Foto bij Hoofdstuk 15

Wanneer was hij precies dit bos binnen gelopen? Hij wist het al niet meer. Het was onmogelijk dat er uren waren gepasseerd, en toch leek het zo. Zijn adem stokte, de pijn in zijn zij was ondragelijk. Hij had het gevoel dat hij neer zou storten als een vliegtuig dat opeens zonder brandstof zat. Hij kon zichzelf slechts met moeite recht houden.
Maar opgeven stond niet in zijn woordenboek.
Hij was van plan om via een omweg door het bos naar een veilige plek te rennen. Ze konden onmogelijk het hele bos omsingelen, dus als hij geluk had, kon hij uit het bos ontsnappen naar een plek waar ze hem niet zouden zien. Dan zou hij naar een ziekenhuis stappen, zijn wonde laten genezen en dan kon hij weer vrolijk verder met zijn leven.
Toch?
Maar wat als ze wel op hem stonden te wachten? Wat als ze wisten waar hij woonde? Wat als de vijand die hij had gezien niet zijn enige vijand was? Die laatste vraag bezorgde hem waanbeelden. Plots waren het niet slechts drie blinde mannen met een geweer, maar de hele blinde gemeenschap. Wat als iedereen zich tegen hem had gekeerd?
Maar dan bleef er nog de grote vraag: waarom hadden ze hem willen vermoorden? Omdat hij kon zien? Dat zou een extreem laffe reden zijn, vond hijzelf. Bovendien was het ronduit belachelijk dat ze hem net daarom zouden vermoorden. Anderzijds: ze hadden Anya ook vermoord, en zij had ook kunnen zien. Was dat de link die de slachtoffers verbond, of was er meer aan de hand?
De vragen vermorzelden hem.
Hij schudde zijn hoofd en verplichtte zichzelf om aan iets anders te denken. Voordat hij zijn gedachten kon controleren, mondden ze uit bij Jesse. Een paar minuten geleden had Tobio hem in gedachten uitgescholden, maar als die idioot de deur niet in zijn gezicht had geslagen, was er een grote kans dat hij nu daar op de grond zou liggen in plaats van Anya. En hoe vreselijk hij het ook vond voor het onschuldige meisje, hij kon het niet helpen dat hij blij was dat zij als eerste het leven liet, en niet hij. En zo kwamen zijn gedachten terug bij de dood.
Hij versnelde zijn pas. De wereld leek om hem heen te tollen. Even moest hij halt houden om terug op adem te komen. Net op het moment dat hij terug wilde rennen, raasde er een enorme pijnscheut door zijn lijf, die begon bij zijn zij. Hij moest hoesten en proefde een koperachtige smaak in zijn mond en voelde hoe een warme straal bloed over zijn kind rolde.
Shit. Dit was niet goed.
Hij probeerde nog een stap vooruit te zetten, maar viel moedeloos op de grond. De koude lucht raasde over zijn lichaam en zorgde ervoor dat er een huivering over zijn rug liep. Hij rolde op zijn gezonde zij en voelde hoe al zijn levenskracht langzaam maar zeker zijn lichaam verliet.
Misschien was zijn lever geraakt. Waarschijnlijk wel.
Als hij niet snel hulp zou krijgen, was hij er geweest. Hij had gegokt dat zijn schotwonde niet erg was geweest, omdat hij nog steeds had kunnen lopen, maar dat hij nu roerloos op de grond lag, bewees het tegendeel.
Zou hij hier echt sterven, tussen de beesten? Niemand zou op zoek komen naar zijn lichaam uit angst voor dit bos. Hij zou hier wegrotten. Aaseters zouden het vlees van zijn lichaam scheuren. Hij was doodsbang. Hij wilde hier niet sterven, niet op zo’n manier.
Hij was beter niet gevlucht, dan hadden zijn ouders tenminste nog een lichaam gehad om in de grond te stoppen.
‘Help,’ piepte hij snikkend.
Hij was er zeker van dat hij zou sterven, dus toen hij twee laarzen voor zijn ogen zag verschijnen, was hij er zeker van dat het een illusie moest zijn. Maar dat was het niet. Waren dit de mensen die in dit bos leefden? Hadden deze mensen alle indringers vermoord? Hoeveel doden had deze onbekende jongen op zijn geweten? En belangrijker: op welke gruwelijke wijze zou hij Tobio vermoorden?
De jongen greep Tobio bij zijn haren, waardoor hij gedwongen werd hem aan te kijken. In het vage licht van de maan zag hij dat de jongen blind was. Zijn haren hadden een bijzondere kleur: wit als sneeuw. Toch kon hij niet ouder zijn dan Tobio zelf. Nee, hij moest wel jonger zijn dan hij.
‘Je bent gewond,’ merkte de jongen droogjes op.
Zou Tobio op hem in kunnen praten? Was er nog hoop voor hem? Misschien, heel misschien, kon hij deze gast overtuigen om hem naar een ziekenhuis te brengen. Dan was hij gered!
Tobio bereidde een hele speech in zijn hoofd, maar toen hij zijn mond opende, verliet geen enkel geluid zijn mond. Hij was zodanig toegetakeld dat zijn lippen hem niet langer wilden gehoorzamen. Hij was er geweest. Eerder dood dan levend.
Voordat Tobio ook maar iets kon doen, voelde hij hoe de jongen hem vooruit begon te slepen. Zag hij Tobio aan voor een lijk? Had hij eigenlijk wel door dat hij nog leefde? Tobio werd misselijk bij de gedachte. Misschien zou hij hem aan het spit rijgen. Was dat ook niet een van de geruchten? Dat hier een stam van kannibalen leefde?
Na twee helse minuten hoorde Tobio een riviertje stromen. Hoewel hij vreesde voor zijn leven, bracht het stromende water hem tot rust. Dit was een mooie plek om te sterven, besefte hij toen hij door het bladerdek de maan zag, de wolken waren opnieuw verdwenen. Het was een heldere nacht. Hij vond het opeens heel erg jammer dat hij niet wat vaker had genoten van de schoonheid van de nacht, nu hij die nog kon zien.
‘Wat is je naam?’ vroeg de jongen plots.
Was dat een goed teken? Dat hij naar zijn naam vroeg? Betekende het dat hij Tobio niet op zou eten? Tobio concentreerde zich op zijn lippen, maar kon geen enkel geluid produceren. Daarna probeerde hij morse code, door te tikken op een takje dat naast hem lag – hij kon het maar proberen.
‘Tobi,’ zei de jongen aarzelend, ‘o?’ Tobio was opgelucht dat tenminste iemand wist hoe hij aan zijn einde zou komen. Misschien kon deze jongen zijn ouders inlichten, als hij überhaupt al ooit dit bos verliet in zijn vrije tijd. ‘Ik ben Zafron,’ zei de jongen vervolgens.
Plots voelde Tobio hoe hij in het water rolde – hij was er haast zeker van dat de jongen hem een duw had gegeven zodat hij in de rivier terecht zou komen. Het water sloot zich om zijn lichaam. Hij had willen spartelen, maar zijn gewonde lichaam weerhield hem daarvan. Terwijl het water over zijn gezicht gleed en hem de adem benam, zag hij hoe het heldere water stilaan bloedrood werd. Hij voelde zich schuldig omdat hij dit prachtige water vervuilde met zijn bloed, dat vermengd was met een hele hoop zand.
Het water stroomde zijn longen binnen en op dat moment was het officieel; hij zou de verdrinkingsdood sterven. De laatste belletjes zuurstof stegen naar het wateroppervlak en hij sloot zijn ogen, langs de ene kant woedend omdat hij moest sterven, langs de andere kant opgelucht dat hij niet langer pijn hoefde te lijden.

Reacties (5)

  • SonOfGondor

    Ja, hij overleeft het vast wel. Niet dat het me het zoveel uitmaakt, ik heb Jesse veel liever

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Hij mag best even wat pijn lijden. Had hij maar vriendelijker tegen Jesse moeten zijn. Maar hij heeft wel doorzettingsvermogen. Ik like that.

    3 jaar geleden
  • Croweater

    Hij overleeft het vast, want een personage erin schrijven om hem enkel te laten sterven is niet zo zinvol.xD

    3 jaar geleden
  • Grace

    Ik denk ook wel dat hij het gaat overleven (;

    Ik moet eerlijk bekennenn dat ik de stukjes met Jesse wel prefereer. Het duurt altijd wat langer voordat ik in deze stukjes zit (:

    3 jaar geleden
  • Slughorn

    Pfff.. Ik heb om een of andere reden het idee dat hij het wel overleefd. Snel verder ^^

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen