Foto bij De Drakendoder [OP]

Deze story heb ik geschreven voor SOTM. Het thema was 'het kwaad'.

Ik telde tot tien, tot honderd en tot duizend. En toch kon ik mijn woede niet bekoelen. De regen stroomde over mijn lijf, de mascarastrepen liepen over mijn wangen en ik zag er voor elke omstander waarschijnlijk uit als een heks. Misschien was ik dat ook wel. Ik voelde hoe mijn adem versnelde, de tranen brandden opnieuw in mijn ooghoeken, maar ik zou hem niet het plezier gunnen mij te zien huilen. Niet meer.

Toen ik een sms’je kreeg of ik naar hem toe wilde komen, dat het hem speet en dat hij het goed wilde maken, had ik nooit kunnen bedenken dat hij zo laag zou zinken. Door de gordijnen heen zag ik mijn ex gepassioneerd met een andere vrouw zoenen. Hij had het allemaal zo bedacht. Hij wilde me pijn doen, hij wilde me zien lijden. En het was hem gelukt. De pijn was onbeschrijflijk. Hoe kon een mens zo wreed zijn? Hoe kon hij me hoop geven, alleen om het meteen weer weg te nemen? Hij was het kwaad, het kwaad in de meest pure zin. En dat was het moment dat ik stopte met geloven. In hem, in de liefde, in mijn vermogen om mijn woede onder controle te houden. Want na al die jaren met mij vertrok hij, liet hij me achter met 3 kinderen en vele blauwe plekken. Ik had moeten weten dat hij alles zou doen om me meer pijn te doen. Alles wat maar mogelijk was. En hier was hij mee gekomen. Hiermee! Woede kwam op en ik zwoor dat ik op dat moment in brand stond van de woede. Oh, als hij maar dit vuur kon zien. En hij zou het zien, reken maar.

Toen ik langzaam de deur opendeed , was deze niet op slot. Ik wist dat ik het pad bewandelde dat hij voor me had gemaakt. Ik wist dat hij me wilde zien breken, dat alleen weten niet genoeg voor hem was. Hij had altijd genoten van mijn tranen, alsof hij ervan leefde. Misschien kon hij nog één laatste keer genieten. Want na vanavond was het voorbij.
“Wie is daar?” het was een vrouwenstem. Het liet me bijna weer tot mijn zinnen komen. Nee, zij niet. Zij was maar een slachtoffer, niet de eerste. En ze zou niet de laatste zijn. Tenzij ik dit stopte. Hem stopte. Voor altijd.
Ik opende de deur naar de woonkamer en zag hoe de vrouw me met een mengeling van verbazing en angst aankeek. Ik besefte het: zij zag mijn vuur, mijn woede, mijn pijn. En dat redde haar leven.
“Wie ben je?”
“Ren,” was mijn antwoord. “Je bent geen deel van dit. Dit is tussen je liefje en mij. Geloof me, ik red je leven nu.”
Ze keek me angstig aan, maar wrong langs me en rende de regen in. Het was vast koud. Ik had medelijden met haar. Ik hoopte dat het goed met haar zou aflopen. Ze was een verstandige vrouw en ze was net als ik: ze zag emoties en gaf om ze. Ze was onschuldig. Niet zoals hem.

Hij keek me spottend aan. “Je bent terug. En je hebt mijn vriendin weggejaagd. Waarom gedraag je je zo?”
Maar ik zou zijn spelletje niet meer spelen. Ik zag zijn spottende blik en wist hoe erg hij hier van genoot. Ik wilde hem confronteren met het sms’je, maar hij zou het ontkennen en mij beschuldigen van stalken. Ik kende hem. Hij kon verhalen zo omdraaien dat hij van een heks een lief oud vrouwtje kon maken.
“Gefeliciteerd.”
“Ben ik jarig?” Ik negeerde zijn woorden opnieuw. Hij moest weten hoe dat voelde. Om niet gezien te worden, om nauwelijks te bestaan in de ogen van een persoon zo dicht bij je.
“Soms zei je dat ik zo gevoelig was, herinner je dat nog? Breekbaar, net als glas. Je hoefde het maar één keer te laten vallen, en het brak. En je hebt me zo vaak laten vallen, en zelfs op de grond gesmeten. En ik brak. Elke keer weer. Maar weet je wat het is met glas?”
Hij leek verbaasd. Zijn spel was over, ik speelde vals. Mijn hand reikte naar een keukenla en ik klemde mijn handen om een groot mes. Het voelde zwaar genoeg. Een vleesmes. Toepasselijk.
“Glas kan je flink snijden. En als je glas breekt en breekt en breekt, wordt het steeds scherper, steeds gevaarlijker. Zelfs het kleinste stukje kan zorgen voor een grote snee.”
“Wat doe je nou? Leg dat mes weg en dan laat ik de politie hier buiten.”
Ik negeerde zijn woorden opnieuw.
“Steeds gevaarlijker. En het glas maakt het niet zo veel uit wat je doet, want het is toch al gebroken.”
“Je bent gestoord,” zei hij zelfverzekerd. “Dat heb ik altijd al gezegd, daarom ben ik ook bij je weg gegaan. Zie je nou wel? Dit is jouw schuld. Als jij normaal was geweest, was ik nooit gegaan.”

Langzaam liet ik het mes door mijn handen glijden, alsof ik moest bedenken wat ik er mee zou doen. Zijn woorden raakten me niet meer. Ze hadden het altijd gedaan, maar niet nu.
“Je kunt niet breken wat al zo vaak gebroken is.”
“Ga toch weg. Je weet dat je niets zult doen. Dat heb je toch ook nooit gedaan? Je hebt het lef er niet voor.” Hij klonk spottend, maar zijn stem trilde. Dat geluid klonk als engelengezang in mijn oren. Eindelijk was de man waar ik al die jaren bang voor was geweest, bang voor mij. En ik genoot. Met volle teugen.

Ik stond stil en liet geen emotie zien. Hij kon er niet tegen, dat wist ik. Hij hield van emoties, al probeerde hij die van mij altijd af te straffen. Nee, hij hield van pijn. Vooral de mijne.
“Wat ga je doen?” schreeuwde hij. “Wat ga je nu doen? Je hebt mijn leven al geruïneerd, met je gezeik en je rotkinderen.”
Normaal kon hij daarmee op de grond krijgen, maar deze keer niet. Ik stond gewoon, recht voor de keukenla. En ik wist dat hij niets anders had waarmee hij zich kon verdedigen. Behalve zijn woorden, en één ‘sorry’ zou genoeg zijn. Eén keer maar. Als hij spijt zou hebben, zou ik het mes loslaten. Hij moest toch zien dat ik het leven had gespaard van zijn vriendin, omdat ze mijn woede en mijn pijn zag? Dat ze erom gaf? Maar hij zou nooit om me geven.
“Eén keer,” mompelde ik.
“Wat raaskal je nou? Er staat hier een gestoord wijf in mijn keuken, en ik weet zeker dat iemand de politie al heeft gebeld. Dus wat ga je doen? Of ga je weer proberen je polsen door te snijden? Zelfs toen had je het lef niet.”
Woede vlamde weer op, en deze keer keek ik hem aan. Het was de eerste keer dat ik erkende dat hij in de kamer was op deze manier.
“Jij bent het kwaad in elke zin. En als jij straks op de grond ligt, en ik ernaast zal staan, met een mes in mijn hand, zal iedereen zijn oordeel klaar hebben. Maar voor mij is weten genoeg, dat ik niet de draak, maar de drakendoder ben.”
De angst kon ik nu duidelijk van zijn gezicht aflezen en ik glimlachte. Dit was het moment waarop ik had gewacht.

En toen rende ik. Ik stak het mes in zijn buik en hoorde hem schreeuwen. Nog één keer draaide ik het rond, om hem harder te horen gillen.
“Pijn,” fluisterde ik. “Dit is nog lang niet al de pijn dat je mij hebt laten voelen.”
Ik trok het mes uit zijn lichaam en zag hoe het bloed eruit begon te lopen. Nog een keer, en nog een keer. Het was genoeg. Eindelijk.
“Ik zal hier genoegen mee nemen.”
Ik hoorde hem snakken naar zijn adem, de gillen van zijn pijn nog vers in mijn hoofd. En toen kwam er een lichtheid over me heen, die ik al jaren niet meer had gevoeld. Vrijheid. Vrijheid van hem en de manieren die hij altijd had gevonden om me te breken. Ik bekeek emotieloos zijn laatste momenten en hoopte op niets. Het was nu te laat voor zijn sorry.

Toen de politie kwam, was hij al dood. Maar ik stond daar nog, met het mes in mijn hand. Het was precies wat het leek.
Ik hoorde de harde stem van een vrouw, zonder medelijden. “Handen omhoog.”
Onmiddellijk liet ik het mes vallen en stak mijn handen in de lucht. De agenten leken verbaasd over mijn snelle overgave.
Ontoerekeningsvatbaar, schoot er door mijn hoofd. Daar zou ik mijn advocaat voor laten pleiten. Langzaam gleed er een traan over mijn wang. Maar ik wist hoe ik daar stond. Zwarte jurk, zwart haar, zwarte mascarastrepen, rood bloed. Alsof ik een voorteken van de dood was, een emotioneel onstabiele Disney-slechterik. Het kwaad. En zoals ik hem het kwaad had genoemd, zo zouden de mensen nu over mij praten. Maar voor mij was het genoeg om te weten wie ik was. Want ik was niet de draak, maar de drakendoder.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen