Foto bij Hoofdstuk 5

Het Oud Stadhuis torende dreigend boven me uit. Het was het gebouw dat, wanneer je eenmaal heel erg dicht bij stond, op je leek te vallen om je zo te verpletteren. Niet alleen dat, maar ook het feit dat een forse bewaker de ingang blokkeerde, zorgde ervoor dat ik liever meteen rechtsomkeer maakte. Hoewel ik doodsbang was voor hetgeen dat erop me te wachten stond, dwong ik mezelf toch om een stap naar voor te zetten. En nog één. Ik had niet voor niets vier uur in een sneltrein gezeten. Ik kon niet meer terug.
Zodra ik dicht genoeg was om met zekerheid te kunnen zeggen dat mijn bestemming wel degelijk het Oud Stadhuis was, stapte de bewaker met grootse passen op me af en vroeg hij met een zware, brommende stem wat ik hier kwam zoeken.
Het eerste wat me opviel aan de bewaker, was dat hij iets te veel hamburgers gegeten had en niet de moeite deed om zijn dikke buik te verhullen met losse kledij. Het tweede was zijn zonnebril. Hij keek over me heen omdat hij zeker een halve meter groter was dan ik, maar deed niet de moeite om me aan te kijken, waardoor ik meteen wist dat deze gast even weinig zag als de rest. Dus, waarom in hemelsnaam droeg hij een zonnebril?
‘Ik ben hier voor Zij Die Liefde Verbannen Hebben,’ legde ik uit. ‘Ik heb een uitnodiging gekregen.’ De uitnodiging, die ik had opgevouwen en in mijn broekzak had opgeborgen, voelde opeens heel erg zwaar aan. Het leek wel alsof ik een baksteen in mijn zak had gestoken. Nog even, en ik zou gedwongen worden om door mijn knieën te zakken als een gelovige man die wilde bidden - of een zielige tiener die smeekte of hij heel misschien toch eens de leden van Zij Die Liefde Verbannen Hebben mocht zien. Waarschijnlijk was die tweede optie meer waarschijnlijk.
‘Mag ik de uitnodiging zien?’ vroeg de bewaker.
‘Meneer, u bent blind,’ zei ik en ik schaamde me in zijn plaats. Dacht hij echt dat hij kon doen alsof zijn ogen prima in orde waren? Een duistere zonnebril opzetten zou heus niet bijdragen aan zijn geloofwaardigheid. Als je het mij vroeg, zorgde het ding er net voor dat hij extra amateuristisch overkwam.
Even werd hij lijkbleek en veranderde zijn mond in een dun lijntje. Een lijk, ik had geen idee of er een andere manier was waarop ik hem op dat moment kon beschrijven. Deze blik was misschien wel erger dan de uitdrukking van daarnet, die leek te schreeuwen dat ik me best zo snel mogelijk uit de voeten maakte.
Gelukkig kreeg hij snel weer kleur op zijn gezicht en krulden zijn mondhoeken omhoog in een vriendelijke glimlach. Tegelijkertijd, alsof het op die manier getimed was, brak de zon door de wolken en verlichte deze het Oud Stadhuis alsof het een of andere hemelse plek was. Maar hoe langer ik naar het gebouw staarde, hoe meer de rode kleur van de gevel leek te veranderen. Als ik niet beter had geweten, had ik gedacht dat het gebouw geverfd was met bloed, en dat het bloed ook nog steeds van de gevel droop.
‘Gaat u maar naar binnen,’ zei de man. De uitnodiging leek van geen enkel nut meer te zijn. Behoedzaam passeerde ik de bewaker, die het vast heet moest hebben met zijn zwarte kledij in de felle zon. Eenmaal bij de ingang van het Oud Stadhuis, keek ik nog even naar hem om, zodat ik er zeker van was dat hij me niet zou achtervolgen of me aan zou vallen - want opeens was ik ervan overtuigd dat de bewaker iets zou proberen om me tegen te houden. Maar er gebeurde niks. Helemaal niks. Geen afstandelijke sfeer, maar ook geen warme verwelkoming. Deze plek was zo neutraal dat ik me erover verbaasde dat hij überhaupt bestond.
Ik haastte me door de gangen en dwaalde wat rond, tot ik op een man stuitte, die me leek te verwachten en me naar een kleine kamer leidde. Een wachtkamer. Geweldig, dan kwam je eens stipt op tijd, dan moest je nog wachten. Kon het nog beter?
Ik zette me neer op een stoeltje, bladerde wat door een tijdschrift en wachtte geduldig af tot iemand me zou komen halen, al liet dat moment verdacht lang op zich wachten. Ongeduldig stond ik weer op, ijsbeerde ik doorheen de wachtkamer en liep ik naar de deur, waar ik doorheen gekomen was. Ik zette mijn hand op de klink en probeerde de deur te openen, maar het ding gaf niet mee.
Op slot, zei het stemmetje in mijn hoofd dat een tikkeltje paranoia was.
Je moet duwen, sukkel, zei het andere stemmetje, dat nog steeds bij zijn volle verstand was.
Met een wanhopige zwaai sloeg ik de deur open. Ik merkte pas dat ik iemand geraakt had, toen ik een hoge gil hoorde, gevolgd door een hele reeks verwensingen. Als bescherming tegen het kwaad dat zich aan de andere kant van de deur bevond, trok ik de deur weer een beetje dicht. Via het sleutelgat probeerde ik te achterhalen welk monster ik geraakt had.
Een jongen, die met een pijnlijk gezicht en gesloten ogen over zijn voorhoofd wreef. Hij leek niet veel ouder dan ik. Dat betekende dus dat het bijna onmogelijk was dat hij al banden had opgebouwd met Zij Die Liefde Verbannen Hebben. Ik zuchtte opgelucht. Hij had geen macht. Hij kon me niet ter dood laten veroordelen omdat ik de deur in zijn gezicht had geramd.
Zijn hand reikte naar de deurklink. Oh nee… Misschien zou hij me niet opmerken als ik heel stil was. Ja, ik moest me gewoon niet bewegen en doen alsof ik er niet was. Hij was blind, hij zou me niet opmerken. Ja, het perfecte plan. Zo zou ik tenminste geen gênante confrontatie moeten ondergaan.
Met het nodige gekraak ging de deur open. Ik sloot mijn ogen, hield mijn adem in en hoopte dat hij mijn aanwezigheid niet zou opmerken met zijn zesde zintuig - of met zijn stok. Wacht… Ik had geen stok gezien… Had ik erover gekeken?
Huh?
‘Ben jij de idioot die de deur opende met een perfecte timing? Man, je gedraagt je niet alleen als een idioot, maar je uiterlijk sluit ook perfect bij je persoonlijkheid aan.’
Shit.
Langzaam opende ik een oog. Het eerste wat mijn aandacht trok, waren zijn donkerblauwe ogen. Donkerblauw, niet wit, niet grijs, niet doods. Het meest onwaarschijnlijke was werkelijkheid geworden. Van alle dingen die ik niet had zien aankomen, was deze nog het minst verwacht. Deze jongen, die me met een minachtende blik aankeek en pure haat uitstraalde, was net zoals ik.
Hij kon zien.

Reacties (12)

  • Nifflerina

    Dat met die bewaker was vast om te testen of Jesse wel echt kon zien, voor hij het gebouw zou binnen gaan.
    Leuk hoofdstuk! Jesse heeft alvast een goede indruk gemaakt, haha.

    3 jaar geleden
  • SonOfGondor

    "Van alle dingen die ik had zien aankomen"

    Zien. Hehe.

    3 jaar geleden
  • Lorem

    Hahaha, dit was een grappig hoofdstuk.:P

    3 jaar geleden
  • Amren

    Op slot, zei het stemmetje in mijn hoofd dat een tikkeltje paranoia was.
    Je moet duwen, sukkel, zei het andere stemmetje, dat nog steeds bij zijn volle verstand was.


    Gebeurt elke keer als ik bij een deur aankom. :'D.


    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Jesse laat je niet misleiden. Jij bent cool en bent geen fan van die rare liefdeloze sekte. Deze jongen is waarschijnlijk een raar liefdeloos sektelid in wording. Kijk alsjeblieft uit bij al die idioten daar. Ik vind het helemaal niks :/

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen