Foto bij Hoofdstuk 30

Zozo, hoofdstuk dertig alweer.

Het water golft zacht. Hier houdt het eiland op. De zachte golfjes slaan kapot op de punt van mijn laars. Ik voel me vreselijk en gebroken. En vooral verschrikkelijk eenzaam. Ik ben de hele tijd in de arena alleen geweest, het gezelschap van een ander had ik niet nodig. Maar nu wil ik dat Raikon hier was. Dat ik mijn hoofd op zijn schouder kon leggen en gewoon even rustig kunnen uithuilen. Even niet de ogen in mijn rug nodig hebben. Dat hij er niet is, slaat als een klap in mijn gezicht. Het enige dat ik weet, is dat hij nog leeft.
Ik strompel iets terug naar de bosrand en laat me dan op een bemoste boomstam zakken. Ik dwing mijn vingers het heft van het zwaard los te laten, eveneens als het handvat van mijn mes.
De twee wapens ploffen in het mulle zand, wat gelijk aan de bloedvlekken gaat kleven. De riem leg ik op de stam neer. Ik blijf er een tijdje naar staren, me ervan bewust dat ik iets moet gaan doen aan mijn verwondingen. Het is niet dat ik bang ben voor wat Levi heeft aangericht, het is alleen enorm weerzinwekkend. Na een paar minuten besluit ik het uit te stellen en eerst mijn wapens schoon te maken. Met een plof valt mijn rugzak, die wonder boven wonder nog steeds op mijn rug zat, in het zand.
De angst in mijn lichaam is weg, de woede komt niet. Ik voel me alleen maar leeg. Ik loop naar de waterrand en spoel al het bloed eraf. Sommige vlekken zijn al opgedroogd en laten zich niet met het zoute water verwijderen. Met een beetje fijn zand van de bodem schuur ik het er alsnog af. Mijn mes, dat ik eerst zo achteloos in mijn schede had gestoken, blijkt niet eens zo vies te zijn. Het bloed gaat er gemakkelijk van af. Het glanzende zilver weerkaatst mijn gezicht. Ik kijk weg. Ik hoef niet te zien hoe ik eruit zie. De nu weer schone, en natte, wapens, veeg ik droog aan het zachte mos dat hier overal groeit.
Mijn messen berg ik weer op in de schedes, maar het zwaard is veel te groot. Bovendien, de schede hangt net boven mijn heup, met het extra gewicht zou het misschien mijn wond bereiken, die er met de minuut pijnlijker uit gaat zien. Om mijn aandacht ervan af te leiden bekijk ik de riem van Marten. Hij is gemaakt van een materiaal dat ik niet herken. Het is zwart en glad. Het lijkt een grote schede, een beetje vergelijkbaar met die van mijn messen. Ik pak het zwaard en probeer of het past. Zonder haperingen glijdt het zwaard in de schede en sluit perfect.
De glanzende kling verdwijnt helemaal, en alleen het zwart met zilveren gevest is nog zichtbaar. Marten droeg hem om zijn middel, maar hij hing er onhandig. Ik probeer hem om mijn schouder te hangen, zodat de zwarte band schuin over mijn borst loopt. De schede, die ook grotendeels op de riem zelf ligt, is gemakkelijk te bereiken. Een zwakke lach vormt zich op mijn gezicht. Ik grijp het gevest vast, dat iets boven mijn linkerschouder uitsteekt, en trek het zwaard tevoorschijn. Een metalige trilling zingt door de lucht en er kruipt een rilling langs mijn ruggengraat. Ondanks dat Marten me er bijna mee gedood heeft, ben ik er niet bang voor. De kling glanst in de zon, de wreedheid ervan verdwijnt. Het zwaard is licht, en nu ik het in mijn hand zie, en niet in die van Marten, ook elegant. Het zwaard heeft een perfecte balans en past eenvoudig in mijn handpalm, alsof het voor mij gemaakt is. Een tevreden gevoel stroomt door mijn lichaam en verjaagt de kille leegte.
Een luid kanonschot verscheurt de stilte. Ik spring als door een wesp gestoken overeind, en kijk schichtig om me heen. Maar de hovercraft blijft boven een eilandje in de verte zweven. Ik neem aan dat daar nog andere tributen zitten, die hier nu gelukkig niet zijn. Mijn hart wordt weer rustig. Ik zet de dode tribuut uit mijn hoofd en zwaai een paar keer met het zwaard in het rond, als er nog een kanonschot klinkt. De hovercraft hangt nog steeds stil boven het eiland. Onwillekeurig schiet de gedachte dat dat er weer twee minder zijn, door mijn hoofd. Verafschuwend berg ik mijn zwaard op. Eigenlijk wil ik nu in een boom klimmen, hoog en veilig, en slapen, maar ik moet mijn wonden echt verzorgen en op en manier aan water komen.
Mijn rugzak is een beetje modderig, maar alles lijkt er nog onbeschadigd in te zitten. Opgelucht pak ik de spullen die ik nodig heb.
Het helpt om bezig te zijn. De spanningen trekken langzaam uit mijn spieren. Om mijn arm wind ik voorzichtig een stuk stof, om het tegen het ergste vuil te beschermen. Dan ben ik klaar, op mijn heup na. Het is niet verbrand, ontstoken of uitermate ranzig, maar mijn moed om hem schoon te maken is ver te zoeken. Ik slik en kijk naar achteren. Niemand. Voor me schittert de lege watervlakte me tegemoet. Het zal toch moeten. Ik houd mijn adem in en duw de rafelige resten van mijn broek opzij. De bloederige massa laat me bijna mijn ontbijt er weer uitgooien. Ik bijt op mijn lip en negeer het zure gal dat in mijn keel opstijgt.
Er sijpelt een dun straaltje bloed naar beneden, maar is zijn hoogtepunt al gepasseerd. De wond lijkt gelukkig schoon, met een bloedvergiftiging kan ik het wel schudden. Ik druppel wat jodium in de wond, maar kan een klein, piepend geluidje nog maar net onderdrukken. Ik mag geen zakte tonen door deze verwonding. Niet als ik geholpen wil worden. Medelijden levert geen medicijnen op. Bewondering omdat je weigert te bezwijken wel. Dus ik bijt mijn kiezen op elkaar en ga door. Alleen heb ik niet meer middelen om mijn heup te verzorgen. En dit is te weinig, dat weet ik zeker. Het zal niet gelijk gaan ontsteken, maar ik denk dat het zal niet lang duren. Het is maar een klein flesje jodium, en ik heb het ook nodig voor het drinkwater.
Ik moet verder. De zon klimt steeds hoger, en in deze toestand kan ik het me niet veroorloven om gevonden te worden. Met een stevige tak waar ik mijn gewicht op kan laten rusten, loop ik het koele bos weer in. Ik kom aardig vooruit, maar niet zo snel meer als eerst. Ik moet sneller rusten om mijn heup te ontzien en kijk constant gespannen achterom, hoewel er niemand blijkt te zijn. Na mijn derde rustpauze schiet ik in de stress. De geluiden van het bos zijn allang niet meer ontspannend, elk takje dat kraakt bezorgt me de koude rillingen en al mijn spieren zijn constant helemaal gespannen. En mijn heup doet pijn. Heel erg. Vlak bij een open plek houden mijn benen me niet meer. Met een klap zak ik op de grond, niet in staat zijnde om weer overeind te komen.

Reacties (1)

  • EvilDaughter

    O nee!
    Er moet een fluitend dingetje komen met zalf en soep om haar te verzorgen! Van sponsors
    En ze moet Raikon tegekomen:)

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen