Foto bij Agent Holemen & the Sword of Perseus [Part 5]

Washington, D.C., 10:09 AM US Eastern time, December 4th 2015

Let op! Clint Barton POV

De hele Hades brak uit.
      Het schip explodeerde. De brandende brokstukken vielen rond ons neer en ik deinsde achteruit. De Drakon verdween, want goed was, want mijn team was zo afgeleid door de ontploffing dat het monster ons had kunnen oppeuzelen zonder dat we het door hadden.
      Ik hoorde en zag hoe Rivka Becky's naam riep en naar de rand van de pier rende. Ik was nog net genoeg bij zinnen om haar tegen te houden en haar bij haar armen vast te houden.
      'Laat me los!' schreeuwde ze uit. 'Becky!'
      'Je kan niets doen!' riep ik terug. 'Het is te gevaarlijk! Die brokstukken zullen je verpletteren!'
Ze mocht dan wel een halfgod zijn en onderwater kunnen ademen, ze was alsnog niet onkwetsbaar. Het was te gevaarlijk om nu het water in te duiken en te zoeken naar Becky, als ze nog leefde.
      Ze leeft nog, dacht ik. Dat moest gewoon. Ze kon zich niet zomaar laten tegenhouden door een explosie en verdrinken.
      Ik wisselde een blik uit met Kate en ik wist dat we hetzelfde dachten. Die explosie was niet niks. De kans was klein dat iemand die kon overleven. Ik zuchtte, wat beter was het allemaal uit te schreeuwen, en liep met Rivka, die er nu verontrustend stil en verslagen eruitzag, en het team terug naar het busje.
      Het zwaard was weg. Becky was weg. De daders waren ontkomen. We konden niets doen, behalve contact opzoeken met SHIELD en wachten.


Washington, D.C., 12:39 PM US Eastern time, December 4th 2015

Het was ronduit verschrikkelijk.
      Inmiddels was er een team van SHIELD, vermomd als Homeland Security, naar het rampgebied gekomen en onderzocht het deel van de Potomac waar het jacht gezonken was. Ik had talloze keren gezien hoe ze brokstukken van het schip uit het water visten, maar ze konden geen sporen vinden van Rebecka of Harpe. Ergens hoopte ik dat, zolang ze haar lichaam niet konden vinden, Becky nog steeds leefde. Het was wanhopig, maar het was tot nu toe het enige dat me op de been hield.
      Rivka zat dichtbij de waterkant stilletjes naar de werkzaamheden te kijken. Ik wist dat ze liever mee ging helpen, met haar Poseidon-gaven en het vermogen om onderwater adem te kunnen halen, maar het was haar verboden. Ik begreep niet helemaal waarom, een of andere vage reden dat die actie nu risicovol was en 'we niet iets willen hebben als een ramp door een boze dochter van Poseidon'. Ergens wist ik dat ze Mount Saint Helens bedoelden, die uitbarstte doordat ene Percy Jackson een van zijn trucjes uithaalden, maar dat betekende niet dat Rivka op het punt stond om ook zoiets uit te halen. Dat dacht ik tenminste.
      Ik had al aan haar gevraagd of ze wilde lunchen, maar ze antwoordde dat ze hier wilde blijven. Om haar niet alleen te laten besloot ik hetzelfde te doen. Uiteindelijk besloot Kate lunch voor ons te halen (ze mompelde tenminste iets over vegetarische take away shoarma) en ging met onze andere teamleden de stad in. Rivka en ik bleven achter.
      Ik stond op van mijn plek in het busje en zag toevallig Becky's tas liggen. Opeens kreeg ik het fantastische idee om erin te kijken en naar haar mobiel te zoeken, mocht die niet met haar mee gezonken zijn. Ik wist dat elke agent een chip in zijn jasje had en dat je met je mobiel kon achterhalen waar die agent zich dan bevond (heel creepy, ik weet het). De zoekers van SHIELD beweerden wel dat ze dit geprobeerd hadden en dat het niets opleverde, maar ik geloofde ze niet. Ze leken zich meer zorgen te maken om het zwaard dan om Becky, waar ik het niet helemaal eens mee was.
      Ik ritste haar tas open, hoopte dat Becky het me zou vergeven dat ik door haar spullen ging, en ging op zoek. Wonderbaarlijk genoeg vond ik iets verpakt in een bebloede lap stof. Ik fronste, haalde het ding eruit en ontvouwde de lap.
      Het was een stuk metaal dat een erg bekende bronzen kleur had. Er zat een scherp randje aan, alsof het ergens afgescheurd was. Aan het randje kleefde nog steeds een beetje bloed en ik begreep dat dat van Becky moest zijn.
      Waarom had ze dit in haar tas zitten? Ik bedoelde, als SHIELD-agent was het haast onmogelijk om normaal te zijn, maar zelfs dit was vreemd. Ze had niet aan me verteld dat ze dit had gevonden.
      Het werd zo nodig nog vreemder. Toen ik het metaal met mijn hand wilde oppakken, lukte het niet. Mijn vingers gingen er recht doorheen, alsof het een illusie was. Ik fronste, vroeg me af of ik gek aan het worden was en probeerde het opnieuw.
      Nada, noppes. Het metaal glansde en het leek alsof de lucht eromheen vervormde, iets anders wilde laten zien. Het was echter zwak en het materiaal was nog evengoed zichtbaar. Ik kreeg door wat het was.
      Mist. En dan niet zomaar mist. Dé Mist, het magische goedje dat het sinds de Titanenoorlog niet meer goed genoeg de wereld van halfgoden en monsters kon verbergen van de stervelingen en zo ook kenbaar voor SHIELD werd. En als Mist rondom dit ding hing, was het eigenlijk min of meer wel duidelijk wat dit spul was. Geen metaal, maar brons.
      Goddelijk Brons.
      En als dit Goddelijk Brons was, en het bloed was van Becky...
      Ik sloeg mezelf bijna voor mijn hoofd (bíjna, ondanks dat ik het niet aan kon raken, wilde ik dat spul toch niet in mijn schedel hebben). Natuurlijk. Becky was een van hen. Een halfgod.
      (Slim, Clint. Slim)
      Het duurde een paar tellen voordat het echt tot me doordrong. Becky, een halfgod. Het was allemaal nog steeds vreemd. Haar vader was weliswaar onbekend, maar zoiets hadden zovelen. Zover ik wist had ze ook geen speciale krachten, ze kon niet in een dolfijn veranderen, om iets te noemen (kunnen halfgoden dat?).
      Ik besloot maar naar Rivka te gaan. Ik moest het haar dringend vertellen.


Unknown place, somewhere late on December 4th 2015

Rebecka Holemen POV

Het was zwart.
      Misschien was dat wel logisch. Ik wist niet precies wat ik moest verwachten van de dood. Een witte tunnel? Naakte baby-engeltjes die zongen? Een engel in een trenchcoat die me fronsend aankeek?
      Geen idee. Ik had in ieder geval niet het idee dat ik stikte, dus het kon niet iets ergs zijn.
      Langzaam kreeg ik gevoel terug in mijn armen en benen. Ik rook iets als gras en er kriebelde iets in mijn nek. Ik hoorde in de verte wat geluiden, maar ik kon het niet echt plaatsen. Het was warm, alsof het al zomer was.
      Ik opende mijn ogen.
      Ik zag een blauwe lucht met hier en daar wat wolkjes. Het was zonnig en ik lag op gras. Verbaasd krabbelde ik overeind. Ik was er nooit geweest, maar dit zag er niet bepaald uit als de Onderwereld.
      Ik zat op een heuvel en keek uit over iets dat leek op een Romeins fort, een castellum noemden ze dat volgens mij. Er liep een riviertje die een meer vormde bij een kleine stad, die verdacht veel leek op hoe het oude Rome er ooit uitzag. Er liep een aquaduct en op een andere heuvel lagen gebouwen die op tempels leken.
      Waar, in godensnaam, was ik?
      In de verte, op een uitgestrekt veld, liepen kinderen in paarse shirts en wapenrustingen te vechten bij een houten fort. Op de muren stonden dingen die leken op waterkanonnen en... was dat een olifant?
      Nog steeds verdwaasd probeerde ik alles op te nemen en te begrijpen wat ik zag, toen ik achter me een barse stem hoorde: 'Zo, ben je daar dan eindelijk?'
      Ik draaide me om en schrok me haast dood. Voor me stond een gespierde man van minstens twee meter me chagrijnig aan te kijken. Hij droeg zo'n overall jeans die weer hip onder de jongeren was geworden (jaja, ik weet mijn mode) met daaronder een groen, geruit overhemd. In een van zijn handen hield hij een met aarde bedekte schoffel vast, die waarschijnlijk de groenbruine vlekken op zijn kleding veroorzaakte, en in zijn andere hand had hij een met ranken begroeide knots.
      Een typische boer, zou je denken, afgezien van die knots dan. Daarnaast hing er ook een schild op zijn rug en zat er een zwaard aan zijn riem met tuingereedschappen.
      Ik probeerde er niet al te angstig uit te zien toen ik naar zijn gezicht keek, die half verscholen zat achter een stroblonde baard en schouderlang wild krullend haar.
      De man stond op het punt om iets te zeggen, toen mijn omgeving plotseling vervaagde. Opeens stond ik op een andere plek. Weliswaar nog steeds op een heuvel, maar verder was het totaal anders.
      In de verte lag een grote boerderij met een hemelsblauw dak. Niet ver daarvandaan lagen velden met wat leken op aardbeienplanten. Ook waren er vreemd uitziende gebouwen – ik zag een gebouw die van helemaal goud oplichtte, en van zilver, en een die bloedrood was – die allemaal in een omega stonden: Ω. In de verte glinsterde de zee.
      De zon was al een tijd onder en ik voelde een kou. Verderop, in een soort amfitheater, brandde een vuur en hoorde ik gelach. Ik voelde een soort heimwee opkomen, maar ik wist niet waarom. Ik raakte de takken van de dennenboom aan die naast me stond en waarin een gouden doek hing, die glinsterde in de nacht. Om de stam lag een koperkleurige draak opgekruld te slapen. Hij leek me niet in de gaten te hebben.
      Weer vervaagde mijn omgeving, dit keer minder schokkend. Ik stond weer op de andere heuvel, de vorige. De man was er nog steeds en keek zo nodig nóg chagrijniger.
      'Wel blijven focussen,' gromde hij. 'Ik weet dat dat moeilijk is voor een halfgod, helemaal voor jou, maar het moet even. We hebben niet veel tijd meer.'
      Ik fronste en keek weer om me heen. Deze plek voelde net zo vertrouwelijk aan als de andere. Wat was er in godensnaam met me aan de hand?
      De man keek op me neer. Zijn ogen hadden dezelfde stralende groene kleur als gras. 'Voor de zaak ermee. Jij bent Rebecka, toch?'
      'Uh. Ja.' Ik voelde me nog steeds een beetje wiebelig. Dat het leek alsof mijn omgeving vloeibaar was geworden en van de ene op de andere tel terug leek te veranderen in de andere plek, hielp niet echt mee. Alsof er twee televisiezenders waren die in elkaar overgingen. De ene keer leek het alsof het avond was, de andere keer leek het dag.
      De man knipte met zijn vingers voor mijn neus. 'Concentreren, ja? Ik ben hier om je het een en andere uit te leggen.'
      'Maar... wie bent u dan?' vroeg ik zeer snugger. Ja, toch? Hoe kon ik nou weten wie hij was?!
      Zijn chagrijnige gezicht leek te veranderen in iets dreigends. 'Ga je me nou vertellen dat je me niet herkend?'
      'Uh, ja, tenzij u me gaat doden,' piepte ik.
      'Goed dan.' Hij ging zitten op het gras en keek neer op de velden onder hem. 'Ik ben Quirinus, meid. Eén van de beschermgoden van Rome.'
      Ik besloot op enige veilige afstand van hem af op de grond te zitten en pijnigde mijn hersenen. 'Oh, oké. Oorlog en landbouw, toch?'
      Hij knikte. 'Precies. In gevaarlijke tijden transformeerden de eerste boeren in soldaten en werden helden van het volk.' Hij staarde me aan. 'Ben jij heldhaftig genoeg?'
      Ik aarzelde. Als agent deed je je werk en probeerde je niet na te denken aan het feit dat op sommige momenten het lot van de wereld in jouw handen lag. Was ik een held?
      'Geen idee,' antwoordde ik. 'Ik doe gewoon wat er nodig is.'
      Hij knikte. 'Je kan maar beter snel erachter komen of je heldhaftig genoeg bent. Je hebt een gevaarlijke taak.'
      'Welke?'
      'Het zwaard, natuurlijk! Op dit moment lig je bewusteloos ergens op de oever van de Potomac. Harpe is niet ver weg van je verwijderd. Die fishlet graecus heeft je gered.' Hij spuugde even op de grond. 'Hoe dan ook, je moet het zwaard pakken en het zo snel mogelijk naar dat Griekse kamp brengen, zonder door monsters opgegeten te worden, ja?'
      Ik was niet dood. Oh goden, ik leefde. In een razend tempo volgden de herinneringen en gedachten die eerst niet in me opkwamen zich op. Het jacht. Mijn teamleden die met een monster vochten. Het zwaard. Het jacht dat zonk en ik die onbeholpen meeging.
      Ik schraapte mijn keel en probeerde weer terug bij zinnen te komen. 'Grieks kamp? Bedoelt u Camp Half-Blood?'
      Quirinus knikte. 'Precies. En blijf daar niet te lang.'
      'Waarom niet? Het is niet dat ik daar gelijk vastzit.' Ik lachte, maar hij scheen het niet grappig te vinden.
      'Omdat ik, als een rasechte Romeinse god, nog steeds een hekel aan Grieken heb. Ik maak voor jou een uitzondering, aangezien je niet eens voor de helft Grieks bent, maar verder...' Hij liet het dreigend in de lucht hangen.
      Ik, Grieks? 'Wacht, zei u trouwens net dat ik een halfgod ben? En hoezo, 'niet eens voor de helft Grieks'? Dat is totaal niet logisch.' De vragen bleven maar komen. 'En wat doe ik überhaupt hier, pratend met een Romeinse god? No offense, maar ik ben hier nooit geweest.' Ik hapte even naar adem. 'Zijn wij familie?!'
      Quirinus lachte, stond op en begon de heuvel af te dalen. 'Wij zijn inderdaad familie, maar ik ben niet je vader. Je zult zelf op zoek moeten gaan naar wie je echte familie is.'
      'Maar...' Ik sprong op en ging hem achterna. 'Wat ben ik dan?'
      Hij draaide zich half om en keek me schuin aan. 'Goede vraag. Je bent iets dat haast niet voorkomt, iets dat zowel zorgwekkend als fascinerend wordt gevonden.' Hij liet weer een bulderende lach horen en liep verder. 'Als alles goed verloopt, zou je een held kunnen zijn. Vergeet dat niet, Rebecka, je kan altijd een held zijn.'
      Hij knipte met zijn vingers en de steeds vervormende omgeving verdween. Het werd weer zwart.


Somewhere on the shore of the Potomac, Washington D.C., somewhere really early on December 5th 2015

Ik werd inderdaad wakker op de oever van de Potomac, ergens in een bebost deel van de stad. Het was enorm donker en in de verte brandden lichtjes.
      Met een duizelig hoofd stond ik op. Toen ik mezelf inspecteerde, kwam ik erachter dat ik geen verwondingen had en ook nog eens niet nat was. Ook controleerde ik mijn zakken, op zoek naar iets dat ik kon gebruiken, maar ik vond niets. Mijn mobiel was verdwenen. Het ding lag vast ergens op de bodem van de rivier, langzaam aan het vergaan.
      Ik had geen wapens meer, geen idee waar ik was en welke richting de goede was. Ik liep langs de rivier en zag iets glinsteren in de aarde.
      Harpe.
      Het zwaard was met zijn punt in de aarde gestoken. Dit was de eerste keer dat ik het helemaal in het echt zag. Aan het lemmet was een soort krul bevestigd waarvan ik het nut niet echt begreep, maar het zag er wel sierlijk uit. Het leren heft was versierd en van het wapen steeg een soort groenig licht af. Ik wist dat het te maken had met het bloed van Medusa dat er nog steeds op zou zitten, maar ik zag niet echt rode vlekken.
      Ik sloot mijn hand op het heft en trok het zwaard uit de grond. Ik had een verrassend goede grip erop en veranderde ook niet gelijk in een waanzinnige, dus dat was goed. Ik voelde wel hoe de macht eromheen hing, als een onzichtbare wolk.
      Mijn gezicht weerspiegelde in het lemmet. Was ik een held? Zoals van de Romeinen, of de Grieken? Geen idee. Ik vreesde dat ik er snel genoeg achter zou komen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen