Foto bij Agent Holemen & the Sword of Perseus [Part 6]

Washington, D.C., 6:45 AM US Eastern time, December 5th 2015

Het eerste monster kwam ik pas tegen toen ik al terug bij de haven van Washington D.C. was, volgens mijn horloge (die het wonderbaarlijk genoeg nog steeds deed) zo'n vier uur nadat ik wakker werd. De zon stond op het punt om op te komen en ik had nogal honger. Harpe, die ik aan mijn riem had gehangen, stootte een soort zacht licht uit.
      Ik had bedacht dat, als ik de rivier volgde, ik vanzelf wel bij iets bekends kwam. Gelukkig was het me gelukt om weer terug in de bewoonde wereld te komen, maar nu had ik geen idee wat ik moest doen. Ik kon niemand bellen, had geen idee naar welke richting ik verder heen kon en stond ook niet echt te popelen om te gaan liften. Wat zouden stervelingen zien als ze naar Harpe keken? Tijdens mijn wandeling had niemand me raar of bang aangekeken (oké, zoveel waren er niet, maar ik bedoelde de stervelingen die ik wél tegenkwam), dus de Mist liet het niet omvormen naar een geweer of iets anders.
      Ik wierp weer even een blik op de haven. Zelfs op dit tijdstip waren de militairen druk bezig met wat dan ook ze aan het doen waren. Ik kon aankloppen en vragen waar mijn team was gebleven, maar misschien zagen ze Harpe wel aan voor een geweer, helemaal met míjn geluk zou dat kunnen gebeuren.
      Opeens voelde ik rillingen over mijn rug heen gaan. Het was haast hetzelfde gevoel toen het Erymanthische Zwijn me besloop tijdens de missie naar het Noorse zwaard Tyrfing. Dat leek echt heel lang geleden, maar dat was het niet.
      Hoe ironisch. Was dat toen al een voorbode voor wie ik daadwerkelijk was? Of was één of andere maffe god met me aan het sollen?
      Gegrom klonk vanachter me. Ik draaide me om om het monster eens flink de waarheid te vertellen, maar natuurlijk: helemaal niets.
      Geïrriteerd keek ik weer terug naar de haven. Het was nu vrijwel zeker dat er een monster was die me in de gaten hield, dus ik moest blijven bewegen. Monsters leiden naar een militair zwaar beveiligde haven... niet echt een goed idee.
      Ik besloot om op de stoep langs een van de vele wegen te lopen, in de hoop dat ik iemand tegenkwam aan wie ik de weg kon vragen. Ik had genoeg tijd om over alles na te denken, maar ik wist niet zo zeker of dat wel zo positief was.
      Ik dacht aan mijn moeder en aan ons huis in Philadelphia. Had ze al die tijd al geweten wie ik was? Quirinus zei dat hij niet mijn vader was, maar wel familie. Was mijn moeder een halfgod?
      En wie was mijn vader überhaupt? Mijn moeder zei dat hij spoorloos verdwenen was, niet gestorven, maar ik wist niet meer zeker of ik dat wel nu kon geloven. Ik wist hoe het zat met de andere halfgoden: hun vader of moeder lijkt verdwenen, maar uiteindelijk blijken ze een god of godin te zijn. Gold dat ook voor mij? Was ik het resultaat van een soort gruwelijke goddelijke incest-gebeuren? Ieuw.
      Ik zat zo in mijn gedachten dat ik bijna niet doorhad dat ik bij een tankstation aan was gekomen. Ik fronste even, vroeg me af hoe het kwam dat ik zo ver had kunnen lopen en besloot maar om te kijken of er iemand was.
      Er stonden in totaal drie auto's: een busje van FedEx (onder de modder en het zand, alsof het ding ergens aangespoeld was en toen op magische wijze weer is gaan rijden), een zwarte Chevrolet Impala (oud model, maar wel een fantastisch ding) en een felroze MINI (en dan bedoel ik ook echt héél fel, waarom?!).
      Helaas sloegen de autodeuren van de Impala net dicht en reed de auto weg, dus ik kon de eigenaar niet complimenteren. Op datzelfde moment liepen uit het winkeltje bij het station de postbode van het FedEx-busje en hoogstwaarschijnlijk de bestuurder van de MINI: een nogal heel erg lange, blonde vrouw.
      Ik wist gelijk dat er iets mis was toen de vrouw stil bleef staan en haar ogen zich in angst verwijdden en de postbode (die, nu ik hem beter zag, verrassend veel leek op Tom Hanks) gillend wegrende. Heel heldhaftig. Maar hun reacties waren niet vanwege mij. Ik hoorde weer het bekende gegrom van eerder.
      Ik draaide me om en... stond oog in oog met twee gorgonen.
      Natuurlijk. Waarom niet? Het is ook altijd ík. De twee monsters, vrouwen met slangen in plaats van haren, kippenpoten en bronzen slagtanden in hun mondhoeken, keken niet recht naar mij, maar eerder naar Harpe. Ik had ongeveer het idee wat ze hier aan het doen waren, naast stil staan en staren.
      Perseus had met Harpe Medusa onthoofd. Haar bloed zat nog steeds op het blad. Maar geen van beide gorgonen was Medusa, anders was ik allang versteend. Het waren haar zusters die me gevolgd waren.
      En ze wilden wraak.
      Een van de gorgonen, met rode koraalslangen in haar haren, begon naar me te sissen. 'Ah, de beroemde... halfbloed. Met Perseus' zwaard nog wel. Je gaat een gevaarlijk pad af.'
      'Dat weet ik,' mompelde ik. Terwijl ik Harpe trok en op hen gericht hield, keek ik even naar de vrouw achter me. Ze stond nog steeds stil en keek naar ons. Het leek alsof ze precies kon zien wat er aan de hand was, ondanks de Mist die meestal rond monsters hing, maar waarom was ze niet gillend de postbode achterna gegaan?
      Ik moest hoe dan ook proberen om stervelingen hier buiten te laten, waar ik zo ongeveer voor getraind was, dus dat moest lukken.
      De andere gorgo, die met groene slangen, begon nu ook te sissen. 'Geef ons het zwaard als je leven je lief is, of eindig als ons maal.'
      'Hmm. Interessante keuze, maar nee, dankjewel. Zeg eens, jullie zijn toch de zusters van Medusa? Jullie kunnen mensen niet laten verstenen? Wat jammer voor jullie. Zat dat niet inclusief het monsterpakket?' Ik keek vragend naar ze. 'Jullie zijn gelijk een stuk minder angstaanjagend.'
      Waarschijnlijk was het niet een heel goed idee om ze nog bozer te maken, maar ik had er gewoon zin in. Het zou kunnen dat het ook door Harpe kwam, die me de hele tijd al verward en geïrriteerd maakte. Meteen begreep ik waarom normale stervelingen dit zwaard echt nooit mochten gebruiken.
      De eerste gorgo siste weer. 'Sterf, godengebroed.' En ze vielen aan.
      Ik ontweek de klauwen van de eerste gorgo en probeerde de tweede aan mijn zwaard te rijgen, maar dat mislukte. Ik deed een nieuwe poging, maar de gorgo dook weg. De twee monsters bleven uit de reikwijdte van Harpe en probeerden me aan de zijkanten aan te vallen.
      Mijn zintuigen leken opeens sterker te zijn. Ik zag hoe de blonde vrouw achter me naar een van de pompen rende en een slang, waar benzine uit druppelde, losrukte. Tegelijkertijd had ik ook door dat de gorgonen nog steeds op zoek waren naar een open plek in mijn verdediging.
      Wat moest ik doen? Als ik de ene gorgo aanviel, zou de ander me in mijn rug steken. Ik had ontzettend veel energie, alsof ik een paar liter Red Bull op had (niet dat ik opeens ook vleugels kreeg).
      Ik rook benzine. Achter me hoorde ik de vrouw schreeuwen: 'Breng ze hierheen!'
      Wat was ze, gek of zo? Ik dook weg voor de klauwen van de groeneslangen-gorgo die anders mijn nek hadden doorboord en zette een paar stappen naar achteren. Misschien had die vrouw wel een plan. Of misschien was ze ook een halfbloed. Wist ik veel.
      Ik blikte even achterom en zag dat ze twee slangen in haar handen had, gereed om wie dan ook te laten verzuipen in benzine. Ik had niet het idee dat het zou lukken, want heel veel kwam er nu ook weer niet uit. Toen keek ik naar mijn zwaard en kreeg ik een idee.
      Ik draaide me om en sprintte naar de vrouw en de pomp. Achter me hoorde ik de gorgonen sissen. 'Vlucht je nu al? Kom hier en vecht!' Ze kwamen mijn kant op, wat precies de bedoeling was.
      Ik staarde naar het kastje waar de benzineslangen uit kwamen en mompelde tegen de vrouw: 'Ik neem aan dat je die monsters kan zien?'
      De blondine knikte. 'Ik neem aan dat jij een halfgod bent?'
      Ook ik knikte. 'Zoiets.' De gorgonen waren al bijna bij ons, maar om ons plan te laten werken, hadden we meer benzine nodig. Ik deed het ding dat me het slimste leek.
      Ik zei tegen de vrouw dat ze even aan de kant moest gaan (dat was niet zo moeilijk – ze keek even angstvallig naar mijn zwaard en weg was ze) en sloeg toen met al mijn kracht de knop van mijn gevest tegen het kastje aan. Er ontstond een deuk, er klonk een metalig geluid en ik dacht: mocht ik dan ook Grieks godenbloed hebben, laat dat dan van Poseidon zijn. Als hij al macht had over dit spul. Dat viel te betwijfelen.
      Iets gorgelde, ik wist niet zeker of dat een gorgo was of de benzine, en gelijk daarna spoten er stralen vloeistof uit de benzinepompslangen die de blonde vrouw vasthield.
      De twee monsters werden ondergespoten en raakten meteen doorweekt. 'Wat is dit voor een nonsens!'
      Ik moest grijnzen. 'Deze 'nonsens' wordt jullie dood.'
      De vrouw naast me gaf een van haar twee slangen aan me en haalde een doosje lucifers uit haar zak. 'De eer is geheel aan jou.'
      Dit ging zowaar ook nog eens leuk worden. We wisselden onze spullen weer om – zij kreeg de slang weer terug, ik kreeg de lucifers en hing gelijk Harpe terug aan mijn riem. Die had ik nu niet meer nodig. Ik haalde een stokje uit het doosje (het doosje leek al vaak gebruikt te zijn. Ik vroeg me af of ze vaak monsters in de fik stak) en liet het opvlammen.
      De gorgonen, die onbeholpen probeerden om bij ons te komen en steeds vielen door de gladheid, kregen door wat we van plan waren. 'Nee!' riep er een. 'Dat kan je niet doen!'
      Ik haalde mijn wenkbrauwen op. 'Natuurlijk kan ik dat wel.' En ik gooide de lucifer in de plas benzine waar de monsters in stonden.
      Meteen ontstond er een vlammenzee waar de gorgonen in opgeslokt werden. Ik hoorde ze schreeuwen van de pijn, maar dat deed me eigenlijk niets. Het deed me vaag denken aan een liedje.

My songs knoooow what you diiid in the daaark

So light 'em up, up, up
Light 'em up, up, up
Light 'em up, up, up
I'M ON FIREEEE

      Ik neuriede het liedje in mijn hoofd mee en draaide me om naar de vrouw. 'Wie, in godensnaam, ben jij?'
      'Amy Louisa Pond.' Ze bewoog even met haar hoofd om een verdwaalde blonde lok uit haar gezicht te krijgen en deed zo onbewust ook een hairflip. 'Ik ben helderziend.'
      'Helderziend?' vroeg ik verbaasd. 'Leg je vaker monsters in de as?'
      Ze trok een gezicht. 'Niet echt, maar ik help de halfgoden die ik tegenkom. Al ben jij wel een oud exemplaar.' Ze hing de pompslangen weer terug en ik vroeg me af of die nog gingen stoppen met het uitspuiten van benzine. Waarschijnlijk niet.
      'Hey, dit heb ik ook niet allemaal zo gepland. Ik wist ook eerst van niets.' Ik had zin om tegen haar te klagen over mijn huidige situatie, maar deed het maar niet. Ik moest haar te vriend houden. Misschien kon ze een lift voor me regelen.
      Amy zuchtte. 'Laat maar.' Ze draaide zich om naar haar roze auto en liep erheen. 'Ik hoop dat je niet iets hebt tegen roze auto's, want ik neem je mee naar het kamp. Daar moest ik toch al heen.'
      'Het kamp,' herhaalde ik. 'Je bedoelt Camp Half-Blood?'
      'Duh! Ik ga je niet helemaal naar Californië brengen.' Ze deed het portier aan de kant van de passagier open. 'Kom je nou nog?'
      Ik keek weer even achterom, naar de brandende benzine achter me. De gorgonen waren inmiddels opgehouden met schreeuwen en waren nu waarschijnlijk naar Tartarus vertrokken, maar toch had ik er geen goed gevoel over. 'Moeten we dit vuur niet even uitmaken? Voor je weet gaat dit hele tankstation de lucht in.'
      Amy haalde haar schouders op. 'De brandweer is toch al onderweg. Wij moeten hier zo snel mogelijk verdwijnen.' Ze had gelijk. In de verte klonken de sirenes al.
      Ik haastte me naar haar auto en stapte in. Hoe eerder ik naar het kamp kon, hoe beter. Ik had het idee dat me nog vele uitdagingen te wachten stond en ik ze hoogstwaarschijnlijk niet leuk zou vinden.
      Amy startte de auto en we reden weg terwijl achter ons de vlammen nog steeds onverstoord doorgingen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen