Foto bij O50 | Fuin

Dúath stond een gehele tijd #3 in de dagtop ^^
Een 50ste hoofdstukje om die 5 kudo's te vieren *O*
Dit zijn trouwens de plaatjes van hoe ik me Lothiriel en Arnubên ongeveer voorstel (:




Arnubên voelde zich een dwaas. Gedurende de tijd dat hij zich intussen in Minas Tirith bevond, had hij Lothiriel niet meer gezien. Hij had het gevoel dat ze hem ontliep, waar hij haar enkel gelijk in kon geven. Hij was slechts een doler uit het Noorden en zij een prinses. Het zou beter zijn wanneer hij zijn gevoelens van zich afzetten, want daar hadden zij beiden niets aan. Toch betrapte hij zichzelf er steeds vaker op dat zijn hart sneller begon te kloppen wanneer hij een dame met zwarte haren zag, of dat hij zich in de archieven steeds vaker omdraaide wanneer hij voetstappen hoorde. Tot nu toe was hij altijd al teleurgesteld.
Arnubên tilde zijn hoofd op toen hij wolven hoorde huilen. Elke avond klonken diezelfde klanken weer en lieten ze hem de rillingen over het lijf lopen. Toen hij Gandalf had gevraagd of hij wist wat voor creaturen dit waren, had de tovenaar enkel geantwoord.
'Geen wargs, mijn beste Dunadan.' Daarna had hij een pijpje aangestoken en had hij gezwegen. Arnubên wist nu niet goed meer waarom hij toen zo teleurgesteld was geweest om het antwoord. Tovenaars beantwoorden slechts zelden de vraag die je hen stelde, dat wist iedereen.
De Dunadan zuchtte en stond op. Al de boeken die hij tot nu toe aan Gandalf had gegeven, hadden de Tovenaar niet de wijsheid verschaft waar hij op uit was. Arnubên liep de gang in, recht naar de trap die naar de archieven leidde.
'Ze huilen weer', zei een stem achter hem. Arnubên schrok en draaide zich om, zijn hand op de dolk die hij in zijn riem droeg. Ze zat op het raamkozijn en in het maanlicht leek haar huid wit als ivoor. Ze keek naar buiten, haar blik intens treurig. Arnubên staarde naar haar.
'Ik wilde je niet storen,' zei ze terwijl ze recht ging staan. Ze bleef echter naar buiten kijken. De Dunadan stapte aarzelend naar voren, tot hij vlak naast haar stond. Toen hij haar blik volgde, zag hij de vuren die op de stadsmuren brandden. Kleine figuren renden heen en weer.
'Zouden ze hen kunnen doden? Al zou dat vast niet uitmaken. Meer wezens al deze zwerven over deze landen en Dol Amroth en haar inwoners zijn aan hun genade overgeleverd. Mijn vader zou hen moeten beschermen, maar toch zijn we hier.' Ze keek naar hem op.
'Je vader is een wijs man. Hij weet wat hij doet.' Arnubên wist niet waarom hij dat gezegd had. Het was tenslotte haar vader die hem had gezegd bij haar weg te blijven en nu leek het alsof Arnubên dat goedkeurde. Maar toch vond hij het moeilijk om iets anders te zeggen. Het was reeds zoveel jaren geleden dat hij haar voor het laatst had gesproken. Zij was toen nog een meisje geweest, goedlachs met bloemen in haar haren en hij een beter man, met mooiere woorden en minder geesten. Hij wilde dat hij zijn oude zelf weer naar boven kon halen, al wist hij niet zeker hoe hij zelfs dan de spleet die door al die jaren van afzondering tussen hen was ontstaan weer kon dichten.
'Ja', zei Lothiriel, en ze glimlachte, 'Al zie ik hem de afgelopen dagen nog amper. Verstopt hij zich ook in de archieven?' Ze glimlachte en opeens viel het Arnubên op hoe dicht ze wel niet bij hem stond. Als hij wilde, zou hij zo zijn lippen op de hare kunnen drukken.
'Nee', zei hij, en hij zette een stap achteruit. Zijn hoofd tolde. 'Maar ik zal u een bericht sturen wanneer ik hem daar zie, prinses.' Hij keek niet meer om. Lothiriel keek hem na, haar blik onleesbaar.

Arnubên liep voorbij de boekenkasten en streek met zijn vinger langs de ruggen. Het archief was leeg, wat betekende dat hij Lothiriel geen bericht hoefde te sturen, wat hem zowel opgelucht als teleurgesteld maakte. Hij had zich als een idioot gedragen en was zomaar in het midden van een conversatie weggelopen. Een goede indruk had hij vast niet gemaakt.
Arnubêns gedachten stilden echter toen hij de vervaagde letters van een dun, zwart gebonden boek las. De laatste Koningen van Gondor, stond er in eenvoudige letters op gedrukt. Hij haalde het boek uit de kast, liep ermee naar de leestafel en sloeg het daar open. Langzaam bladerde hij naar het laatste hoofdstuk.
Eärnur, zoon van Eärnil II, was Gondors drieëndertigste Koning. Al had hij niet zijn vaders wijsheid geërfd, toch was hij een groot krijgsman. Zijn grootste overwinning was tegen Angmar in de strijd van Fornost, waar hij de Tovenaarskoning versloeg. Eärnur had hem kunnen doden, indien zijn paard niet in paniek was geraakt door de vreselijkheid van de duisternis van de Tovenaarskoning. Deze wist te vluchten naar Minas Morgul, waarna hij zich zeventig jaar lang niet meer liet zien. Na Eärnur's kroning daagde de Tovenaarskoning hem echter uit. Hoewel de stadshouder van Gondor hem een eerste keer wist te overtuigen om niet op de uitdaging te reageren. De Tovenaarskoning zond echter een tweede bericht, waar hij de Koning provoceerde. Eärnur was woedend en reed naar de poorten van Minas Morgul. Eärnur werd nooit meer weder gezien.
Anárions lijn was gebroken, want Eärnur had Gondor geen erfgenamen nagelaten. De Gevleugelde kroon, die Eärnur bij zijn vertrek achterliet, wordt nog steeds bewaard in de tombe van Eärnil II. Anárions zwaard, dat Eärnur bij zich droeg, is echter samen met hem verloren gegaan.

Arnubên sloot het boek en staarde lange tijd naar het tafelblad. Misschien was de tijd gekomen om met Gandalf over Nilûphêr te praten.

Reacties (2)

  • Croweater

    Whooo Angmar *O*
    Dikke spoiler voor BW. :'D

    Ze zijn wel triest, die twee. Ik vond dit echt een mooi stukje:
    Het was reeds zoveel jaren geleden dat hij haar voor het laatst had gesproken. Zij was toen nog een meisje geweest, goedlachs met bloemen in haar haren en hij een beter man, met mooiere woorden en minder geesten.
    Zelfs als ik niet weet wat je met geesten bedoelt

    3 jaar geleden
  • Schack

    Dear goat. Ik begin ook langzaam de draad kwijt te raken. Nog een keer herlezen, dan maar. (:

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen