Foto bij Hoofdstuk 38

Wat veel sneller is dan ik had verwacht. Hij komt niet dichterbij -gelukkig niet- maar in tegenstelling met mijn plan raakt hij ook niet achterop en blijft hij volhouden. Ik kan hem niet kwijtraken in de wirwar van bomen. Hij blijkt een conditie van jewelste te hebben en ik begin me af te vragen wat voor werk hij ooit gedaan heeft om me bij te kunnen houden. Mijn hart bonkt tegen mijn ribben terwijl ik op volle snelheid de arena doorkruis.
Ik kan echter nergens heen, dit deel is immers een eiland. Het is een race van uithoudingsvermogen, als ik niet volhoud om hem voor te blijven, ben ik er geweest. Als hij het niet volhoudt, heb ik ongelooflijk veel geluk. Maar, ik had mijn kansen om deze race te winnen een stuk hoger ingeschat, dan die van hem. Een fatale fout, blijkt nu.
Stoppen om proberen het gevecht met hem te winnen, is ook uitgesloten. In de glimp die ik van hem heb opgevangen werd dat wel duidelijk. Als hij me te pakken krijgt, breekt hij me in één handeling doormidden. Taak aan mij dus: Zorg dat hij je niet te pakken krijgt. Maar dat is nog wel moeilijker gezegd dan gedaan. Het lukt niet om te verdwijnen, hij is snel genoeg om elke keer weer te zien waar ik heen ga. Ik kan ook niet proberen in een boom te klimmen, want het duurt te lang voordat ik op een veilige hoogte ben. Mijn enige optie is om te blijven rennen, terwijl de ijskoude lucht scherp in mijn longen bijt. Als ik hierna Ronja tegen het lijf loop, is het spel uit.
En alsof ik haar tevoorschijn heb gedacht, zie ik haar staan op het strand. Ze druipt van het water, en lijkt erop dat ze er net uit is gekomen. Het is ongelooflijk koud, je adem blijft in wolkjes bij je gezicht hangen, en mevrouw gaat een rondje zwemmen? Ik kan begrijpen dat ze van water houdt, maar dit is te gek voor woorden. Bijna ben ik voorbij de grote opening van begroeiing, die me van Ronja’s zicht zal onttrekken, als er een schok door mijn loopritme gaat. Mijn benen haperen en een felle, hete pijn schiet vanaf mijn heup naar beneden, waardoor ik bijna mijn evenwicht verlies.
En afstand.
Ik hoor het aan het geluid waarmee hij verder rent. Hij heeft me bijna, en dat weet hij. Ik ben er geweest. Het geluid van de jongen achter me, trekt Ronja’s aandacht. Ik zie haar opkijken. En bijna zonder erbij na te denken, ren ik in een wanhoopsactie naar het strand, naar haar toe. Biddend, dat haar messen nog ergens in het water liggen. Dit is mijn enige kans.
Ik klem mijn kiezen op elkaar, terwijl de adrenaline en de doodangst mijn benen vleugels geeft. Desondanks houd ik een enthousiaste blik op mijn gezicht; als ze mij als prooi ziet, is dat alweer de zoveelste keer dat ik doodga.
Als de situatie niet zo hopeloos was, zou ik enorm hebben gelachen om de blik die haar gezicht tekent. Ik suis haar voorbij, na een uitgelaten ‘’Goedemorgen’’ geschreeuwd te hebben en vervolgens met een grote, maar half gefakete, grijns verder te rennen.
Een baldadig gevoel overspoelt me, maar ik kijk niet om. Hopend dat Ronja, nu gealarmeerd door mij, de volgende tribuut die langs haar zal rennen, niet zal laten ontsnappen. Achterom kijken is vertraging en vertraging is nu dodelijk. Ik richt mijn ogen op het strand voor me en probeer niet om te vallen van de pijn.
Het gekletter van staal op staal is mijn redding. Een meter of dertig achter me, is Ronja hevig in gevecht met mijn achtervolger. En ik leef nog.
De wereld, als die niet vertekend werd door de immense pijn in mijn been, ziet er alweer een stukje stralender uit. Mijn tempo neemt af, terwijl ik zwaar ademend de dekking van het bos weer invlucht. Een aantal meters na de boomgrens vervalt mijn rennen in een soort strompelen, terwijl ik uitgeput een boom zoek die me veiligheid zal bieden. De laatste meters tot mijn uitgekozen boom val ik bijna, met bloedende schrammen overal op mijn lichaam.
Trillend hijs ik mezelf de boom in, tak voor tak, centimeter voor centimeter. Mijn hele denken is gevestigd op het niet stikken in mijn eigen ademhaling en het niet uit de boom vallen. Als ik eindelijk zit, sluit ik mijn ogen en laat ik mijn hoofd tegen de ruwe stam aanzakken. Een zware hoofdpijn komt vanachter mijn slapen bonkend opzetten. Maar ik heb het overleefd. Ik ben niet dood. En ook niet alleen trouwens. Vanaf de tak boven me, zit een donkere gedaante me geïnteresseerd aan te kijken.
Shit.


Dames en Heren, de tweede Quizlet Games zijn in de lucht! Graag aanmelden in dit topic, als het je leuk lijkt om mee te doen ^^ Klik!

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen