In een ver verleden leefden er eens twee goddelijke broers: Rust en Orde. Ze waren niet alleen broers, maar ook beste vrienden. Ze deelden al hun geheimen, al hun ideeën. Ze waren twee handen op één buik, totdat alles veranderde.
Rust, de oudste van het duo, werd generaal bij het leger zonder dit te bespreken met zijn broer. Orde was woest. Niet omdat hij Rusts beslissing had willen belemmeren, maar wel omdat zijn broer hem buiten had gesloten.
Rust en Orde groeiden langzaam uit elkaar. Terwijl Orde zich toelegde op wetenschap en literatuur, waagde Rust zijn kans in verscheidene oorlogen. Orde bleef de jongen die hij altijd geweest was, maar rust veranderde. Hij werd hoogmoedig, ijdel en verwierf nog een paar andere slechte kwaliteiten. En toen de kans zich voordeed, greep hij de macht.
Alles wat Rust ooit geweest was, was verdwenen als sneeuw voor de zon. Hij was zijn verstand verloren, en deed er alles aan om zelf een luxeleventje te leiden, terwijl hij het gewone volk uitbuitte. Ook Orde leed onder het koningschap van zijn broer. Hij nam een drastische beslissing: hij zou Rust van de troon stoten.
Dagenlang – nee, correctie: maandenlang – vochten de twee goden tegen elkaar in uitputtende strijd. Uiteindelijk won de rede van Orde het van de zucht van Rust. Orde vermoordde zijn broer en nam de goddelijke eigenschap – de rust – van hem over.
Het volk juichte voor Orde (die nu ook een deel van Rust met zich droeg). Ze wilden hem aan de macht. En zo zij het: Orde kwam aan de macht. Hij was een goede koning voor een paar jaar, maar op een gegeven moment begon hij te merken dat ook hij niet meer zijn vertrouwde zelf was. De orde van zijn gedachten veranderde in een warrige samenhang. Als hij niet op zou passen, zou zijn orde uitmonden in chaos, zoals de chaos ook de rust van zijn broer verorberd had.
Om te voorkomen dat hij zichzelf verloor in de macht, verwijderde Orde zichzelf van de wereld. De twee goddelijke eigenschappen die hij met zich droeg, verdwenen met hem mee; de wereld veranderde in een plek vol oorlog, verdriet, geweld, willekeur en chaos.”

Milo keek naar de letters die voor zijn ogen op het computerscherm dansten. Hij had ze zonet getypt, maar kon zich amper iets van deze daad herinneren. Het leek wel of zijn onderbewustzijn zijn verstand even aan de kant had geschoven om dit te kunnen schrijven. Aandachtig las Milo zijn schrijfsel na. Hij was niet tevreden over de opbouw. Bovendien was dit niet iets wat hij zou schrijven. Dus selecteerde hij de tekst en drukte hij onherroepelijk op de deleteknop.
Net op het moment waarop zijn ogen staarden naar het lege document, hoorde hij zijn moeder roepen. Milo, die er niet van hield om gestoord te worden, sloot de deur van zijn slaapkamer en focuste zich weer op zijn verhaal. Wat zijn moeder hem ook te vertellen had, het stond niet op zijn planning. Van twee tot drie zou Milo bezig zijn met zijn schrijfopdracht voor het vak Nederlands, of zijn moeder dat nu wilde, of niet.
Milo was altijd een geordend persoon geweest. Hij hield er niet van als hij geen houvast had door een soort van planning – zelfs al was het enkel een planning die zich in zijn hoofd bevond. Hij kon er niet tegen om gestoord te worden. Ook hechte hij veel belang aan regelmaat. Als hij één keer van vier tot zes studeerde, zou hij iedere dag van vier tot zes studeren. Leerkrachten vonden Milo een modelleerling, terwijl de andere leerlingen hem aanschouwden als één of andere freak, een buitenstaander.
Milo had geen vrienden. Dat had hij ook niet nodig. Ze zouden enkel in de weg staan van zijn rustige leven. Hij moest er niet aan denken om ook nog eens te plannen wanneer hij met vrienden uit moest gaan. Alles zou een warboel worden. Een grote chaos.
Zijn moeder riep nogmaals. Haar stem klonk dichterbij. Milo had het moeilijk met het buitensluiten van haar scherpe woorden.
Ze stond vlak voor zijn deur. Milo zuchtte en typte verder aan zijn schrijfopdracht. Zijn moeder was slechts bijzaak. Niets bijzonder.
‘Er is iemand die je wil spreken.’ Milo’s handen bleven boven het toetsenbord van zijn oude computer zweven. Hij hoorde zijn hart in zijn keel bonken. Iemand die hem wilde spreken? Wie? Er stond geen 'iemand die hem wilde spreken’ op zijn planning. Waarom bleven mensen toch zo koppig vasthouden aan willekeur? Waarom konden ze niet mooi waarschuwen voordat ze iets deden, zodat Milo het in zijn planning kon verwerken?
Moeizaam kwam Milo overeind. Hij had lang stil gezeten. Eigenlijk was het te vroeg om op te staan. Een wandeling stond pas na zijn huiswerk op het schema.
Hij draaide de sleutel van het slot. Zijn moeder keek hem verdwaasd aan. Ze had duidelijk niet verwacht dat hij open zou doen. ‘Wie is daar?’
‘Een of andere jongen van je klas,’ antwoordde ze. ‘Hij zegt dat jullie een afspraak hebben. Hij wil iets gaan drinken, zegt hij.’ Het feit dat er iemand bestond die überhaupt iets met Milo wilde drinken leek zijn moeder van slag te brengen.
‘Ik heb geen afspraak,’ zei Milo.
‘Moet ik hem zeggen dat…’
‘Oi, oi!’ De zin van Milo’s moeder werd ruw afgekapt door een jongen die achter haar was verschenen. Hij duwde haar niet al te subtiel uit Milo’s zicht en leunde tegen de deurstijl van Milo’s slaapkamer.
De jongen had blond haar dat warrig voor zijn ogen vielen. Zijn kleren hingen slordig rond zijn lichaam. Alleen al aan zijn verschijning kon Milo zeggen dat hij hem zou haten. Hij had een allergie voor dit soort mensen. Maar wat hem het meest stoorde, was dat hij deze jongen niet kende. Een klasgenoot, zei hij… Milo had hem nooit eerder in de klas gezien.
‘Wie ben jij?’ vroeg hij argwanend.
De jongen nam Milo’s hand in de zijne en trok hem vooruit. ‘Dixon. Wij gaan samen plezier maken.’ Milo kreeg geen kans om te protesteren. Dixon sleurde hem tegen zijn zin mee naar buiten. Zoals beloofd gingen ze samen iets drinken. Milo hoopte dat het daarbij zou blijven, maar de volgende dag stond Dixon wéér voor zijn deur.
Iedere dag was het hetzelfde liedje: Dixon zeulde Milo mee naar buiten alsof het de normaalste zaak van de wereld was. In het begin verzette Milo zich. Hij wilde niks te maken hebben met een onordelijke rebel als Dixon. Na een tijd begon hij echter te beseffen dat de uitjes met deze mysterieuze jongen lang niet zo erg waren. Dixon kwam altijd rond hetzelfde tijdstip; daardoor kon Milo de uitstapjes makkelijk inplannen.
Maanden passeerden en Dixon en Milo groeiden steeds dichter naar elkaar toe. Voor het eerst in jaren durfde Milo te zeggen dat hij een vriend had. Maar er zat ook een keerzijde aan het hele verhaal. Milo’s orde ging verloren in Dixons chaos.
Dag in, dag uit… Milo’s gedachten zaten altijd bij Dixon. Zijn planning liep in de war. Zijn notities waren één grote puinhoop. Zijn schoolresultaten gingen er zien der ogen op achteruit. Zijn gedachten waren een warboel van losse ideeën die hij aan elkaar probeerde te breien zonder een rode draad te hebben.
Zijn leven was chaos.
Terwijl hij dacht aan een manier op zijn leven weer op orde te stellen, hoorde hij geklop aan de deur. Dixon zwierde de deur open zonder Milo’s toestemming af te wachten en plofte naast hem neer op het bed. ‘Zeg, Milo,’ zei hij nonchalant, terwijl hij zijn arm over Milo’s schouder zwaaide. ‘Ben je verliefd op mij?’
Milo kon wel door de grond zakken van schaamte. Er verscheen een felrode blos op zijn wangen en hoe hevig hij zich ook verzette, hij kon het niet ontkennen. Hij had geen ervaring met liefde, maar wat hij voor Dixon voelde, zou wel eens liefde kunnen zijn. Iedere keer wanneer hij hem zag, sloegen zijn gedachten op hol. De verandering die zich voor had gedaan in zijn leven, was door Dixons toedoen.
Was dat echte liefde?
Dixon maakte zich los van Milo en ging voor hem staan. Hij torende boven Milo uit. Op zijn gezicht speelde een ziekelijke lach. Zijn ogen straalden een dreiging uit die Milo maar met een woord kon beschrijven: waanzin.
‘Ik wist wel dat je verliefd zou worden,’ zei Dixon zelfzeker.
Onbewust gingen Milo’s gedachten terug naar het verhaal wat hij een paar maanden geleden had geschreven en gewist. Het verhaal over Orde en Rust. Het verhaal over Chaos, en hoe die gevormd werd. Waarom dacht hij daar nu opeens aan? En waarom kon hij het verhaal niet langer uit zijn gedachten bannen? Waarom had hij het al die tijd kunnen verdringen en kwam het nu hardnekkig terug?
‘Jij hebt mij omgevormd tot Chaos,’ zei hij, gevolgd door een krankzinnig lachje. ‘En nu heb ik hetzelfde gedaan met je ooit zo ordelijke leventje, mijn oude vriend Orde.’

Reacties (1)

  • Queen_Margaery

    Wat ontzettend leuk geschreven! Het einde zorgde ervoor dat het verhaal zich heel mooi aansloot! Heel creatief!

    7 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen