Omdat dit veel te veel lijkt op de canonscéne zal ik het, ondanks het humoristich potentieel van Sherlock die Hagrid ontmoet als eerste kennismaking met de magische wereld, veranderen.

Vreemd genoeg kwam er de volgende dag weer een. Die grappenmaker houd wel vol, dacht Sherlock. Hij had geprobeerd iets af te leiden van het handschrift omtrent de identiteit maar dat was mislukt. Toen er na een paar dagen niet minder dan twaalf Zweinstein-brieven kwamen werd het hem te gortig. Hij ging het zijn ouders vertellen, die besloten aan te geven bij de politie dat Sherlock blijkbaar een stalker/stalkster had. Wekenlang gebeurde er niks en bleven de brieven binnenstromen. Toen, op Sherlocks verjaardag, exact twaalf uur s'nachts, werd er op de voordeur geklopt.
Mummy liep haastig naar de deur om hem te openen. Een beleefde, aarzelende, gele stem vroeg 'Is Sherlock thuis?'
'Waarom wilt u dat weten?'
'Ik moet hem spreken.'
'Waarover?'
'Zweinstein.' Boven verstarde Sherlock.
'Wie bent u eigenlijk?' hoorde hij zijn moeder vragen. 'En waarom zond u eigenlijk al die rare brieven?' Er klonk nu iets van angst door in haar stem.
'Mijn naam is Filius Banning. Mag ik binnenkomen?' hoorde hij de man vragen. Sherlock vroeg zich af waarom. Na een lichtte aarzeling hoorde hij Mummy zeggen;
'Ja, kom maar binnen, ik roep de rest wel.' Hoewel Sherlock nog probeerde te doen alsof hij sliep, hielp het niet; hij moest naar beneden komen.
'Hallo, Sherlock. Fijne verjaardag.' groette een piepklein kereltje hem vrolijk toen hij beneden kwam. Sherlock staarde hem aan. Hij had veel verwacht (voornamelijk in trant van bedreiging of intimidatie, en een langere man) maar dit niet.
'Ik ben Filius Banning, professor op Zweinstein,' vervolgde de man. 'En ik heb wat voor je.' Hij haalde een doos tevoorschijn en gaf hem aan Sherlock, die zich realiseerde dat dit een val kon zijn. Je hoorde zo vaak van bommen in onschuldig ogende pakketjes. Aarzelend opende hij de doos, tegelijk zorgvuldig Banning in de gaten houdend. Er zat een grote, suikerspinzoetroze ruikende taart in met fijne verjaardag Sherlock erop geglazuurd, in groen en de rest was chocola en slagroom. Er kon gif in zitten dat voor een uiterst langzame, pijnlijke dood zou zorgen... hij wist maar al te goed dat de meeste mensen hem dat lot toewensten. In ieder geval was het eerdere gedrag van de man verdacht genoeg om het niet uit te sluiten en was de kans groot dat hij z'n vertrouwen wilde winnen om het dan te misbruiken. Behoedzaam sloot hij de doos en vroeg; 'Hoe wist u wanneer ik jarig ben?'
Banning aarzelde en antwoordde tenslotte 'Perkamentus vertelde het mij.'
'Hoe wist hij dat?'
'Dat weet ik niet.'
'Waarom stuurde u al die brieven?'
'Omdat ik dacht dat je die niet gekregen had.'
'Ik wist niet dat volwassenen dat soort grapjes ook nog uithalen,' mompelde Sherlock tegen niemand in het bijzonder.
'Die brieven zijn geen grap.'
'Kom nou toch...een brief per uil verzenden, serieus?'
'Ja.' de man leek het nog te geloven ook.
'Hoe komt het eigenlijk dat de inkt geen kleurstof heeft?'
'Magie.'
'Ach ja, ik had kunnen het kunnen weten. De kabouterjes hebben het natuurlijk gedaan,' antwoordde Sherlock, z'n stem druipend van het sarcasme
'Ik meen het,' antwoordde de man waarna hij een briefje krabbelde dat Sherlock ondersteboven kon lezen:

Geachte meneer Perkamentus,
Hij dacht dat het een grap was en is erg wantrouwig. Ga morgen met hem zijn
spullen kopen. Weer is goed. Hoop dat u in goede gezondheid
verkeert,

Banning


waarna hij floot waardoor een raam open ging en een uil naar binnen vloog, de brief gaf en uit het raam gooide alsof het doodnormaal was. Pas daarna sprak hij verder:
'Sherlock, je bent een tovenaar.' Banning was overduidelijk krankzinnig besloot Sherlock maar toch vroeg hij door, in de hoop de kleine gek lang genoeg bezig te houden om de politie te bellen.
'Kunt u dat bewijzen?'
Als antwoord veranderde Banningde tafel in een haas met een oog en weer terug. 'Wauw' Dit kon geen truc zijn, realiseerde hij zich. De man had absoluut geen kans gehad onopgemerkt aan de tafel te prutsen of te weten van het hazenoog.
'Jij zult dat ook kunnen als je meegaat,' merkte Banning op. 'Morgen gaan we je spullen halen.' Dat was dus besloten, blijkbaar.
'Ik kan geen tovenaar zijn, Banning. Dat bestaat niet! Als ik dat was, zou ik eerder magische dingen hebben gedaan, toch?'
'Dat is professor Banning, voor jou. Heb je nooit rare dingen laten gebeuren als je bang of boos was?' Nu hij erover nadacht...die ene keer dat hij een leerkracht tot zwijgen bracht toen ze hem niet wilde laten uitpraten...die keer toen Anderson en Donovan hem aanvielen nadat hij iets had gezegd dat blijkbaar erg beledigend was en ze tegen een onzichtbaar schild knalden... 'Maar hoe werkt die magie dan?'
'Voor je elfde is het nog oncontroleerbaar. Vanaf je elfde mag je het buiten school niet gebruiken tot je zeventiende. Op Zweinstein leer je meer.'
'Dus ik ga dan iets leren wat ik tot mijn zeventiende niet mag gebruiken. Heel nuttig.'
'Het is heel nuttig om dingen te leren en magie in het bijzonder.'
'Leuk, iets heel nuttigs wat je niet mag gebruiken, echt fantastisch,' zei hij sarcastisch. Banning negeerde hem en vroeg aan Mummy of ze er bezwaar tegen had als hij een nachtje op de bank zou slapen en Sherlock de volgende dag zou meenemen om zijn spullen te halen. Die aarzelde en wierp een blik op Sherlock. 'Als hij dat laatste ook wil,' antwoordde ze. Sherlock had eigenlijk geen idee of hij naar een school wilde om daar iets 'nuttigs' te leren waar hij niks aan zou hebben tot zijn zeventiende (en spullen halen is eigenlijk hetzelfde) maar Banning zag eruit alsof hij verbijsterd was dat iemand er zelfs maar over dacht niet naar die school te willen, maar te beleefd was om er iets over te zeggen.
'In het hypothetische geval dat ik meega om spullen te kopen, hoe laat moeten we weg en moet er nog iets mee behalve geld?' Banning glimlachte. 'We zullen zeven uur weggaan en er hoeft niets anders mee dan wat Dreuzelgeld om te wisselen bij Goudgrijp, de tovenaarsbank en je brief.' Sherlock ging tot zes uur viool spelen omdat het hielp bij nadenken. Toen maakte hij zich klaar. Hij had besloten dat hij naar die school wilde, al was het maar om eindelijk iets te kunnen wat Mycroft niet kon. Toen hij beneden kwam was Banning net wakker en betaalde een uil.
Sherlock ging koffiezetten. Toen de koffie klaar was en hij al zijn zakgeld (wat aardig wat was) had gepakt was Banning zo overenthousiast dat hij letterlijk op en neersprong.
'Is er nog koffie over?' informeerde Banning echter kalmer toen Sherlock weer binnenkwam met een kop koffie.
'Ja, dat kunt u wel nemen, zonde om het te laten staan.'
'O, lekker. Dank je wel.' Toen Banning de koffie had gepakt merkte hij op 'Ik zou geen nee zeggen tegen een stukje taart.' Sherlock haalde zijn schouders op. 'Pak maar. Wat is de munteenheid in jullie wereld eigenlijk en wat is Goudgrijp precies?'
'We hebben Galjoenen, Sikkels en knoeten. Eén Galjoen is zeventien Sikkels en één Sikkel is negenentwintig Knoeten. Goudgrijp is de tovenaarsbank, gerund door kobolden.'
'Kobolden?'
'Klopt-verre familie van me, dus misschien zullen ze iets vriendelijker zijn dan normaal. Verwacht dat niveau zeker niet altijd. Goudgrijp is de veiligste plek ter wereld om iets te bewaren-behalve misschien Zweinstein. Heb je alles? Dan gaan we.' Banning werd nog meer aangestaard dan Sherlock - als hij al werd opgemerkt- toen ze naar het station liepen- of liever, Sherlock liep en Banning moest snelwandelen om hem bij te houden.
'We zijn er.'
Ze waren bij het station. Over vijf minuten ging er een trein naar Londen en Sherlock kocht hun kaartjes. In de trein ging hij naar zijn MindPalace tot hij een harde por tegen zijn arm voelde. Automatisch reageerde Sherlock met een Jutsugreep. 'Sherlock?' het was Banning, natuurlijk.
'Wat?' beet hij hem toe, nadat hij hem losgelaten had.
'Ik wilde alleen weten of je die brief nog had maar je reageerde niet en ik vroeg me af of het wel ging.'
'Ja.'
'Er zit een lijst bij van alles wat je nodig hebt.' Hij viste de envelop uit zijn zak, vouwde een tweede papier open en las:

Zweinsteins hogeschool voor hekserij en hocus-pocus

UNIFORM
Eerstejaarsstudenten hebben nodig
1. Drie effen werkgewaden
2. Eén effen puntmuts (zwart) voor schooltijd
3. Eén paar beschermende handschoenen (drakenhuid of soortgelijk)
4. Eén wintermantel (zwart met zilveren speld)
N.B.: Alle kledingstukken moeten voorzien zijn van naamlabels.

VERPLICHTE LECTUUR
Alle leerlingen moeten in bezit zijn van de volgende werken:

Het Standaard Spreukenboek (Niveau 1) door Miranda Wiggelaar
De Geschiedenis van Toverkunst door Mathilda Belladonna
Theoretische Grondslagen der Magie door Adalbert Zwatel
Gedaanteverandering: een Boek voor Beginners door Emeric Morfo
Duizend Magische Kruiden en Paddenstoelen door Philippa Zwam
Magische Brouwsels en Drankjes door Arsenius Grein
Fabeldieren en Waar Ze Te Vinden door Newt Scamander
De Zwarte Kunsten: Een handboek voor Zelfbescherming
door Quinten Tondel


OVERIGE BENODIGDHEDEN
1 toverstaf
1 ketel (tin, standaardmaat 2)
1 set glazen of kristallen flesjes
1 telescoop
1 set koperen weegschalen
Leerlingen mogen tevens een uil Of een kat Of een pad meenemen.
ouders worden eraan herinnerd dat eerstejaars geen bezemsteel mogen bezitten.


'Zijn er dan werkelijk óveral voorschriften voor?!'
'Nee, dat lijkt maar zo. Die regels zijn om newbies af te schrikken,' zei Banning sarcastisch.'We zijn er trouwens,' voegde hij eraan toe. Sherlock wees regelmatig op bijzonderheden aan mensen die hij geobserveerd had, zoals de vrouw rechts van hen die het ging doen met iemand anders dan haar man (gebaseerd op vermoedens), een man wiens vrouw aids had ('Dat tref je niet elke dag, Professor.Meestal is het omgekeerd.') en een dooie duif ('Kunnen we even stoppen om die mee te nemen, Prof?').
'We zijn er,' zei Banning nogmaals, die bleef staan.'De Lekke ketel. Een beroemde kroeg.' Het was een piepklein, groezelig cafeetje. Duidelijk het toonbeeld van beroemdheid. De Dreuzels die haastig langsliepen schenen het niet te kunnen zien. Sherlock had het idee dat alleen hij en Banning het konden maar voor hij dat kon navragen had Banning hem al naar binnengeloodst. Voor zo'n beroemde kroeg was het verdomd donker en haveloos, concludeerde Sherlock. Een paar mannen met kappen op het hoofd(drieling, allen vrijgezel, gevaarlijke baan,beveiliger? In ieder geval geen soldaat., alle in het bezit van een bosuil, nee, een kerkuil.)dronken bier en spraken zachtjes.
'Heb je al gehoord? Harry Potter komt naar Zweinstein!' hoorde hij er eentje zeggen toen hij langs hen liep maar meer ving hij niet op omdat ze Banning zagen en hem begroetten. Sherlock dook snel de schaduwen in en probeerde meer te zien maar dat lukte niet. Toen Banning er eindelijk in slaagde duidelijk te maken dat hij snel door moest naar de Wegisweg gingen te mannen weer zitten en kwam Sherlock weer tevoorschijn. Banning nam hem mee naar de binnenplaats, waar niets stond behalve een vuilnisbak en wat onkruid. Daar begon hij de bakstenen boven de vuilnisbak te tellen.
' Drie omhoog... twee naar rechts...' mompelde hij. ' Sherlock, opgepast.'
Hij tikte drie keer met de punt van een stok de muur. Toen gebeurde iets dat even onmogelijk was als de transformatie van de tafel. De baksteen waar Banning op getikt had trilde- begon te wriemelen- in het midden verscheen een gaatje dat groter en groter werd- en een paar tellen later stonden ze voor een reusachtige poort, een poort naar een met keien geplaveide straat, die kronkelend en slingerend uit het zicht verdween. Geen ontsnappingsroutes, zo te zien. Hij nam zich voor zo snel mogelijk de logica van de tovenaarswereld te leren.
'Welkom op de Wegisweg,' zei Banning, alsof Sherlock onmogelijk kon doorhebben dat dit de wegisweg was. Ze liepen onder de poort door; Sherlock keek achterom (met iets van verlangen naar de Dreuzellogica die hij tenminste snapte) en zag dat de poort direct weer ineenkromp tot een muur.
De zon scheen glanzend op een grote stapel ketels. Ketels('Wonderlijk genoeg had ik ook al bedacht dat dat ketels zijn,' merkte hij sarcastisch op, waarop Banning een diepe zucht slaakte en 'Betweter' mompelde.)- Alle maten ('Dat is onmogelijk, zelfs in jullie wereld. Je kunt mij niet wijsmaken dat jullie nanomillimeterketels hebben, of het formaat van moleculen.')-Koper, Roodkoper, Tin, Zilver ('Zilver is veel te zacht om in te koken!' Waarop Banning zorgde dat hij vorlopig niet meer kon praten.)

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen