"Bij deze verklaar ik de vergadering afgelopen", sprak koning Rohan. Hij stond op van zijn plaats en alle aanwezigen volgden zijn voorbeeld. Statig schreed hij de zaal uit, geflankeerd door twee wachters. Zijn verschijning was op zijn zachtst gezegd indrukwekkend. Zijn wachters waren lang en gespierd en droegen een nauw aansluitende borstkuras van opgepoetst staal die hun figuur goed liet uitkomen. Ze dienden bij de Onbreekbaren, al eeuwenlang de lijfwacht van het koningshuis van Vincan. De prachtig bewerkte scheden van hun zwaarden glinsterden in het licht van de ondergaande zon. In krullende, gouden letters stond de slagzin van de Onbreekbaren op de zilveren schede: "Samen één" Verder droegen ze een leren broek en een rode tunica. Hun ontzagwekkende verschijning werd enkel overschaduwd door die van hun Vorst. Rohan was iets korter dan de wachters, maar even slank en gespierd. Hij had een bruine paardenstaart die tot op zijn schouders hing en samengehouden werd door een gouden haarband. Zijn gezicht was mooi en slank, maar straalde toch kracht uit. Hij droeg dezelfde kleren als zijn beide lijfwachten, alleen waren alle kleuren tegengesteld; waar zij zilver droegen, droeg hij goud en omgekeerd. Hij had geen mouwen en zijn gespierde, maar toch slanke armen drongen respect af. Iedereen zag meteen dat er met hem niet te lachen viel. Het was gebruikelijk in Vincan dat de Vorst tevens de leider was van de Onbreekbaren. Het vorstenhuis kende een stamboom van krijger-heersers die allen helden in de strijd waren geweest. Ook bij Rohan was dat niet anders. Rohan liep samen met zijn twee lijfwachten de zaal uit. Hij had net vergaderd met de Hoge Raad, waarin de rijkste families van zijn koninkrijk zetelden. Ze hadden vergaderd over de toestand in de vier koninkrijken. De oorlog had beangstigende proporties aangenomen, en het was niet zeker dat Vincan veilig zou blijven. Tot nog toe was het koninkrijk gevrijwaard gebleven van al het geweld, maar dat kon gauw veranderen. Rohan was er dan ook voorstander van geweest om Varenia te steunen, maar de Hoge Raad had erop gestaan dat hij zich afzijdig hield. Wat had Varenia immers ooit voor hen gedaan, zo betoogden ze. En als de oorlog dan eindelijk gestreden was, kon Vincan zich militair laten gelden. De Hoge Raad zag een nieuw wereldrijk voor zich, geregeerd door henzelf. Ook Rohan had ooit zulke dromen gekoesterd. Zijn voetstappen galmden door de gang terwijl hij naar het trappenhuis liep. Hij daalde af naar het eerste verdiep en ging op weg naar de troonzaal. Daar aangekomen ging hij zitten op zijn eikenhouten troon, versierd met prachtige reliëfs die verhaalden over roemrijke veldslagen uit de Oude Tijd. "Laat de gezant binnenkomen", gebood hij de twee wachters die voor de grote dubbele deur stonden. De lijfwachten die hem al sinds de raadzaal vergezelden, stelden zich links en rechts van zijn troon op. Een korte man met een zwart sikje schreed de zaal binnen. "Weest geprezen, o grootste aller krijgers, nakomeling van Killian", sprak hij terwijl hij zich op zijn linkerknie neer liet zinken. "Sta op, ik heb slecht nieuws voor je. Hoe erg ik het ook voor jou en je landgenoten vind, wij zullen ons niet bemoeien met deze oorlog." De man stond op, er was niets van zijn gezicht af te lezen. "Wij twijfelen niet aan uw wijze oordeel, maar vragen u deze zaak nog niet als afgesloten te beschouwen." Abrupt draaide hij zich om en verliet het vertrek, het gebruikelijke afscheidsprotocol achterwege latend. Rohan besloot deze belediging te negeren, want hij dacht er net zo over als de man. Waarom waren alle rijken toch zo kortzichtig? Het was allemaal de schuld van Ruben. Hij was een een roemrijke krijger die al vele tweekampen had gewonnen en in groot aanzien stond bij de adel. Hij had het grootste deel van de Hoge Raad overgehaald om tegen een militaire interventie te stemmen. Killian, geef me de kracht om hier doorheen te komen, bad Rohan. Hij wenste dat zijn goddelijke voorouder hier was geweest. Er werd gezegd dat hij ooit een draak in zijn eentje had overwonnen... In zijn ééntje! Rohan had nog nooit een draak ontmoet, die waren al vele generaties geleden uitgestorven, maar hij had over de beesten gelezen en wist dat het geen pretje moest zijn om een draak tegenover je te hebben staan. Met een zucht stond hij op van zijn troon, zoals altijd op de voet gevolgd door twee lijfwachten. Hij liep naar zijn privévertrekken waar hij had afgesproken met Pelar, de opperpriester. Zijn zoon was bij de man in de leer gegaan, want in tegenstelling tot zijn vader toonde hij geen militaire ambitie. De jongen verafschuwde alles wat met geweld te maken had en beschikte over een onstilbare honger naar kennis. Rohan maakte zich vaak zorgen over wat er van zijn rijk moest worden als hij er niet meer was. Zijn volk zou nooit een zwakke heerser accepteren. Hopelijk had de opperpriester goed nieuws te melden omtrent zijn zoon, dat kon hij wel gebruiken. Bij zijn vertrekken aangekomen beval hij zijn soldaten voor de deur te wachten en ging toen naar binnen. Zijn hoop op goed nieuws verdween zodra hij het zorgelijke gezicht van de in gedachten verzonken man zag. Het gezicht van de man werd op slag emotieloos. Pelar stond op en maakte een kleine buiging. De opperpriester was al behoorlijk oud, hoe oud wist Rohan niet. De man leek een vaste waarde in de hoofdstad Vinder, en sommigen meenden dat hij de bron van het eeuwige leven had ontdekt. Rohan geloofde hier echter niet in, als iets kon leven, zou het vroeg of laat ook sterven. Hij keek naar het gladgeschoren hoofd van de man dat hem afwachtend aankeek. Rohan maakte een handgebaar en de man ging weer zitten. Hij streek zijn blauwe toga glad en keek naar de brandende open haard. Rohan ging tegenover de man zitten en gespte zijn borstkuras zuchtend los. Daarna staarde hij even dromend voor zich uit, onbewust nadenkend over de toekomst. De kleine voorkamer was een van Rohans favoriete plekken in het paleis. Er stonden vier leren fauteuils in een halve kring rond de open haard, op een dik, zijden tapijt. Aan de wanden van de ruimte hingen wandtapijten met prachtige landschappen, waardoor je het gevoel kreeg dat in de open lucht zat. Het plafond was met mozaïeken versierd en bootste een blauwe hemel met witte wolken na. De kleurenovergangen waren zo subtiel samengebracht dat men kon spreken van een waar meesterwerk. Ondanks hun strijdlust hadden de Vincanen ook oog voor schoonheid. Pelar schraapte zijn keel en Rohan knipperde even met zijn ogen waarna hij de man aankeek. "Ik hoop dat u goed nieuws voor me hebt, dat kan ik namelijk heel goed gebruiken", spoorde Rohan de oudere man aan te beginnen. "Ik maak hieruit op dat de onderhandelingen weer niets hebben opgeleverd? Dat was wel te verwachten, maar ooit zullen ze tot inzicht moeten komen." "U denkt er dus net zo over als ik?" klonk het verraste antwoord. "Ik heb wat onderzoek verricht, en ik heb redenen gevonden om aan te nemen dat deze oorlog over veel meer gaat dan een simpele volksopstand." "Ja, dat hadden we ook al door. Geen enkele simpel boerenleger zou ooit zo ver gekomen zijn." Rohan klonk geïrriteerd en dat ontging de priester niet. "Daar had ik het niet over, ik spreek over iets groters." "Nog groter dan dit? Nu heeft u mijn aandacht, waar spreken we dan wel over?" "Ik heb redenen om te geloven dat De Voorspelling zich aan het voltrekken is." Rohan ging rechtop zitten en wreef met zijn hand hand door zijn stoppelbaard. "Mag ik u vragen hoe u daarbij komt." "Dat kan ik u niet vertellen, u zult me moeten vertrouwen." "U weet ook goed genoeg dat ik de Hoge Raad zo niet kan overtuigen." "Het is beter dat u ze hier niks over vertelt." "Wat bedoel je? Als je gelijk hebt, is dit net een van de sterkste argumenten die ik heb. Dit kan ik niet verzwijgen. Vertel me wat u gezien hebt." "Je zult het toch moeten verzwijgen, het gaat om je zoon..."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen