Foto bij O56 | Fuin


'Nee', mompelde Arnubên toen hij de trekken van Faramir herkende. Hoe had Gondor nog een kans tegen Sauron zonder hun kapitein?
Lothiriel klemde haar hand om de zijne. Hij was ijskoud. Ze kneep.
'Hij leeft nog.'


Een zilvergouden schim wenkte haar. De gouden bomen om haar heen zeiden haar niets en dat deed haar op haar ongemak voelen.
'Waar ben ik?'
'Je slaapt', zei de schim, met een vreemd oud-jonge stem. Fëa kneep haar ogen tot spleetjes en bestudeerde het figuur nauwkeuriger, maar toch slaagde ze er niet in om enige gelaatstrek scherp voor zich te kunnen zien.
'Wie bent u?'
'Je kent me niet, in het geval je je dat afvraagt, maar je hebt wel al van me gehoord. Ik ben hier om je iets te tonen.' De schim bewoog dichter naar haar toe, en Fëa wankelde ervan weg. Iets zorgde ervoor dat ze haar heel slecht op haar gemak voelde, en het brandende amulet om haar hals bevestigde dat gevoel alleen maar. Haar hart klopte in haar keel. Ze zette nog een stap naar achteren, maar haar voet bleef haken achter een tak en ze viel. Een pijnscheut trok door haar heen, maar Fëa kon niet duiden waarom dit vreemd was. Haar ogen bleven strak gericht op het zilvergouden licht, stralend maar angstaanjagend.
'Wees niet bang, ik zal je geen pijn doen', murmelde de schim, stem zoet als een slaapliedje. De schim stak haar hand uit en Fëa sloot haar ogen.
Donkere wolken rolden over een verdord landschap. Ze zag mensen rennen, achternagezeten door donkere schimmen die over de grond gleden. Ze kende deze plek, besefte ze, terwijl ze met afschuw keek hoe het visioen zich ontvouwde.
Haar Orolim was wederom in de klauwen van de duisternis gevallen. Waar de schimmen zich voorheen genoegen hadden genomen enkel de stad in te nemen, hadden ze nu besloten dat er geen spoor meer van het majestueuze rijk mocht blijven bestaan. De muren waren neergehaald, en tussen de brokstukken zag ze de gebroken lichamen van de inwoners van de stad. Een van de mooiste plaatsen van Midden-Aarde was verandert in het engste decor van een spookverhaal. Fëa viel op haar knieën. Bovenop de rotsen, waar het kasteel ooit had gestaan, vochten twee figuren tegen een brandende silhouet vele malen groter dan hen. Ze hoefde hen niet van dichtbij zien om te weten dat het haar broer, Araval, en haar koningin waren, die zij aan zij de strijd aangingen in een laatste poging om Orolim niet opnieuw aan een Balrog te verliezen. Ze hadden geen schijn van kans en de Balrog brulde triomfantelijk toen zijn vurige zweep er een einde aan maakte. Het was alsof iemand alle lucht uit haar longen trapte.
'Hij mag haar bloed niet krijgen, Fëa', mompelde een jong elfenmeisje dat plots naast haar stond. Haar lange vlechten waren zilvergoud. Fëa opende haar mond, maar ze leek te zijn vergeten hoe ze spreken moest.
'Onthoud dit goed', zei het meisje, voordat haar hand omhoog bracht en Fëa's voorhoofd aanraakte, zodat die in een duister gat viel.


Kali stapte door Minas Morgul, met de Koning van Angmar aan haar zijde, terwijl haar wolven op de achtergrond gromden. De stad bevatte de legermacht die Gondor op zijn knieën zou dwingen, maar zij zou zich niet bij hen aansluiten. Zij had een belangrijkere zaak op te lossen, één die in de handen van twee Hobbits lag die nu naar het Oosten trokken.
Ze stopte toen ze voorbij een troon kwam, waar een lijk voor lag. Iets deed haar vermoeden dat het hier al ettelijke eeuwen in deze staat verbleef, ook al was het nog goed bewaard gebleven. De huid was nog intact gebleven, hoewel die slap om de botten heen hing. In zijn vingers, broos en gebroken, alsof er iemand had op getrapt, lag een zwaard, gebogen en gekarteld. Op zijn hoofd stond een doffe, gebroken kroon, als een spottende herinnering dat deze dode ooit een machtig man was geweest.
'Wie is dit?' hoorde Kali zichzelf te vragen. De Heksenkoning leek deze vraag bijzonder amusant te vinden.
'De laatste Koning van Gondor. Hij dacht dat hij voorbestemd was een einde aan mijn heerschappij te maken. Hij had de voortekenen duidelijk verkeerd gelezen.'
De Heksenkoning liep weg en Kali bleef achter. Ze staarde nog lang naar het lijk, stelde zich de man voor die zo dwaas was geweest om alleen door deze poorten te komen, in een vlaag van grootheidswaanzin. En nu, tot het einde der tijden, zou zijn lichaam als een tapijt aan de voeten van de man liggen die hij had gehoopt te kunnen verslaan.
Ze verachte hem.
Toch boog ze zich naar voren, sloot ze haar vingers om het gevest van het gebroken zwaard en trok ze het uit de krampachtige greep van zijn vingers. Ze bestudeerde het zwaard nauwkeurig, en hoewel ze wist dat ze het weg zou moeten gooien, fluisterde iets in haar haar in dat het van haar was, dat het niet voor altijd tussen deze muren hoorde te liggen.
Ze aarzelde even, stak het zwaard in haar riem en liep de deuren van Minas Morgul uit.
De tijd was gekomen om de Ring naar zijn rechtmatige eigenaar te brengen.

Arwen weende toen ze het woud zag dat eens het prachtige Lothlorien was geweest waar zij was opgegroeid. De Malornbomen waren verkoold tot ashoopjes en geen enkele inwoner had de doem overleefd. Haar broer probeerde haar te troosten, maar Arwen vroeg hem haar alleen te laten. Dit verdriet kon ze enkel alleen dragen, aangezien zij medeverantwoordelijk was voor de schaduw die Kali op Midden-Aarde had geworpen. Als ze er voor had gezorgd dat Andúnë zich thuis had gevoeld in Imladris, zou Lorien nog bestaan en zou haar vader nu niet naar Mordor rijden. Avondster, noemde haar volk haar, en hoe had zij de avond wel niet ingeluid toen ze Andúnë uit Imladris liet vertrekken!
'Arwen-nin, wanhoop niet,' klonk een fluistering. Arwen keek op.
'Galadriel?' Haar moeders moeder stond naast haar, omringt door een zilvergouden licht.
'Kom', beval de vrouwe van het verloren woud, en ze leidde Arwen door de restanten van het gebied. Arwen herkende de plaats waar Galadriel haar heen bracht, de plaats waar eens waar eens haar Spiegel had gestaan. Ze kon het bijna niet geloven toen ze de zee van zwart zag, met daaruit oprijzend de witte steen, onbeschadigd en in volle glorie.
'Er is nog hoop,' sprak Galadriel zacht en Arwen omvatte met haar handen de randen van de steen en staarde in het water.
De berg spuwde vuur toen Kali zich over de rand boog. In haar handen had ze een zwaard vast, gebogen en gekarteld door de tand des tijds, dat ze optilde. Naast haar stond Sauron, in zijn menselijke gedaante, lang en verschrikkelijk. Arwen hield haar adem in toen ze de Ring om zijn vinger zag glinsteren.
'Dit is het moment,' zei Sauron, en Kali stak zonder aarzelen het zwaard door haar borst. Het bloed gutste uit de wonde, over de afgrond heen, terwijl Kali naar voren viel en in de lava verdween. Sauron lachte toen het rode vuur zwart werd en stolde tot een dikke korst. Voordat Arwen zich ook maar kon afvragen wat Zijn plan was, begon de korst langzaam af te brokkelen. Haar hand ging onwillekeurig naar haar borst, want hetgeen hier ontstond, was nog duisterder dan Sauron zelf.
'Hoe kunt u dit hoop noemen?' fluisterde ze.

'Het is nog niet te laat,' zei een kalme stem vastberaden. Geschrokken keek Arwen op. Ze zat geknield bij de Spiegel, van Galadriel geen spoor meer te bekennen. Voor haar stond een Elf met een zandkleurige mantel om, die genoeg op Araval leek om Arwen direct te doen beseffen wie het was.
'Fëa. U bent er, eindelijk.'
'We hebben lang genoeg getalmd. Kali mag de Ene niet in handen krijgen, want-' de adem stokte in Fëa's keel, en Arwen kreeg het vermoeden dat zij niet niet de enige was die Galadriel in dromen had bezocht.
'We zullen te laat aankomen. Mordor is nog vele dagreizen hiervandaan,' sprak Arwen. Fëa keek enkel bedachtzaam.
'Ik weet een manier. U zult hem niet leuk vinden, maar het is de enige kans die we hebben.'
Ze vroeg Arwen echter niet om toestemming. Ze haalde een dolk boven waarmee ze haar linkerhand, dat vol rode littekens stond, openkerfde. Met haar bloedende hand rukte ze een koord van haar hals, en begon onmiddellijk een litanie te prevelen, met een gebrek aan aarzeling die duidelijk maakte dat dit bekend terrein voor haar was.
Arwen's nekhaar ging recht overeind staan toen ze de Zwarte Taal van Mordor herkende, maar ze sloot haar ogen en haalde zich haar visioen weer voor de geest, en probeerde zichzelf gerust te stellen met de gedachte dat dit slechts een noodzakelijk kwaad was.

Reacties (2)

  • Storiefan

    klinkt niet als Aragorn. Misschien Eärnur? Hij werd twee keer uitgedaagd door de Tovenaar-koning van Angmar, nam het de tweede keer aan en werd nooit meer gezien.

    3 jaar geleden
  • Croweater

    Nooh Aragorn ook al dood. D:
    Meh, ik hoop echt dat iets Kali tot bezinning gaat brengen. Because I really, really don't like the way things are going. D:

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen