dat de troepen van Nythena Dorei aanmeren, komen zij vanaf de andere kant in dit gebied, waardoor we Ehtmordon effectief insluiten."
      Ik keek met grote ogen toe hoe ze alles uitstippelde, waarna ik blij knikte, "Dat is geweldig, dank u wel! Als Ehtmordon dreigt te komen, zal ik mijn uil los laten met deze kaart. Mijn leger zal direct vertrekken als zij mijn toestemming ontvangen."
      "Dat is mooi, wij zullen jullie mankracht nodig hebben als er een oorlog komt." Tante Arneth schoof nog wat gebakjes voor en schoof zich bij ons aan, waarna tante Pephennas zuchtte en uit het raam staarde, "Maar hoe gaan we Lhaindir en zijn leger terug aan wal roepen? Een schipper sturen, duurt te lang. We hebben geen uilen en hoe dan ook, het lijkt onmogelijk dat we ze op tijd hier zouden krijgen."
      "Nee... Nee, wij hebben wel degelijk een waarschuwingsmechanisme, Pephennas." Arneth stond weer op, waarna ze naar ons wenkte en we uit de bibliotheek stapten. Nieuwsgierig volgden we haar tot aan de wachttorens toe, waarna we bij een grote kooi kwamen. Daarin zat een prachtige vogel, een stevige adelaar, met een paars lint om zijn poot. Ik was verwonderd door het prachtbeest, maar tante Arneth moest er alleen maar om glimlachen, "Die adelaar op ons wapenschild staat niet alleen voor onze vrijheid en onafhankelijkheid van de rest van het koninkrijk. Hij is wel degelijk onze redder in nood. Vroeger waren deze vogels onze enige manier om snel contact te kunnen leggen met het eiland."
      "Zullen ze ons nog wel begrijpen als we die vogel sturen? Wij hebben al jaren geen contact meer met hen." Pephennas zuchtte, waarop Arneth op haar lip beet, "We moeten er maar op gokken, desnoods plakken we er een briefje aan. Lhaindir zal het heus wel begrijpen als we zoiets opsturen."
      "Inderdaad, we moeten ons eerst maar focussen op hoe we een hele vloot kunnen laten aanmeren..." Ik keek vanuit de toren naar de kleine haven, waarna ik met mijn hoofd schudde, "Daar gaan ze nooit op komen, niet in een korte tijd, in ieder geval."
      "Ik zal het dek laten verbreden. Je bent al net zo tactisch en ondernemend als je vader, maar je weet je prioriteiten goed te stellen, net zoals je moeder." Arneth glimlachte en aaide me over m'n bol, iets waar ik als twintiger nog best van kon genieten. Vooral nu ik eindelijk mijn familie had teruggevonden. Met een glimlach knikte ik, "Dank u, ik zal mijn best doen om Eryneth te beschermen. Nu ik mijn thuis heb teruggevonden, wil ik het niet nogmaals verliezen."
      "Ach, Brithun." Mijn tantes keken me verwonderd aan en gaven me een knuffel, waardoor ik direct een stuk gelukkiger werd. Ja, als Ehtmordon deze stad zou aanvallen, zou ik mijn alles geven om hem terug te winnen. Ik was niet de enige die wraak op hem zocht, maar dat betekende niet dat mijn wraak niet zoet zou zijn.

Reacties (2)

  • katl1

    Snel verder please!!!!!

    6 jaar geleden
  • ProngsPotter

    Ohh mooi!!!
    Gauw verder!!!

    6 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen