De heer van Talei, beter gekend als De Raaf, stond voorovergebogen over een kaart van Drumgard, de stad die hij nu al bijna een week belegerde. In die tijd had hij de stad nog geen enkele keer aangevallen, maar had hij doelbewust het moreel van de stad ondermijnd. Hij wilde de stad breken nog voor het tot een echt gevecht zou komen. Hij stuurde zijn officieren, die ook rond de kaartentafel stonden, weg uit zijn tent. Ze hadden het grondplan zorgvuldig bestudeerd, op zoek naar een zwakke plek in de verdediging. Met een zucht ging hij in zijn gemakkelijke stoel zitten. Het was een behoorlijk dure stoel, met leren bekleding en prachtig uitgesneden houtwerk. Degene die deze stoel gemaakt had, was een vakman, dat zag je zo. Raven had een zwak voor dit soort vakmanschap, hij hield van kunst en mooie dingen. Maar dat was dan ook zowat het enige waar hij om gaf. Dat hij nog geen openlijke aanvallen had ondernomen, betekende allerminst dat hij gaf om de levens van zijn mannen, integendeel. Voor hem waren ze gewoon getallen, hij was een praktische man en dacht rationeel na. Als hij er beter van zou worden zou hij zonder aarzelen alle levens van zijn mannen offeren. Maar op dit moment zou hem dat geen stap verder helpen. Het zou te veel levens kosten om Drumgard met frontale aanvallen te veroveren, en bovendien was zijn succes dan nog niet verzekerd. Natuurlijk waren zijn soldaten niet zomaar de eersten de besten. Neen, dit waren vechtmachines, nauwelijks nog mensen te noemen. Gelukkig hield zijn meester ze in bedwang, hij moest er niet aan denken wat ze anders met hem zouden doen. Hij kreeg nog steeds de rillingen als hij aan die bewuste nacht terugdacht... De graaf was van Talei was een dor en door slecht mens, daar viel niet over te discussiëren, maar zelfs hij had gevoeld dat deze wezens niets menselijks meer hadden. Ze waren door en door slecht, het kwaad in pure vorm. Hij wist nog steeds niet hoe ze het precies voor elkaar gekregen hadden. Onwillekeurig dacht hij weer terug aan die angstige nacht, want ja, hij was bang geweest. Angst zoals hij die nog nooit gevoeld had. En toch stond hij nu hier, aan het hoofd van die monsters. Die wangedrochten zouden de hele stad afbranden als ze de kans kregen! Stel je voor, al die huizen, en natuurlijk het prachtige paleis met de beroemde bibliotheek. De mensen die daarbij het leven zouden laten, konden hem niet echt schelen, maar die schaten aan kunst en informatie... Dat was voor hem gewoon heiligschennis. Hij had zich vaak afgevraagd waarom hij er toch in had toegestemd om met dat wezen samen te werken... Ik wil iedere inwoner van de stad dood binnen de komende twaalf uur. De graaf sprong recht uit zijn stoel van de schrik. Langzaam kwam hij tot rust en liet zich weer in zijn stoel zakken. Hij was het nog steeds niet gewend. Toen hij een verbond met De Zwarte Ridder had gesloten, was dit een deel van de overeenkomst geweest. Hij had de hand van de man moeten vastnemen, en hem moeten toelaten in zijn hoofd. Hij wist nog steeds niet hoe de man het deed, maar dat hij het kon, wist De Raaf ondertussen zeker. Op het moment zelf had hij het afgedaan als een belachelijk ritueel. Die Zwarte Ridder zou wel weer een of andere gestoorde sekte uit de grond stampen met de bijbehorende prietpraat.. Dat van die sekte was er nog niet zo ver naast geweest, vond hij, maar hij had al snel gemerkt dat het heel wat echter was dan hij had gewild. Ten pas en ten onpas liet de geheimzinnige man van zich horen. Zonder aankondiging. In het begin probeerde hij nog terug te seinen, of hoe je het ook moet noemen, maar het was hem al snel duidelijk geworden dat de man enkel iets zei als het hem uitkwam. En dat was dan meestal als Raven weer een klusje voor hem moest opknappen. Maar ja, zolang de man zijn belofte zou nakomen en hem weer een machtig man zou maken, nam hij dit 'ongemakje' er graag bij. En als de tijd er rijp voor was zou Raven wel iemand vinden om zich van zijn meester te ontdoen. Het was een machtige man, zoveel was zeker, maar zelfs hij was sterfelijk, toch? Maar dat waren zorgen voor later. Hij stond op en liet zijn officieren weer bij zich roepen en bracht alles in gereedheid voor de komende slachting. Maar voor het zover was hadden zijn infiltranten nog een verrassing voorbereid.

"En waar zeiden jullie ook al weer dat jullie moeder was?' vroeg Rafael aan de tweeling. "Wel we dachten dat ze rond dit uur van de dag wel hier zou zijn, maar blijkbaar heeft ze vertraging." De drie zaten op de galerij boven de eetzaal en keken naar beneden. Het was druk in de eetzaal, maar de stoel van vrouwe de la Rivière was leeg. "Misschien eet ze op haar slaapkamer", opperde Timmy. Sinds de dood van Emile kwam ze niet vaak meer naar buiten, enkel voor haar twee jongens, en nu die ook nog eens weg waren... Aan de andere kant kon het ook zo zijn dat niemand hun verdwijning in de gaten had, het gebeurde wel vaker dat de jongens even verdwenen. Zo lang waren ze trouwens ook niet weg geweest, toch? Maar met die Rafael wist je het natuurlijk nooit. Rafael zuchtte. "Naar de slaapkamer dan maar." De jongens gingen hem voor, maar toen ze bij de trap kwamen om van de galerij af te dalen, botsten ze bijna op hun moeder die de trap opkwam. Iedere andere persoon had hun gewoon kunnen voorbijlopen zonder iets te merken. Maar toen de jongens hun moeder herkenden, loste de illusie gewoon op. "Mams!" klonk het in koor. De vrouw schrok toen de twee jongens plots als vanuit het niets op haar afsprongen. Maar vlak voor de jongens haar wilden omhelzen bevroren ze plots. Er hing een rare aura om haar heen die hen ongerust maakte en deed verstijven. Nu pas zagen ze de pikzwarte ogen, zonder duidelijke overgang tussen pupil en iris, en het diepzwarte haar. Het haar van hun moeder was altijd al zwart geweest, maar dit was een ander soort zwart. Het leek hen op te slokken, het was alsof ze in een bodemloze put keken, en die ogen. "Opzij!" schreeuwde Rafael. De jongens waren te verbaast om te luisteren, maar vlak na die woorden werden ze opzij gesmeten door die rare, onzichtbare kracht. En net op tijd. Het wezen dat eens hun moeder was geweest, stak een zwaar mes in de ijle ruimte waar Ricardo net had gestaan. Hun moeder keek Rafael kwaad aan, en sprong met een brul op hem af. De vrouw sprong met een onvoorstelbare kracht en midden in de vlucht veranderde de zware brul in een ijzingwekkend hoge gil. Rafael schrok en reageerde te laat. Het monster dat duidelijk hun moeder niet meer was, raakte Rafael met haar uitgestoken handen op de borst en duwde hem tegen de grond. Het grote mes drong naar binnen in zijn borst. Nee, niet opnieuw, dacht Rafael, en vlak voor het mes zijn hart doorboorde, werden Rafaels ogen diep grijs en het monster bevroor, met de dolk slechts een halve centimeter van zijn hart verwijderd. Verbijsterd keek het monster hem aan terwijl het grijs verkleurde en in brokken uit elkaar viel. De grijze brokken vielen op de grond en verkorrelden. De tweeling zat met hun ogen en mond wijd open toe te kijken, helemaal in shock. Rafael leek even rood op te gloeien, het mes veranderde in een hoopje as en de wond in zijn borst sloot zich. Rafael draaide zijn hoofd om en sprak met een stem die veel te rustig was voor de situatie: "Tijd om te gaan jongens."

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen