300 jaar geleden was het continent in oorlog. Sedor en Felor waren vroeger 1 land, maar de rijke inwoners van Sedor handelden in slaven, die van het armere Felor moesten komen. Na jaren van onderdrukking kwamen zij in opstand, met de hulp van Atthilis en Iywa versloegen ze na 47 lange jaren van vechten het veel grotere Sedor en zijn bondgenoten in de slag bij Fort Segar.
Felor werd onafhankelijk en slavernij werd in heel Sioenna afgeschaft, maar de materiële schade was immens. Sedor is nooit meer de immense macht geworden die ze eens was.
Elk jaar organiseerden de staatshoofden van de 6 landen in Sioenna een bijeenkomst, en als kroonprins van Sedor kwam prins Xylos mee met zijn vader.
Darrian, Jaysons broer, was hun opvolger van de troon en ging daarom ook altijd mee met hun vader, terwijl Jayson thuis achterbleef met zijn moeder en kleine zusje, dat hem altijd plaagde hierom.
“Drie minuten, hé Jay? Zoveel scheel jij met Darrian, en zoveel scheel jij met zelf een kroonprins te zijn. Hij zit nu in - waar is het dit jaar? – Northwatch, terwijl jij bij mij moet blijven. Moet lastig voor je zijn, of niet soms Jay?” vroeg ze met een geamuseerde grijns en pretoogjes.
“Zwijg en ga terug breien, Nevara!” riep hij dan geërgerd, wat hem meestal een klap op zijn achterhoofd opleverde van zijn moeder. Het had altijd al een beetje gevoelig gelegen bij hem dat Darrian dingen mocht die hij niet mocht. Met hun vader naar de bijeenkomsten gaan, leren over de politiek, kennismaken met andere koningen, naar verre landen meereizen… Jayson was lange tijd zelfs ervan overtuigd geweest dat zijn broer het favorietje was. Hij was jaloers, tot hij de verantwoordelijkheden die bij dit alles kwamen kijken beter begon te begrijpen. Naarmate hij ouder werd merkte hij dat hij veel meer vrijheid had dan Darrian, dat hij meer naar buiten kon en meer kon spelen met zijn beste vriend Zamir, dat hij minder snel op de vingers getikt werd als hij iets fout zei en dat hij niet moest socializen met de royalty van de andere landen. Sommigen vielen mee, zoals Gudea Nazir uit het warme woestijnland Iywa, of legercommandant Tordur, uit het oude barre Northwatch, maar prins Xylos uit Sedor deed Jayson zich zelfs als jongetje al altijd ongemakkelijk voelen.
Hij was namelijk een jaartje ouder dan hem en een beetje neerbuigend over zijn land, paleis en Jayson en zijn gezin in het algemeen. Hij had hem meerdere keren horen zeggen hoe Sedor groter en beschaafder was, hoe Atthilis naar natte hond rook en hoe het koninklijk paleis van zijn land zoveel groter was dan het “schuurtje” hier.
“De dienaars hier zijn zo onbeschoft, in Sedor kennen de elven tenminste hun plaats.” zuchtte hij toen hij weer maar eens aan het zeuren was.
“Waarom ben je dan niet gewoon daar gebleven?” had Darrian hem toen bits toegebeten. Jayson was beginnen gniffelen en beide jongens werden door hun moeder berispt en naar hun kamer gestuurd.
Een jaar geleden was Xylos’ vader overleden en had hij de troon van Sedor geërfd. Jayson, die ondertussen zelf in het leger zat zou hem normaal voor het eerst in 5 jaar ontmoeten in Fort Segar, op de grens, waar elk jaar de wapenstilstand werd gevierd. De hoogste officieren van Atthilis en die van Sedor kwamen er dan samen om de oorlog samen te herdenken. Xylos had duidelijk iets totaal anders in gedachten.

Zamir beende door het modderige land met Jayson over zijn schouders gedrapeerd, niet helemaal zeker waar hij heen ging of wat hij van plan was. Zonder medische hulp zou zijn compagnon het nooit halen, dus iemand met verstand van geneeskunde vinden was zijn prioriteit. Maar waar moest hij zo iemand vinden? Het dichtstbijzijnde dorp was enkele tientallen kilometers verder en Zamir wist niet zeker hoeveel bloedverlies Jayson nog aankon. Hij probeerde de pijn in zijn eigen schouders en kuiten te negeren, maar dat werd moeilijker met de minuut. Zijn gedachten bleven maar afdwalen naar het slagveld, dat al zijn vrienden nu wel dood zouden zijn. Waarom? Waarom vielen de Sedoren Atthilis aan? Ze hadden niets gedaan om een aanval uit te lokken en de Sedoren hadden op hun beurt geen teken van vijandigheid meer gegeven sinds de Grote Oorlog, 300 jaar geleden.
Vandaag had een dag van vrede moeten zijn. Het was de dag dat het einde van de oorlog werd gevierd, in fort Segar op de grens tussen Sedor en Athillis. De hoogste officieren van beide landen kwamen elk jaar naar daar om samen te dineren en drinken. Een teken van familiariteit tussen de twee landen. Atthilis had zich kwetsbaar opgesteld en Sedor had daarvan gebruik gemaakt. Het was een slimme zet, achterbaks en afschuwelijk lafhartig, maar wel erg strategisch. Kom met een leger, waar Athillis slechts met enkelen komt. Doodt de officieren en hun leger heeft geen aanvoerders meer. Zonder aanvoerders, chaos. Met chaos, mogelijkheid.
Plotseling voelde hij hoe zijn voet iets hard raakte, een steen waarschijnlijk, en hoe hij zijn evenwicht verloor. Hij probeerde het nog terug te vinden door zijn gewicht naar achteren te verplaatsen, maar tevergeefs. Hij belandde languit op de grond met het gewicht van Jayson op zich. En pas toen hij daar lag besefte hij hoe zwaar hij zelf aan het ademen was. Hij moest een pauze. Hij kon niet meer.
Enkele minuten bleef hij daar liggen, in de ijskoude stinkende modder, luisterend naar zijn ademhaling en die van Jayson, die steeds zachter werd, totdat hij een andere klank waarnam.
Hij hief zijn hoofd op, om het beter te kunnen identificeren. Het waren stemmen, in de verte. Ze klonken heel erg vaag en hij had werkelijk geen flauw idee wat er gezegd werd, maar een ding wist hij heel zeker: hij moest erheen.
Zamir raapte al zijn resterende kracht bijeen en kroop terug overeind. Hij nam Jayson vast bij zijn schouders en begon hem moeizaam mee te slepen, in de hoop hem niet nog meer te verwonden. Naarmate hij dichterbij kwam, werden de stemmen duidelijker. Het waren minstens 3 personen. Nee, minstens 5. Nog meer.
Zamir bleef doorgaan en doorgaan tot hij na wat wel een eeuwigheid leek de geluidsbron in vizier kreeg. Het was een zigeuners karavaan.
Een oude vrouw, volledig in het rood met zware oorbellen, die aan het praten was met een jong meisje keek verbaasd op toen ze hem in de verte zag aankomen. Ze verliet meteen haar gesprek en kwam aangelopen.
“Wie zijn jullie? Wat doen jullie hier? Waarom zijn jullie gewond?” vroeg ze. Zamir haalde diep adem voor hij antwoord gaf.
“Dat leg ik later wel uit, eerst heeft mijn vriend verzorging nodig.” De vrouw keek hem wantrouwig aan en Zamir begon snel zijn geduld te verliezen.
“Heeft u eventjes? Mijn vriend is aan het doodbloeden!” brieste hij.
“Denk je dat ik je op die manier zal helpen, jongeman? Antwoord eerst op mijn vragen en dan help ik misschien je vriend.” zei de vrouw. Zamir begon bijna te schreeuwen van frustratie maar wist zich wijselijk in te houden.
“Mijn naam is Zamir, en dit is prins Jayson Avelaith, broer van koning Darrian. We waren in Fort Segar om zoals elk jaar de wapenstilstand te vieren, maar werden aangevallen.” De ogen van de vrouwen verwijdden wat.
“Aangevallen? Door wie dan?” blafte ze. Het klonk meer als een bevel dan een vraag.
“Sedoren.” Haar ogen werden zo mogelijk nog groter toen hij dit zei.
“Oh jeetje…” mompelde ze terwijl haar blik een beetje afdwaalde. Toen ze echter besefte dat Zamir en Jayson er ook nog waren draaide ze zich om en riep ze tegen een van de zigeuners die vanop een afstandje aan het toekijken was:
“Haal Erith.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen