Foto bij Hoofdstuk 21

OOps

''Laatst bijgewerkt een maand geleden''
Ik ben een in en inslecht mens

Daaaarom nu een stukje, en als ik ongeveer 3 of vier reacties of kudo's krijgvanavond nog een!!

Dan draai ik me met een ruk om. Dode bladeren horen niet in een dennenbos. Hier is een tribuut.
Het moment dat ik dit besef mist een grote stok nog maar net mijn hoofd. Wild draai ik me om en zie de vrouwelijke tribuut uit 9. Haar ogen zijn samengeknepen en ze haalt opnieuw naar me uit. Ik kan de dikke tak nog maar net ontwijken en besef dat ze niet in het wilde weg om zich heen slaat. Haar slagen zijn doelgericht en hard.
Ik spring weer opzij voor een nieuwe slag en grijp naar het dikke mes aan mijn riem. Ik weet dat ze het heeft gezien, haar ogen flitsten naar het scherpe zilver in mijn hand en dan weer terug naar mij om weer uit te halen. Ik duik opnieuw voor haar weg en in een flits verlaat het mes mijn hand. Ik weet niet wat nou eigenlijk mijn doel was. Ik wilde het mes in de tak hebben zodat die uit haar hand zou vallen. Of zoiets.
Maar nog voordat het mes mijn hand heeft verlaten weet ik dat ik de tak zal missen. Het meisje beweegt teveel en ik heb geen rekening gehouden met het extra gewicht. Het zware mes boort zich diep in haar buik en haar ogen vliegen verschrikt open. Haar handen grijpen zwakjes naar het heft dat nu uit haar buik steekt terwijl een donkere bloedvlek zich over haar lichtgroene shirt verspreidt. Haar benen kunnen haar niet meer dragen en ze zakt ineen op de harde grond. Haar bewegingen worden steeds zwakker totdat ze alleen nog maar schokkerig ademhaalt. Er loopt een straaltje bloed uit haar mond.
Trillend sta ik naar haar te kijken, zonder in staat te zijn mezelf te bewegen. Ze haalt nog een keer schokkerig adem en beweegt dan niet meer. Haar kanon gaat af. Plotseling houden alle vogels op met fluiten en slaakt er één een hoge waarschuwingskreet. Hoog boven me verschijnt een hovercraft. Maar hij daalt niet omdat ik nog bij het lijk sta. Zodra ik wegga zal er een stel grote ijzeren tanden naar beneden zakken om het lichaam op te halen. Ik slik moeizaam en kijk weer naar het meisje. Ik weet haar naam niet eens.
Krampachtig doe ik een stap in haar richting. Het liefst wil ik nu wegrennen, maar dan zal met haar ook het mes verdwijnen. En ik zal het nodig hebben. Ik neem nog een stap, en nog een. Dan ben ik bij het levenloze lichaam. Haar donkergrijze ogen staren zonder iets te zien omhoog en haar handen liggen op de grond en zijn bevlekt met donker bloed. Mijn karige ontbijt dreigt er weer uit te komen en ik moet mijn best doen om alles binnen te houden.
Ver weg in een ander district zal er een gezin om haar huilen en de luiken sluiten. Daar zullen ze me haten en me de vreselijkste dingen toewensen. Ik sluit gepijnigd mijn ogen. Het helpt niet. Ik haal diep adem en zak door mijn knieën om het mes eruit te trekken. Het lemmet is donkerrood van het bloed. Ik probeer niet te denken terwijl ik het mes schoonveeg aan haar broek. Naast haar ligt een klein ijzeren doosje dat blijkbaar uit haar broekzak is gevallen. Ik raap het op en stop het in mijn zak. Ongewild komt de vraag in me op of ze niet meer bij zich heeft.
Bij nader onderzoek vind ik een grote, en ontzettend lege, anderhalve liter fles. Hij past precies op de bodem van mijn tas en nadat ik alle spullen er weer heb ingestopt kijk ik nog één keer de plek rond, het lichaam zorgvuldig vermijdend, mijn mes vooruit gestoken. Ik vind niets. Ik stop het mes weer in de schede en dan begin ik te rennen.
Weg van haar, de plek, en mijn schuldgevoel. De omgeving schiet voorbij en ik probeer me te concentreren op mijn ademhaling. Het blijft maar door mijn hoofd hameren dat ik haar heb vermoord en dat dat mijn schuld is dat er nu een gezin het zonder haar zal moeten doen. De tranen van woede en onmacht dat ik dit heb moeten doen om zelf te kunnen overleven, branden achter mijn ogen. Maar ik huil niet. Ik kijk niet bang of verbijsterd. Zelfs niet verschrikt. Mijn gezicht is een masker waarmee ik iedereen in Panem buitensluit. De lach op mijn gezicht bereikt mijn ogen niet.
Ik ren verder totdat ik bij de rand van het bos ben aangekomen. Het koele water glinstert en golft zachtjes. Iets verderop zie ik een eilandje liggen, maar de kano verraad de aanwezigheid van een andere tribuut. Ik loop het water in en zwem naar het andere eiland iets erachter. Hoewel ik bij de bomen me het meest op mijn gemak voel, wil ik er nu weg. Ik had gisteren gemerkt dat het kleine rugzakje waterdicht was en de grote is eigenlijk hetzelfde, dus daar heb ik geen last van. Het andere eiland is iets groter en niets wijst op de aanwezigheid van een andere tribuut. Ik loop voorzichtig het eiland op. Er gebeurd niets.
En daarmee ook echt niets. Er klinken geen vogels, er zijn geen dieren die angstig voor me wegvluchten. Ik weet niet waar het ongemakkelijke gevoel vandaan komt, maar ik voel me niet prettig hier.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen