Foto bij 10 • Juwelen uit de geschiedenis

Vanaf het moment dat het ochtendlicht had aangebroken en Thranduil zijn ogen had geopend, spookte het al door zijn hoofd. De koning had spijt van zijn strenge woorden tegenover zijn vrouw. Het liefst zou hij zijn woorden hebben teruggenomen, maar wat gezegd is, is gezegd. Meer dan alles wilde hij haar de vrijheid geven om te reizen, de wereld te zien en haarzelf terug te vinden, maar hij wilde haar niet verliezen. Zijn bezorgdheid sloot haar op en al was het een gelukkige opsluiting met het mooiste dat hen ooit was overkomen, toch wist hij dat ze terug wilde naar de tijd waarin zij haar vrijheid had. Thranduil wilde zijn excuses maken, maar deze keer niet met woorden, maar met een daad. Alles had hij voor haar over, voor haar zou hij dagen door zeeën van vuur lopen en honderden draken te lijf gaan. Hij wilde haar overladen met de meest schitterendste sieraden en de prachtigste bloemen die hij kon bemachtigen. Hij wilde haar iets schenken, iets dat haar schoonheid liet stralen net als de schitteringen in haar ogen wanneer zij lachte, schitteringen feller dan de sterren aan de hemel op een heldere, zomerse nacht. Iets dat haar glimlach meer deed stralen dan de zon. Want zo zag hij haar het liefst; gelukkig.
'Liefste,' klonk een stem en Thranduil keek op. Hij zat op de rand van het hemelbed. De deur van het slaapvertrek stond op een kier en Elithien keek nieuwsgierig naar binnen. Legolas stond aan haar voeten en glimlachte naar zijn vader. Giechelend rende het jongetje op hem af en omhelsde zijn benen. Thranduil tilde Legolas hem op en zette hem op zijn schoot neer. Toen keek hij op naar zijn vrouw en glimlachte. 'Ik zal er vandaag niet zijn, liefste. Ik heb wat zaken te regelen met de dwergen in de eenzame berg. Ik zal pas laat terugkeren.'
Ze knikte begrijpend en riep haar zoontje bij zich. 'Dan zie ik je wel weer verschijnen, wees voorzichtig.' Ze glimlachte nog een laatste keer en sloot toen de deur achter zich dicht. Thranduil stond zuchtend op van het bed en liep naar het raam toe. Het was een prachtige dag voor een ritje. De zon scheen fel en op een aantal wolken na was de lucht strakblauw. Thranduil trok zijn kraag recht en draaide zich om. Met wijde passen liep hij de gangen door, de trappen af, richting de kerkers. Want niet alleen tralies waren daar te vinden. In het diepste der aarde bevonden zich de rijkdommen van het koninkrijk. Thranduil wuifde zijn wachters weg en trad binnen. De kamer was groot en het lag vol met juwelen en goud. Hij liep naar de achterkant van de kamer, waar in een hoek een kistje op een stuk steen lag. De schatkist van Thingol, doorgegeven door de elven en op een punt in de handen gevallen van Oropher. Voorzichtig opende hij de kist. De deksel viel open en een pracht verwelkomde zijn blik. Schitterende juwelen van puur sterrenlicht lagen parelend in het oude houten kistje. Thranduil glimlachte en bedankte Thingol voor zijn hebberigheid. Hij pakte de kist onder een arm en verliet de ruimte. Hij riep zijn mannen en maakte zich klaar voor vertrek. Met vier van zijn trouwe wachters te paard trok hij het bos in. Al had hij geen haast, toch spoorde hij zijn eland streng aan. Het was een lange tijd geleden dat hij de dwergen een bezoek had gebracht en het was niet een van zijn liefste gebeurtenissen, maar voor zijn geliefde koningin had hij alles over. Bij de rand van het bos aangekomen, volgden Thranduil en zijn mannen Long Lake richting de Eenzame berg, dat vanaf ver al te zien was. Daar waar de rivier uitmondde in een enorm meer hielden ze halt. Thranduil keek uit over het meer en kon de ingang van Erebor aan de voet van de machtige berg zien liggen; groot en overweldigend, gehouwen in de bergwand. Het water van het meer was fris en helder, zo helder dat hij de vissen erin kon zien zwemmen. De vissers van Dale waren actief met de boten bezig om zoveel mogelijk vis te vangen. Sommige wuifde toen ze vanuit de verte de elven konden zien lopen en Thranduil zou zijn hand heffen in een groet. Verderop lag een veerboot aan wal. De koning en zijn mannen stegen af en begaven zich naar het bootje toe, waar ze het mens aanspraken dat aan de kant stond. 'Beste heer, zou u mij misschien een dienst willen verlenen. Ik ben bereid elke prijs te betalen,' vroeg de koning vriendelijk aan de man.
De man keek hem onderzoekend aan. Zijn kledij zag er verslonst uit, maar de koning was altijd goed geweest voor de mensen dat bij Het Groene Woud woonden. Het was om die reden dat de man hem herkende en met oprechte ontzag antwoordde. 'Natuurlijk heer, het zou mij een eer zijn. Waar wenst u naartoe te gaan?'
De koning keek op naar hoge berg die in de verte naar de wolken reikte en de man knikte. 'Alstublieft, kom aan boord.' Thranduil en zijn mannen lieten de dieren achter bij de waterkant en klommen aan boort. Het bootje gleed geruisloos over het water. Enkel het geluid van de vogels boven hen was te horen. Zo nu en dan klonk er geroep van de vissers en groette het mens zijn collega’s. Thranduil keek opzij naar Dale, de stad van de mensen die levendig oogde. 'Hoe staan de zaken in uw stad, beste man,' vroeg hij nieuwsgierig, zonder zijn blik van de stad te wenden.
'Alles gaat zijn gangetje heer, er is niet veel veranderd sinds uw vorige bezoek.'
Thranduil knikte begrijpend. 'Mijn vorige bezoek was ook niet lang geleden,' grinnikte hij. 'Daar heeft u gelijk in,' gaf de man toe. Het was niet meer dan vijf jaar geleden dat Thranduil de stad had bezocht. Vijf jaar is enkel een oogwenk in een elfenleven, maar in een mensenleven is dat een erg lange tijd. Het was om die reden dat Thranduil eens in de vijf jaar een bezoek bracht aan de stad. Het duurde niet lang voordat de boot de overkant bereikte en de koning en zijn mannen uitstapten. Voordat de man weer wilde wegvaren, hield Thranduil hem tegen. 'Hier, neem dit voor de moeite,' sprak hij vriendelijk en overhandigde de man een zakje goud aan. Deze bedankte hem hartelijk en bood aan te wachten voor de terugkeer van de elfenkoning. Hier stemde Thranduil mee in en liep vervolgens de berg binnen. Erg spectaculair was het niet voor het oog. De dwergen hadden sinds het eerste tijdperk de mineraalvolle berg aan het meer ontdekt en er zat niet meer dan een grote kolonie aan manschappen onder de grond. Ondanks dat was Thranduil bekend met hun uitmuntende werkzaamheden met edelstenen en wapens. In de berg was het donker en vochtig, maar het pad waar zij over liepen was verlicht. De elven liepen vele trappen op en af, tot ze eindelijk bij een uitgeholde kamer kwamen, waar een stenen tafel stond. Een norse dwerg aan het hoofd van de tafel trok een wenkbrauw op bij het zien van zijn verschijning. 'Elvenkoning, wat is de reden van dit bezoek?' vroeg de knorrige man aan hem, terwijl hij zijn rug rechtte en de elf streng aankeek.
Thranduil glimlachte vriendelijk naar de dwerg en zette een stap naar voren. Zijn handen rustten ineengevouwen voor zijn lichaam. 'Gloron, hoofdman onder de berg, ik kom hier enkel vragen om een kleine gunst wat betreft mijn geliefde, Elithien, koningin van Het Groene Woud,' sprak de koning langzaam en wachtte op de reactie van de hoofdman. Thranduil was goed op de hoogte van de dwerg zijn voorliefde voor de elfenkoningin. Haar vriendelijkheid en loyaliteit jegens andere volkeren was bekend onder het dwergenvolk en zij zouden een gunst niet weigeren als het om haar ging.
'Ga verder,' sprak deze nu en wuifde met zijn hand.
'Ik wilde mijn vrouw een juweel geven, dat zij kan dragen om haar hals. Een ketting zo puur en schitterend als de sterren aan de hemel. Ik ben bereid elke prijs te betalen,' ging Thranduil langzaam verder. Hij hief zijn hand en een van zijn mannen stapte naar voren met de kist. Voorzichtig opende hij de deksel en toonde de dwerg de inhoud. Deze rechtte zijn rug en plukte aan zijn lange zwarte baard. 'U bent op de hoogte van onze meningen tegenover het handelen met elven? Een verzoek als dit was bij onze buren jaren eerder aangevraagd door een elfenkoning en dit was slecht afgelopen. Ik twijfel of ik jou hierin moet vertrouwen.'
Thranduil keek hem verrast aan. Hij wist waar hij over sprak. Het was de Nauglamír, een ketting ontworpen door dwergen. Het eerste juweel dat een vete startte tussen de dwergen en de elven, toen de dwergen het terug eiste van Thingol, de elfenkoning van Doriath, die het van een mens had ontvangen toen de ketting vermist was geraakt. Thingol weigerde het echter aan hen te geven en stuurde hen weg. Dit leidde helaas tot de dood van de elfenkoning. Natuurlijk wreekten de elven van het koninkrijk hun koning en vermoorden alle dwergen op twee na. Dit verhaal was rondgegaan en elke elf en dwerg wist hiervan. Thranduil haalde een keer diep adem en keek de koning kalm aan. 'Mag ik U eraan herinneren dat het mijn soort was die deze vete startte tussen het dwergenvolk van Nogrod in De Blauwe Bergen, maar het was niet mijn volk, het volk van Het Groene Woud, dat dit dwergenvolk heeft bedrogen. Mijn woord is alles wat ik U kan geven, maar ik houd mij altijd aan mijn woord. Zodra mijn vrouw het juweel heeft geaccepteerd, zal ik mijn schuld aan u betalen.'
De dwergenhoofdman keek Thranduil lang aan. Nadenkend tikte hij met zijn vingers tegen zijn harige kin en hield zijn ogen strak gericht op Thranduil. 'Goed dan. Ik stuur bericht naar Moria en zal uw verzoek aannemen, maar laat mij hier geen spijt van hebben.' sprak hij eindelijk. Thranduil boog zijn hoofd dankbaar en glimlachte. 'Dat zult u niet. U heeft mijn woord.'

Reacties (2)

  • EvilDaughter

    Awh, wat lief van Thandruil

    4 jaar geleden
  • Rhovaneth

    Mooi geschreven! Snel verder!

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here