Foto bij Hoofdstuk 10

Ik vrees dat we elkaar nog nooit eerder gezien hebben,’ zei het bekende meisje, terwijl ze haar benen over elkaar sloeg. Natuurlijk herkent ze me niet, fluisterde ik mezelf in, ze is blind; ze heeft me letterlijk nog nooit eerder gezien. En toch, een stemmetje in mijn achterhoofd vertelde me dat ze maar al te goed wist met wie ze te maken had, dat ze zich nog steeds herinnerde hoe ze me had gestopt toen ik op het punt stond de uitnodiging te verbranden. Ze speelde een spelletje met me. De heks.
‘Van toen?’ herhaalde de jongen die zich zonet bij onze groep had gevoegd. ‘Ik denk dat je iets specifieker moet zijn, wil je haar herinneringen aanwakkeren.’
Stomme betweter. Hoe meer hij praatte, hoe minder ik hem mocht. En ik was ervan overtuigd dat Stevey er hetzelfde over dacht.
‘Wie is zij?’ vroeg Stevey. De vraag die op ieders lippen lag. Alexander was de enige die ons een antwoord kon geven, maar op dat moment had ik het gevoel dat hij meer dan gewoon genoot van onze onwetendheid en zijn geheimpje daardoor liever voor zichzelf hield.
‘Noël,’ antwoordde het meisje in Alexanders plaats. ‘Ik ben Noël.’
‘Als Kerstmis,’ zei meneer Betweter. Iedereen keek hem even vreemd aan. ‘In het Frans,’ verduidelijkte hij, maar zowat iedereen negeerde zijn opmerking. Eigenlijk snapte ik niet eens waarom ik had besloten om deze gozer meteen te haten. Hij had gewoon een bepaalde eigenschap die ik niet kon uitstaan. Misschien was het zijn manier van spreken, of zijn manier van doen – of zijn gezicht dat me niet aanstond.
‘En wat doet “Noël” hier?’ schoot Stevey meteen haar tweede vraag af, die recht in de roos zat. ‘Ze is blind,’ ging ze verder. ‘Ik dacht dat u ons had ingehuurd net omdat we konden zien.’ Stevey hield haar blik strak op Noël gericht. ‘U zei dat kunnen zien een soort superkracht was in een blinde wereld.’
‘Dat is het ook.’ Alexander wenkte Noël, die met veel moeite opstond en met sierlijke, lichte passen naar ons toeliep. ‘Maar laat me meteen met de deur in huis vallen: Noël gaat jullie begeleiden bij jullie tocht. Ze is de enige die ooit levend terug uit dat bos is gekomen. En bovendien: ze is een heks.’
Wow, was Alexander telepathisch begaafd? Ik durfde te wedden dat ik Noël twee minuten geleden ook een heks noemde. Maar, wacht… Waarom zou hij haar beledigen als hij twee seconden geleden nog zei dat ze ons zou begeleiden? Daardoor kwam ze niet bepaald in een goed daglicht te staan, vreesde ik.
‘Een heks?’ herhaalde Stevey ongelovig. ‘Als in een sprookjesfiguur? Of zit je die meid nu serieus te beledigen waar ze bijstaat?’ Misschien kon iedereen in deze kamer mijn gedachten lezen. Misschien was ik de enige zonder specifieke superkracht.
‘De eerste optie,’ bevestigde Alexander. ‘Ze kan toveren.’
Ik legde mijn hand op mijn mond om mijn gegiechel in te houden, maar faalde in mijn opzet. Ja, ik had het eerder gehad over superkrachten, maar om eerlijk te zijn geloofde ik er helemaal niks van. Elfjes, feeën, tovenaars en heksen; voor mij waren het allemaal onnozele fabeltjes die niks te betekenen hadden.
‘Dat kun je niet menen,’ proestte ik.
‘En waarom niet?’ vroeg Alexander met een serieuze, toonloze stem.
‘Omdat magie niet bestaat,’ antwoordde ik op dezelfde manier.
‘Hoe kun je zo overtuigd zijn van je gelijk?’ vroeg meneer Betweter ongelovig. Was hij dan wel meteen weg met dit verhaal? Geloofde hij echt dat magie bestond, ondanks alles wat hij in zijn leven had meegemaakt, ondanks alle mensen die hij blind had zien worden?
‘Omdat niemand blind zou zijn als er iets bestond als magie,’ zei ik, terwijl mijn irritatie omsloeg in woede. Wat probeerden ze me hier eigenlijk wijs te maken? Was dit soms allemaal één grote grap en zat Erin mee in het complot? Officiële maak-Jesse-iets-wijs-dag?
Oh, alsjeblieft, laat dit een stomme, flauwe grap zijn waar we binnen twintig jaar allemaal nog eens mee kunnen lachen…
‘Mijn krachten zijn sterk, maar niet zo sterk,’ sprak Noël. Het zou een logisch argument kunnen zijn, maar om de een of andere reden weigerde ik haar te geloven. ‘Maar als je per se bewijs nodig hebt, kan ik je dat geven. Wil je magie zien, dan kan ik het je tonen. Maar kom achteraf niet klagen, meneer Argwaan.’ Wat een verschrikkelijke bijnaam. Ik was niet achterdochtig, ik was realistisch – niet meer, niet minder.
Noël kwam tegenover me staan en strekte haar arm, terwijl ze haar handpalm naar me toe richtte alsof ze iets probeerde te stoppen. Een kleine regenboog van kleurrijke stofdeeltjes verscheen in haar hand en danste schitterend in het licht dat door het grote raam naar binnen viel. Ja, het was bewonderenswaardig en ontzettend mooi. Maar nee, ik geloofde nog steeds niet dat het om magie ging.
‘Niet overtuigd?’ zei ze met enige irritatie in haar fluwelen stem.
‘Niet echt,’ mompelde ik. Op dat moment dwaalden mijn gedachten opnieuw af naar Erin, die ergens helemaal alleen rond moest zwerven in dat bos – of misschien was hij al dood. De gedachte aan Erin was zo verpletterend dat ik het gevoel kreeg dat de zwaartekracht tien keer zo sterk op me inwerkte als gewoonlijk. Het voelde alsof ik mezelf in een afgrond had gestort door aan hem te denken, maar zijn bestaan vergeten zou voelen als een soort verraad. Dus deze keer liet ik de herinneringen toe, en daarmee ook het schuldgevoel.
Ik sloot mijn ogen en ik probeerde me Erin voor de geest te halen. Ik zag zijn witte haren, zijn lichaamsbouw en ieder detail van zijn gezicht; zijn wenkbrauwen waar ieder meisje een moord voor zou doen, de vreemde kronkel die zijn voorhoofd ontsierde, de kuiltjes die in zijn wangen verschenen iedere keer wanneer hij glimlachte… Alles, behalve zijn ogen. Op de een of andere manier kon ik zijn ogen niet meer voor de geest halen. Ja, ze waren grijs en dof als de rest, maar ook weer niet. Ik zag zijn gezicht voor me, maar in plaats van een paar normale ogen, zag ik een twee zwarte gaten die me probeerden op te slokken om me mee te nemen naar de diepste afgronden van de oneindigheid.
En toen, vlak nadat de eerste zoute regendruppel over mijn gezicht gleed zoals een kleuter van een glijbaan, drukte een enorme kracht me samen, waarna ik door de kamer werd geslingerd om met een enorme impact tegen de muur te belanden. Mijn rug kreeg de grootste schok te verwerken, al was mijn hoofd er ook niet ongedeerd mee weg gekomen.
Langzaam opende ik mijn ogen, die enkel pijn konden uitstralen, want dat was ook het enige wat ik voelde.
Noël stond nog steeds op dezelfde plek, zo’n vijftien meter bij me vandaan. Een hand die zeker twintig keer zo groot was als de hare zweefde in de lucht als een verlengstuk van haar lichaam. Iedere beweging die haar hand maakte, volgde het reusachtige exemplaar dat in de lucht hing. Ergens kon je zeggen dat het gigantische ding doorzichtig was, maar dat was ook weer niet helemaal waar. Het had een oranje schijn die de contouren van het ding omlijnde. ‘Dit,’ zei Noël terwijl de enorme hand terugkromp naar een aannemelijke grootte en weer één werd met haar eigen hand, ‘is magie.’

Reacties (12)

  • SonOfGondor

    Wauw... dus ja, ze is echt een heks

    3 jaar geleden
  • Lorem

    Yep... Dat is zeker magie, en au... Echt au... Ik voel de pijn, zoveel pijn.

    3 jaar geleden
  • Amren

    Jesse heeft volgens mij standaard een negatief oordeel over mensen als hij ze voor het eerst ziet, niet?

    3 jaar geleden
  • Slughorn

    Officiële maak-Jesse-iets-wijs-dag?


    Ha geweldig!
    Hij is wel een beetje sceptisch.

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Merp ik ship Jesse en Erin :')

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen