Foto bij O49 | Fuin


Faramir wandelde nieuwsgierig naar de kamer waar de Halfelf met de duivelsogen werd vastgehouden. De deur stond open, zodat men snel kon zien wat ze aan het doen was, aangezien Gandalf had gezegd dat zijn betoveringen het misschien niet zouden houden nu Saurons dienaar zo dicht bij haar meester was. De wachten, die aan de deur post hielden, zouden de tovenaar onmiddellijk verwittigen wanneer de Halfelf een poging deed om te ontsnappen. Ze knikten echter toen ze hem herkenden en hoewel Faramir niet van plan was de kamer binnen te wandelen, lieten ze hun speren toch als een barricade voor het deurgat zakken.
'Ik ben niet van plan om binnen te gaan', zei Faramir, maar toch haalden ze hun speren niet weg. Toen de man naar binnen keek, zag hij haar op de grond liggen. Haar hoofd lag op een kussen en haar geboeide handen lagen voor haar gezicht. Faramir had verhalen gehoord over haar prachtige zilveren haren, maar in het vale licht leek haar haardos wit en bros. Zijn blik werd enkel getrokken door haar handpalmen, waar er zwarte patronen op getekend waren. Een vlaag van nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat Faramir een stap naar voren zette. De wacht rechts van hem hield hem echter onmiddellijk tegen.
'Niet doen, kapitein. Ze is gevaarlijk.' De Halfelf opende haar ogen en staarde hem aan. Langzaam krulde ze haar benen op en duwde ze zichzelf omhoog. Toen ze naar hem staarde, leek Faramir plots het wolvengehuil weer te horen dat Minas Tirith de afgelopen nachten geteisterd had. Hij had al enkele verkenners er op uit gestuurd om de schuilplaats van de beesten te ontdekken, maar steeds waren ze zonder enige informatie teruggekeerd. In de stad zelfs werd gefluisterd dat Sauron de geluiden naar hen zond om hun geesten te breken. Faramir betwijfelde of dat klopte, maar wanneer hij door de stad liep en de permanente angst op de vele gezichten zag getekend, wist hij dat hij maar beter gauw een einde kon maken aan de spookroedel.
'Jou heb ik hier nog niet eerder gezien,' zei de Halfelf. Gandalf had haar Andúnë genoemd, en later nog Kali. Faramir wist niet hoe hij haar moest aanspreken. Nu leek ze in elk geval niet erg gevaarlijk. Ze was niet veel groter dan de meeste vrouwen die in Minas Tirith leefden en haar ingezakte wangen leken erop te wijzen dat ze al een gehele tijd ondervoed was.
'Waarom?' de woorden verlieten zijn lippen en hij verbaasde zichzelf. Het was niet zijn bedoeling geweest om te spreken, al hadden er wel veel waarom-vragen door zijn hoofd gemaald. Waarom zou iemand zich bij de duistere heer aansluiten? Waarom zou iemand zijn oude thuisland vernietigen? Zijn blik gleed weer naar haar handen, die naast haar hingen zodat de zwarte tekeningen bijna onzichtbaar waren. De Halfelf volgde zijn blik en tilde haar handen omhoog. Langzaam verscheen er een glimlach om haar mond.
'Waarom er zoveel littekens op mijn handen staan? Ik heb het hart van een Balrog uit zijn borst gerukt. Niet iets dat ik een sterfelijk man zou aanraden, al was het me vast van pas gekomen.' De uitdrukking op haar veranderde naar een van pure woede, al ebde die al gauw weg en was haar blik enkel erg bedachtzaam.
'De dwergen hebben hem van me ontnomen en ik kreeg een verraderlijke Elf in de plaats. Dat moet ik hen nog vergoeden.' Het leek Faramir dat ze niet tegen hem sprak, maar tegen zichzelf, alsof ze een lijst opmaakte van dingen die ze niet mocht vergeten.
'Je vergeet dat je hier niet uit zult komen', zei een van de twee wachten grimmig. De Halfelf keek op en staarde Faramir aan.
'Dat heb ik al eerder gehoord. Toen nam het slechts een aantal dagen en een dode koning om mijn vrijheid te herwinnen. Als je dat wilt vermijden zou ik me laten gaan.'
De wacht keek Faramir aan. 'Deze hoort zichzelf graag praten, kapitein. Zeg tegen Gandalf dat haar status onveranderd is.'
Faramir knikte en stapte weg. Hij hoorde de Halfelf zachtjes lachen.

De avond was gevallen en Faramir zat over een boek over de geschiedenis van Midden Aarde gebogen, op zoek naar informatie over krijgers die het tegen Sauron hadden opgenomen. Hij had reeds een aantal namen ontdekt en neergeschreven, al betwijfelde hij ten zeerste wat Gandalf ermee zou aanvangen. Deze helden waren al eeuwen geleden overleden en hun methodes waren niet altijd vruchtbaar geweest.
Tumult in de gang deed hem opkijken.
'Kapitein! De wolven zijn gezien!'
Faramir kwam overeind en legde zijn hand op zijn zwaard. 'Zijn het wargs? Hoe groot is de roedel? Waar zijn ze gesignaleerd?' Faramir wilde maar al te graag zo gauw mogelijk bewijzen dat het niet om wargs ging, om de gemoederen in de stad ietwat te bedaren. Maar toen hij in de ogen van de boodschapper keek, zag hij hoe angstig die wel niet keek.
'Hij is dood, kapitein. De man die alarm sloeg - ze moeten op de muur zijn gesprongen om hem er af te sleuren. Tegen de tijd dat wij aankwamen, waren ze alweer verdwenen en lag de arme man op de grond. Hij was helemaal... opengereten.'


Pssst. Dúat heeft op de kudolijst momenteel 196 kudos en ik zou het echt heel leuk vinden als het er 200 zouden zijn.
Een tel op een kudoknopje drukken in ruil voor dit 2 uur lang aan gewerkte hoofdstuk? Alsjeblieft? c:
*Puppy-eyes*

Reacties (3)

  • Glorfindel

    Oh my... *speechless*

    4 jaar geleden
  • Schack

    Volgens mij ben ik ook minstens 50 van die kudo's... c:
    Kudo 199 is in ieder geval binnen.

    4 jaar geleden
  • Croweater

    Mijn kudo krijg je toch altijd :3
    Anyway, weer een buitengewoon gezellig hoofdstukje. Had ik echt nodig. =D
    Gaan de wolven Denethor ook verscheuren? *O*

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen