Ik zat daar voor mijn gevoel uren. Elk geluidje kon mijn dood betekenen, dus zodra ik wat hoorde, hield ik mijn adem in, om pas na goed luisteren weer enigszins te ontspannen. Het goede nieuws was dat de stress de pijn weg hield. Ik vroeg me af of andere mensen daar net zo op reageerden. Langzaam begon mijn been in slaap te vallen. Ik kon het voelen gebeuren, maar durfde me niet te bewegen. Labjassen bewogen immers niet.

En toen ineens hoorde ik een geluid, alsof een stuk stof bewoog. Heel even stopte met hart met kloppen, maar al snel wist ik mezelf ervan te overtuigen dat het gewoon mijn verbeelding was en ik vervloekte alle zombiefilms ooit gemaakt. En toen, nog een keer. En later nog een keer. Mijn hart begon nu wild te kloppen. Maar het was maar mijn fantasie, vertelde ik mezelf. Niets aan de hand.
Totdat ik een soort grommen hoorde dat me heel bekend voorkwam. Het geluid weerkaatste, en leek nu van alle kanten te komen, maar het stopte na een paar tellen. Nu kon ik mezelf moeilijk nog overtuigen dat het mijn fantasie was geweest. Vooral nadat het geluid weer begon en ik langzaam woorden kon onderscheiden:
“Braaaiiinsss…”
Brains! Hersenen! Die had ik… Ik kon dus maar beter maken dat ik wegkwam. Maar hoe? Boven kamden mensen die me wilden vermoorden het ziekenhuis af, en hier beneden wilden ze mijn hersenen eten. Ik eindigde hoe dan ook dood. Of als zombie, maar ik zou zo’n slechte zombie zijn. Dus ik moest hieruit komen. Misschien zagen ze boven ook wel in dat we beter samen sterk konden staan tegenover de zombies dan dat we er allemaal ruziënd en moordend ten onderdoor gingen.
“Braaaiiinsss…” De onheilspellende geluiden van de zombies lieten me opschrikken uit mijn gedachten. Als ik nu een wapen had, dan kon ik de heldin zijn die met een stoer geweer alle zombies de kop afschiet. Maar ik had alleen labjassen en hoe die konden dienen als wapen, was wel een heel lastige vraag. Een vraag die ik heel snel moest beantwoorden.
“Braaaiiinsss…” Wanneer hielden de zombies hun mond nou? Ik wilde graag nadenken hoe ik niet als hen wilde eindigen, dom en hersenloos. En toen had ik het. Met mijn goede hand pakte ik een paar labjassen en duwde ik de deur open.
“Aarrghh!” De deur stuitte op weerstand en ik besefte dat ik net een zombie had gevloerd. Die dingen waren dus net zo dom als ik dacht. Maar ook net zo eng. Snel gooide ik een labjas over één van de rottende hoofden en rende ik verder, hopend de zombies voor te zijn. Snel rende ik de trap op en gooide ik de deur open.

Het ziekenhuis was in rep en roer en net op tijd wist ik de deur weer dicht te gooien en de wezens daar achter te laten. Zo, laat ze maar lekker wegrotten. Nu had ik een ander probleem om af te handelen.
Ik klemde een verpleegster aan om haar te vragen wat er aan de hand was. Ze keek me met grote, verschrikte ogen aan.
“Er is een zombievirus uitgebroken, ren voor je leven!”
Ik liet haar gaan en zuchtte. Vertel me iets wat ik nog niet wist. Het waren vooral de mannen met geweren waar ik me zorgen over maakte. Aan de andere kant, die geweren konden we dan weer goed gebruiken voor het zombieprobleem. Maar zoals het er nu voor stond, had ik twee problemen, die elkaar niet gingen oplossen.
Ik rende in de tegengestelde richting van de uitgang. Ik wist niet of dat een hele domme of een hele heroïsche actie was, maar onhandig was het wel. Het leek wel of ze hier nog nooit een evacuatie hadden geoefend. Aan de andere kant kon ik me wel weer voorstellen dat zombies niet op de noodplannen stonden.
“Goed,” zei ik tegen mezelf. “Waar zijn die zombies?”
Er was meer paniek dan gevaar, realiseerde me al snel. Vaag hoorde ik echter wel het grommen van wezens die overduidelijk niet meer menselijk waren. Daar moest ik dus wegblijven, als ik wilde leven. Wat deed ik hier dan nog?
“Clio!”
Ik kende de stem niet, dus ik draaide me verschrikt om. Twee mannen in pakken richtten hun geweren op hen, zich niet realiserend wat er achter hen gebeurde.
“Geef je over!”
Ik stak langzaam mijn handen op. “Oké.”
Ze keken elkaar verbaasd aan. Maar ik had een plan. Nee, ik had geen plan. Het plan werd me gewoon in de schoot geworpen. Ik vroeg me af waarom ze de stank van rottend vlees niet roken, maar het hele ziekenhuis had sowieso geen sterke geur.
“Geef je over en we geven je de kans pijnloos te sterven.”
De deur achter ze schoof geluidloos open en eindelijk dan hoorden ze het grommen van de zombies. Verschrikt keken ze om, maar voor één was het al te laat. De zombie had zijn tanden in zijn nek gezet en het bloed spoot eruit. Ik voelde misselijkheid opkomen en keek weg. Een doffe klap, een gil en het was voorbij. De tweede man keek me doodsbang aan. Opeens leek mijn dood van iets minder belang dan zijn eigen dood.
“Help..” Hij smeekte het bijna. Wat verwachtte hij dan van mij? Waarom vroeg hij mij om hulp, nadat hij een geweer op me had gericht?
Maar ik kon niet nog een dood aanzien. Ik hief mijn hand op en sloot mijn ogen. Al die adrenaline van vandaag moest toch helpen?
Een klap, een grom en dan stilte. Ik opende mijn ogen en zag hoe de man me met grote ogen aanstaarde. Hij had geen wonden. Ik was net op tijd geweest. De zombie lag onbeweeglijk op de grond en zijn soortgenoten deinsden terug.
“Pak het geweer van je collega,” zei ik kortaf. Alleen omdat ik zijn leven had gered, waren we nog geen vrienden.
Hij volgde mijn bevel twijfelend op en ik rukte het geweer uit zijn handen. Zodra een zombie te dicht bij kwam, schoot ik hem door zijn hoofd. Dit kon niet goed voor de hechtingen in mijn schouder zijn.
“Kom, ren!”
Wat had ik me nu weer op de hals gehaald? Ik hoopte maar dat hij me dankbaar genoeg was om geen kogel in mijn rug te schieten.

“Clio!” Deze keer herkende ik de stem wel. Het was dokter Jones, die erg opgelucht leek me levend terug te zien.
“Er is een zombievirus en… wie is dat?”
De man, of eigenlijk nog maar een jongen, glimlachte zenuwachtig. “Ik ben Tom.”
De dokter keek me verward aan. “En wat doet hij hier?”
“Nou,” zei ik nonchalant. “Hij kwam om mij te vermoorden, maar die zombies zitten een beetje in de weg.”
“Wat?”
“Ik.. Ik hoop dat ik jullie kan helpen de zombie-invasie te stoppen.”
We zwegen. Ik had, behalve ze allemaal door hun hoofd te schieten, ook geen idee. Wat als het zombievirus straks oversloeg op mensen? Hoe zat dat ook alweer in de films die ik had bekeken? Volgens mij waren we veilig, zolang we maar niet gebeten werden.
“Goed,” zei ik. “We weten een paar dingen over zombies: ze zijn smerig, stinken en zijn niet al te snugger. Daar moeten we toch iets mee kunnen, lijkt me.”
Tom en dokter Jones knikten.
“De doden veranderen ook in zombies, en de enige manier om dat te voorkomen is ze te verbranden. Dokter Jones, is het mogelijk om alle patiënten te evacueren?”
“Dat hebben we al gedaan. Het is wachten op de ambulances om de ernstig zieken af te voeren.”
De paniek was toch niet zo groot als ik had gedacht.

De rest van de tijd waren dokter Jones en een aantal van haar dappere collega’s bezig de rest van de patiënten af te voeren naar het ziekenhuis aan de andere kant van de stad. Ze kregen rugdekking van Tom en mij, en we hadden het er maar druk mee. Ik wist dat we op de een of andere manier definitief van die zombies af moesten komen, en langzaam werd het me duidelijk dat er maar één manier was om dat te doen. Burn, zombies, burn…
“Ik ga die dingen niet aanraken, hoor. Ik ben een dokter! Straks besmet ik mijn patiënten met het virus.” Dokter Jones had een goed punt. Ik keek naar Tom. Hij was immers het dichtst bij de zombie die hier lag, geweest. Hij schudde zenuwachtig zijn hoofd en deinsde terug. Dan was het dus aan mij. Maar eigenlijk wilde ik het ook niet aanraken.
“Heeft iemand lucifers of aanstekers?”
Stilte. Fijn. Als we nu naar de winkel gingen, waren we waarschijnlijk te laat, en ik wilde geen hele zombie-invasie op mijn geweten hebben, omdat de rij voor de kassa te lang was.
“Jij bent toch degene met super krachten, Clio?”
Ik zuchtte. Dat viel niet te ontkennen.
“En hoe zie je dat voor je. Ik kan niet gewoon heel sterk aan vuur denken, mijn hand ophouden en dan verwachten dat…” Vuur! Ik had vuur gemaakt! Een klein vlammetje in mijn handpalm leek rustig te wachten totdat ik hem zou vertellen wat te doen. “Blijkbaar wel, dus.”
Ik maakte een gooiende beweging en de vlam danste van mijn palm af en begon al snel te vreten aan de zombiehuid. Een ondraaglijke geur van brandend vlees drong mijn neus in.
“Clio, kun je dat vuur ook weer terugkrijgen?”
“Dat denk ik niet, hoezo?”
Omdat het zich verspreid.”
Ik schrok me kapot. Tom had gelijk gehad. Het vuur verspreidde zich als.. nou ja, een lopend vuurtje.
“Vlug, we moeten gaan!”

“Nou ja, één ding weten we zeker,” verzuchtte ik, terwijl ik wat beteuterd naar het uitbrandende ziekenhuisgebouw stond te kijken. “Het zombievirus is gestopt.”
Tom legde geruststellend zijn hand op mijn schouder. “Je hebt het beter gedaan dan de mensen in die zombiefilms.”
“Dat is wel zo. Laten we hopen dat er verder geen besmettingen zijn, anders zitten we weer in de problemen.”
De pers was er al, maar ik weigerde met iemand te praten. Gelukkig waren er nog geen camera’s. Tom vertelde ondertussen enthousiast zijn verhaal aan Kathryn, die nu eindelijk haar primeur had. Ik dook er stiekem tussenuit, en liet Tom en dokter Jones de heldenrol op hen nemen. Ik zou wel weer terug gaan als de pers weg was.
Dus zo was alles nog goed gekomen. Behalve dan dat ik een ziekenhuis in vlammen had doen opgaan. Oeps.

Reacties (1)

  • Catbox

    Wow haha, als het zo makkelijk zou zijn....
    Super leuk geschreven;)

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen