Foto bij Amsterdam [OP]

Dit verhaal heb ik oorspronkelijk voor Story of the Month geschreven. Het thema was geloof ik hoop.

Hoe de wereld aan je voorbij vliegt als je in de trein zit, had ik altijd fascinerend gevonden. Vaak kon ik urenlang alleen maar naar buiten kijken en mijn gedachten op de loop laten. Dat waren andere tijden, betere tijden. Dit was anders. En hoe laf het ook klonk, dit was een vlucht. Met elke meter die deze trein aflegde, was ik verder van hem. Nog steeds schrok ik op, elke keer als er iemand binnenkwam in de coupé. Elk nieuw station was een marteling. Als hij het maar niet wist. Als hij nu maar niet ontdekte dat ik weg was. Ik had mijn telefoon in de busjes gegooid, vlak voordat de trein vertrok. Ik had gezien hoe het dure apparaat in stukjes uit elkaar viel, hoe het scherm brak en hoe de batterij een meter verderop belandde. En toen had ik niets meer. Ik had niet eens een kaartje.

Ik had hem drie jaar geleden ontmoet. Hij was een echte charmeur en nam me mee naar dure etentjes, waar hij me inpalmde met complimentjes en juwelen. Achteraf kan ik me niet eens meer herinneren of ik ooit verliefd was. Ik vond het gewoon fijn om bij hem te zijn. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me gewaardeerd, geliefd. Ik liet me verwennen en ik geloofde elk woord dat hij zei. Ik hing aan zijn lippen, raakte verslaafd aan de juwelen en het geld en zijn woorden. Wat kon ik anders zeggen dan ‘ja’ toen hij me ten huwelijk vroeg? Ik was al dertig en ik geloofde niet dat ik ooit iemand anders kon vinden. Het huwelijk was duur en decadent. Het was niet mijn huwelijk, het was zijn huwelijk. Langzaam werd het me duidelijk dat hij me zag als niet meer dan een trofee, een verovering. Kijk mij nou!, zeiden zijn ogen. Kijk eens wat ik gevangen heb. Maar ik vertelde mezelf dat ik gelukkig was, net zolang tot ik in zijn ogen kon kijken en me verliefd kon voelen – bijna. Maar ik moest gelukkig zijn, nu. Anders was het te laat.
Na de huwelijksreis begon het. De lieve woorden verdwenen en verruilden zich voor subtiele beledigingen. Was ik aangekomen? Die jurk stond me niet, ik was niet goed in mijn werk. Misschien moest ik maar stoppen, zei hij. Hij zou me wel onderhouden. Ik zag het gebeuren, recht voor mijn ogen. Ik zag hoe ik afhankelijk werd, en toch diende ik de volgende dag mijn ontslag in. Ik zou toch geen werk meer nodig hebben, zei hij. Ik zou voor onze kinderen gaan zorgen. Hij glimlachte toen hij dat zei, en ik voelde hoe de muren mij langzaam insloten. Zou ik hier de rest van mijn leven blijven? Waar was mijn gevoel voor avontuur, mijn lust voor reizen? Het was weg, en zodra hij vertrok van zijn werk, huilde ik. Maar ik vertelde mezelf dat ik gelukkig was, keer op keer. Dit was toch wat ik wilde? Dit was toch wat iedereen wilde?
Later verdwenen steeds vaker de strips van de pil. Hij maakte er grapjes van, maar ik wist hoe serieus hij was. Hij wilde kinderen, of ik dat nu wilde of niet. Dat was zijn manier om me bij hem te houden. Toen ik boos werd, werd hij boos. En toen kwamen de eerste klappen. Ik schaamde me diep voor het blauwe oog dat hij me sloeg. Waarom had ik niet teruggevochten? Ik was te zwak. Ik was een mislukking – voor hem en voor mij. Hij verontschuldigde zich dagen later. Zijn berouw leek echt en ik vergaf hem. Toen vergaf ik hem tien keer meer. En toen vergaf ik hem nooit meer, maar ik zweeg gewoon, hopend dat ik op een dag goed genoeg zou zijn.
Toen ik niet zwanger werd, groeide zijn woede alleen nog maar. Ik herinnerde me de eeuwige bezoekjes aan de dokter, aan het ziekenhuis. Hoe hij de dokters uitschold toen ze niet konden helpen. En, later thuis, mij. Dat ik te oud was. Dat dit alles mijn schuld was. Later vertelde hij dat hij gewoon het beste voor me wilde. Dat geloofde ik allang niet meer, maar ik knikte en zweeg. Dat was mijn overlevingsstrategie.
Ik stroopte langzaam mijn mouwen op. Er zaten blauwe plekken overal, sommige waren al verkleurd. Het deed niet zoveel pijn als de afwijzing die ik elke keer had gevoeld. Maar dat zou vandaag eindigen. Ik geloofde niet meer in het sprookje die hij me had voorgeschoteld. Ik had geleerd dat er geen lang en gelukkig met hem was. Gisteren had ik in alle geheim al het geld in het huis bij elkaar gesprokkeld en al het geld dat ik kon opnemen, opgenomen. Samen met het eten en mijn paspoort had ik het in een oude rugtas gestopt en onder ons bed gestopt. Zodra hij vanmorgen naar zijn werk was gegaan, was ik naar de trein gerend. Ik had een vriendin van me gebeld en laten weten dat ik wegging en dat ik niet wist wanneer ik haar weer kon spreken. Toen had ik de telefoon weggegooid en op de eerste trein gesprongen.

“Dames en Heren, het volgende station is Amsterdam-Centraal. Denkt u bij het uitstappen aan uw bagage.”
Amsterdam. De stad klonk als een echo uit een ver verleden. In mijn jeugd was ik er veel geweest, totdat ik mezelf vertelde dat mijn toekomst was begonnen en dat ik moest gaan denken aan trouwen en kinderen krijgen. Geen feestjes meer voor mij. Maar vandaag geloofde ik er weer in. Vandaag durfde ik weer heel even te dromen. Ik liet mijn blik afdwalen naar het bord met aankomsttijden. Over een minuut zou ik er zijn. Het was 12 uur en het zou nog zes uur duren voordat hij thuis zou komen en zou ontdekken dat ik er niet was. Maar hij zou me niet vinden. Niet hier. Ik was vrij, voor het eerst in vier jaar was ik vrij.
Langzaam stopte de trein en ik volgde de rij mensen. Ik liep het station op en stapte op de roltrap, terwijl ik de rugzak over mijn schouder slingerde. Bovenaan proefde ik de regen, die zachtjes op me neerviel. Ik wist niet waar ik moest zijn. Ik wist niet wat ik moest doen. Maar de motregen voelde als een welkom. Het nam de druk weg van de veel te warme lentedag en verkoelde mijn gezicht. Heel even wilde ik blijven staan en elke druppel koesteren, elke druppel die op mijn tong landde proeven. Ik wilde mijn ogen elke centimeter van de stad laten zien, laten zien wat vrijheid betekende. En ook wilde ik rennen, rennen totdat ik niet meer kon. Maar ik liep, waarheen wist ik niet. Ik liep mijn toekomst tegemoet. Mijn toekomst, helemaal van mij. Niemand die mij nog tegenhield, niemand die me tussen vier muren opgesloten hield. Niemand die me pijn zou doen als ik niet deed wat hij wilde.

Ik merkte dat mijn voeten me automatisch het centrum in leidden. Ook na tien jaar waren ze nog gewend aan de weg. Waar ze me heen leidden, wist ik niet helemaal. Maar ik zou er wel komen. Ik liep langs de kanalen en de bruggen, glimlachend. De zon was verschenen en zette de stad in een glinsterend licht. De drukte was over en ik kon rustig lopen. Ik vroeg me af waar ik heen moest, zo alleen. Maar ik was niet bang om te verdwalen. Ik zou nooit meer bang zijn.

Zittend in mijn hotelkamer liet ik langzaam het geld door mijn handen glijden. Ik wist best dat wat ik had gedaan het een soort van diefstal was en ook dat het lang niet genoeg zou zijn, maar ik moest er wel iets op kunnen vinden. Ik had nog genoeg voor een week, en dan moest ik een oplossing hebben. Toen pakte ik de tas die aan mijn voeten lag en haalde ik er een doosje uit. Na wat gepriegel had ik hem dan uiteindelijk: een nieuwe mobiele telefoon. Het was één van die oude nokia’s, en het had me maar twintig euro gekost. Ik toetste het nummer dat ik al dagenlang uit mijn hoofd had geleerd in. Ik hoopte maar dat ze op zou nemen.
“Hallo?,” klonk het onzeker aan de andere kant.
“Hallo Sanne. Ik ben het. Ik ben weg.”
“Waar ben je?” Ze klonk lichtelijk in paniek.
“Amsterdam.” Ik glimlachte als een klein kind toen ik de naam van de hoofdstad noemde.
“Amsterdam? Ben je veilig? Heb je geld?”
“Ja, ik ben veilig en ik heb nog geld. Ik vind wel wat, ik beloof je dat het goed komt.”
“Echt waar?”
“Echt waar. Als hij belt, weet je niet waar ik ben.”
“Natuurlijk niet.” Ze was mijn beste vriendin, natuurlijk zou ze me niet verraden.
“Je mag mijn ouders vertellen waar ik ben, ik e-mail je het adres van het hotel zodra ik ergens een computer vind.”
“Weet je dit zeker?”
“Ja, ik weet het zeker. Dit is mijn nieuwe begin en het wordt tijd dat ik de controle over mijn leven terugneem.”
Toen ik ophing, liet ik me zuchtend op het bed vallen. Daar was ik dan: in een stad waar ik in geen jaren was geweest, met weinig geld en geen baan. Maar voor het eerst in een lange tijd was ik weer vrij.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen