Rafael had zich niet met de strijd willen bemoeien. De dood van de duizenden onschuldige mensen, de vernietiging van de stad,... Want dat was wat zou gebeuren. Het liet hem allemaal koud. Niemand was onschuldig. Niets bleef bestaan, ook de goden niet. Zelfs aan zijn bestaan zou ooit een einde moeten komen, toch? Maar daar ging het nu niet om. Het ging hem zelfs niet om de twee jongens. Niet rechtstreeks in ieder geval. Die domme kinderen hadden natuurlijk weer alle aandacht moeten trekken, en nu zat hij op de hete kolen. De schaduwkrijgers spoelden als een vloedgolf over de stad, en nu kwamen ze ook het dak op waar hij stond. Rafael zuchtte. Het leek haast een zucht van verveling, alsof hij dit al ontelbare keren had meegemaakt. Wie stond nu niet elke dag op een dak (een brandend dak ondertussen) van een huis midden in een reusachtige slachtpartij terwijl hij twee domme kinderen van een horde vechtmachines moest zien te redden. De meesten dachten dat hij geen gevoelens had, ze hadden het mis. Rafael voelde zich woedend, hij haatte de wereld om zich heen. Nu was het tijd om zijn gevoelens in daden te uiten. Hij nam de tweeling in zijn armen terwijl zijn ogen gevaarlijk oplichtten en toen de schaduwkrijgers op hem afstormden, keek hij hen met een koele glimlach in de ogen.

"Verdorie man, wat is er aan de hand!" schreeuwde de graaf van Talei terwijl hij met zijn vuisten op de tafel sloeg. De officieren schoten allemaal recht en keken medelijdend naar de magiër. Allen wisten dat je De Raaf maar beter niet boos maakte. "Ik, ik, ik weet het niet...", mompelde de man geschrokken. "HOE BEDOEL JE, IK WEET HET NIET!? WAAROM BEN JE HIER DAN!?" De man keek angstig de tafel rond, maar bedacht toen weer wie hij was. "Je hebt het recht niet zo tegen me te spreken, ik ben..." "O, DUS IK HEB HET RECHT NIET!?" Hij zou nog veel meer gezegd hebben, maar de woordenstroom stokte in zijn keel toen de stem als een mes door zijn hoofd sneed. Ophouden, er heeft zich een krachtexplosie voorgedaan in de stad. Ga uitvinden waar het vandaan komt en maak de krachtbron onschadelijk in plaats van elkaar naar het leven te staan. Raven keek Liam aan en zag aan zijn gelaatsuitdrukking dat hij het ook gehoord had. Raven probeerde zijn kalmte te hervinden en sprak met monotone stem: "U kunt vertrekken, ga uw plicht maar uitvoeren." De officieren keken de magiër na, die zonder omkijken de tent uit liep, en staarden hun aanvoerder toen verbaast aan. "Uit mijn ogen jullie! Houd op met mij aan te staren alsof ik niet goed snik ben en ga wat nuttigs doen. Allen stonden ze op, salueerden en verlieten de tent. Raven liet zich met een zucht in zijn stoel zakken en leunde met zijn voorhoofd op zijn hand. Met wat voor mislukkelingen was hij toch omringd, straks moest hij alles nog zelf doen. Wat hij nu nodig had was een vrouw om zijn zinnen te verzetten. Hij miste de goede oude tijd toen soldaten nog gewone mannen waren en alle vrouwen zich aan zijn bed verdrongen. Als dit allemaal voorbij was zou alles wel weer worden zoals vroeger, hield hij zichzelf voor.

Liam liep de tent uit, hij kookte van woede. Wie dacht die man wel dat hij was? Als hij had gewild had hij de man zo het zwijgen kunnen opleggen. Ah ja, daar was later nog tijd genoeg voor. Er zou een tijd komen dat de man niet meer nodig was, en waarschijnlijk ook een tijd dat hij niet meer nodig zou zijn, maar voor het zo ver was zou hij genieten van het kwaad dat hij de man zou aandoen. Hij zette die gedachten uit zijn hoofd en liep door het verlaten kamp. Bah, wat een lawaai en wat een stank. De wind blies de rook van de brandende stad recht zijn neusgaten in. Hij voelde het lijden van de mensen in de stad en sidderde van genot. Zijn leerlingen had hij onder de troepen verspreid om alles in goede banen te leiden, en nu zocht hij met zijn geest contact met hun op. Er is mogelijk een vijand met bovennatuurlijke krachten in de stad, mijn verbinding werd door een krachtexplosie verstoord. Het is waarschijnlijk slechts een amateur, maar voorzichtigheid is geboden. Wees waakzaam, en schakel het individu meteen uit als je hem of haar ziet. Al zijn dertien leerlingen gaven een teken dat ze het begrepen hadden. Liam bleef even staan denken, maar besliste toen dat zijn aanwezigheid in de stad niet nodig was. Dit zou een goede training voor zijn leerlingen zijn. Hij liep naar zijn tent, maar net toen hij binnen wilde gaan, snakte hij naar adem en viel op zijn knieën. Hortend haalde hij adem en zijn ogen werden groot terwijl hij met zijn hand naar zijn borst klauwde. Een doodskreet had in zijn geest geklonken. Hij en zijn leerlingen waren één, verbonden in hun zijn. Het had gevoeld alsof een deel van hem met geweld was losgescheurd. Langzaam stond hij op. Emanuel, één van zijn begaafdere leerlingen, had de magiër gevonden. Nee, de magiër had hèm gevonden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen