Foto bij Hoofdstuk 11

Eventjes lezen voordat je aan dit hoofdstuk begint:

Hallo beste lezertjes c:

Ik heb even een kleine mededeling: ik weet al vanaf het begin van het verhaal dat ik twee vertelperspectieven ga gebruiken, wat voor sommige misschien wat verwarrend kan zijn. Het eerste vertelperspectief is natuurlijk de eerste persoon, Jesse, gewoon getypt in het zwart. Maar vanaf nu gaan sommige hoofdstukken (of in dit geval een deel van een hoofdstuk) getypt zijn in het grijs. Het grijs is de personele hij/zij verteller, die verschillende personages zal volgen (maar waarschijnlijk vooral Tobio). Ik hoop dat het niet al te verwarrend wordt en dat jullie hierdoor niet afhaken^^ In ieder geval bedankt voor het lezen!

Jullie moeten geen onnodige dingen meenemen,’ zei Noël, die zichzelf op de grond had gezet in kleermakerszit en rustig een boek las. Omdat het ding in Braille was geschreven, was het een stuk groter dan een normaal boek en kon het zo doorgaan voor een gedetailleerde atlas met een kaart voor ieder land in de wereld. ‘Ik hou er niet van als mensen sleuren met kleren, voedsel of wat dan ook. Als jullie tijdens de reis iets nodig hebben, kan ik dat makkelijk regelen met magie.’
Stevey liet haar enorme rugzak van haar schouder glijden en zette het zware ding neer op de grond. Het maakte zo’n luide plof dat ik me afvroeg wat Stevey allemaal in die rugzak bewaarde – stenen soms? ‘Ik wil één ding meenemen, als dat mag.’
Noël keek op, ook al kon ze niks zien. Misschien was het gewoon een automatisme dat ze nooit verleerd had. ‘Mijn stok,’ zei Stevey, die een metalen stok uit haar rugzak toverde. Het was een lange, massieve staaf, waarin een aantal dingen gegraveerd stonden – maar ik stond te ver weg om ook maar iets te kunnen lezen. ‘Het is een wapen.’ Dat wilde ik maar al te graag geloven toen ik het vlijmscherpe uiteinde van de ‘stok’ zag.
‘Je hebt geen wapen nodig,’ zei Noël beheerst, al hoorde ik in haar stem dat ze eigenlijk op springen stond. ‘Je ogen zijn het enige wapen van belang in deze strijd.’
‘Maar ik voel me veiliger met de stok.’
Noël zuchtte, maar gaf uiteindelijk toch toe. Een hele tijd bleef het stil, terwijl iedereen zich van de onnodige spullen ontdeed om zich daarna in een cirkel rond Noël te zetten.
‘Komt er echt niemand meer?’ vroeg ik, gewoon om voor eens en voor altijd zeker te zijn.
‘Nee, gewoon wij viertjes.’ Het was dus officieel: irritante jongen uit de wachtzaal zou ons niet vergezellen. Hij zou niet opeens binnen komen vallen om me de huid vol te schelden. Wat een opluchting…
‘En wat is het plan eigenlijk?’ Die vraag kwam van meneer Betweter. Hoewel ik hem niet mocht en hem het liefst zou veroordelen wegens zijn onwetendheid, was dat ook één van de vragen die op mijn lippen brandden. Als magie bestond, betekende dat dan ook dat de roddels waar waren? Was er echt zoiets als een magisch woud, vol bovennatuurlijk gevaar?
‘Al het kwaad bevindt zich in dat bos,’ legde Noël uit. ‘Ook de oorzaak van onze blindheid.’ Ze legde haar boek aan de kant en stond recht, waarna ze het denkbeeldige stof van haar jeans veegde. ‘We gaan naar dat bos, vernietigen wat ons dwarszit en we komen weer terug. Simpel als dat. Zeker voor jullie. Dat bos is blind, ieder dier dat er rondloopt, iedere stam die zich er heeft huis gevestigd; niks of niemand kan zien. Dus wees slim en gebruik je zicht in je voordeel; het is de enige kracht die jullie hebben. En nog één belangrijk ding: probeer niet verliefd te worden.’ Zodra ze die woorden had uitgesproken, begonnen haar handen paars te gloeien.
Herinnerd aan mijn afgang van daarnet, deed ik een stap naar achter, maar voordat ik uit de gevarenzone kon sluipen, greep Noël mijn hand beet en trok ze me weer in de cirkel. ‘Waag het niet de cirkel te verbreken, tenzij je graag aan wilt komen zonder been.’
‘Aankomen?’ zei ik vragend. ‘Wacht, gaan we al vertrekken?’
Stevey, die net zo overdonderd was als ik door het plotse gebeuren, zei jammerend: ‘Maar ik moet nog naar het toilet.’ Na die woorden werd alles zwart voor mijn ogen. Even voelde het alsof ik me bevond in het niets. Nee, ik bevond me niet in het niets; ik was niets. Alles leek te tollen, zowel ikzelf als de wereld rondom me – als ik het al een wereld kon noemen. De zwarte vlekken gingen over in een witte, open leegte, gevolgd door kleurrijke spikkels die zich als een helix rond mijn lichaam wikkelde.
Voordat ik het zelf besefte – en eigenlijk ook zonder enig besef van tijd – belandde ik op mijn billen in het zachte mos en hoorde ik het rustig stromen van een beekje. Duizeligheid zorgde ervoor dat er zwarte vlekken voor mijn ogen dansten, maar zodra de duisternis weggetrokken was uit mijn zicht, kon ik de pracht van het bos met mijn eigen ogen aanschouwen.
En God, ik had nooit ook maar kunnen denken dat een vervloekt bos zo buitengewoon mooi kon zijn.


Sander zat op de trappen van het gebouw en wierp een zijdelingse blik op Alexander, die trots voorbij wandelde. Zodra Alexander zijn aanwezigheid opmerkte, stopte hij en hurkte hij bij zijn oude vriend neer. ‘Je kijkt me aan alsof er een enorm belangrijke vraag op je lippen rust.’
Sander knikte, woog zijn woorden af en zei vervolgens met een zachte stem: ‘Je hebt drie mensen gevonden om naar het bos te gaan, toch?’ Hij had zijn stem met opzet gedempt, zodat niemand hun ultieme geheimpje kon afluisteren. Als iemand hoorde waar ze mee bezig waren, wist binnenkort de hele wereld het. En je wist hoe dat ging met roddels: de waarheid werd zodanig verdraaid dat er niet meer veel van overbleef.
‘Ja,’ zei Alexander op een fluistertoon. Zijn stem klonk heser dan normaal. Had hij zonet een ruzie gevoerd? Sander wilde het niet eens weten. Deze leider was een regelrechte vloek voor Zij Die Liefde Verbannen Hebben, en toch kon Sander niet zeggen dat hij Alexanders leiderschap niet waardeerde.
‘Hoeveel mensen zijn er nu? Mensen ouder dan achttien die nog steeds kunnen zien?’
‘Een stuk of acht,’ antwoordde Alexander. ‘Zij Die Liefde Verbannen Hebben niet meegeteld.’
‘Wat met de andere vijf?’ vroeg Sander, wiens hart een slag oversloeg. Hij had ter plekke dood neer kunnen vallen.
‘Maakt het uit?’
‘Tobio hoort ook bij de overgebleven vijf, niet?’ Sander wreef over zijn kin, een zenuwachtige tik die hij nooit had kunnen afleren.
‘Ja.’
‘Ga je… Je weet wel… Ga je hem niet beschermen?’ Sander wist maar al te goed dat Tobio en Alexander familie waren, al leek het Alexander niet veel te kunnen schelen. Hij was zo koel als een ijsblokje op de Noordpool.
‘Het maakt me echt niet uit wie ik moet opofferen om de mensheid te redden. Ik ben bereid offers te maken.’ Hij grijnsde breed en sloeg zijn armen over elkaar toen bleek dat de hint nog niet duidelijk genoeg was voor zijn achterlijke collega. ‘Sander, het kan me echt helemaal niks schelen of dat joch leeft of sterft.’

Reacties (8)

  • SonOfGondor

    Willen ze Jesse gaan opofferen? Iemand anders?

    Ik wil alleen Alexander dood hebben eigenlijk

    3 jaar geleden
  • Amren

    Wie is Tobio en waarom praat Sander zo vertrouwelijk met Alexander? Ik vertrouw die twee niet.(cat)

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Alexander is echt een bitch. Ik vind dit trouwens wel zorgwekkend, dat ze het hebben over mensen opofferen. Betekent dat dat ze het groepje van Jesse ook opofferen? :/

    3 jaar geleden
  • Rubin

    Ik heb het gevoel dat ik wat mis of vergeten ben, maar dat is waarschijnlijk niet zo. Je hebt het opzettelijk mysterieus gemaakt allemaal, goed zo. x) Volgens mij is Sander die irritante jongen uit de wachtzaal.

    3 jaar geleden
  • racetrack

    Sander.. Is Sander die meneer Betweter die ik dus echt voor geen meter vertrouw?

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen