Foto bij Hoofdstuk 42

En ik blijf ook een tijdje slapen. Als Raikon me met ijskoude handen wakker maakt, zijn de schaduwen aanzienlijk langer. De harde kou bijt in mijn huid, zodra ik de zachte slaapzak uitkruip. Huiverend neem ik de jas aan van Raikon, terwijl die zich klappertandend in de slaapzak laat zakken. Ik wil eigenlijk nog wat zeggen, maar ik weet zelf niet eens wat. Als het niet zo vreselijk koud was geweest, had ik iets creatiefs verzonnen om mijn pijlen vast te maken aan mijn laars. Maar dat zou betekenen dat ik stil moest gaan zitten en dat was geen goed idee.
Ik laat me uit de boom glijden en scan de omgeving. Hoewel ik niemand verwacht, Raikon was net aan het opletten, en nu ik. Als ik inderdaad tot de conclusie kom dat er niemand is, richt ik me op en stop mijn pijl weer terug in mijn laars. Misschien zou het wel praktisch zijn om te testen of ik zo wel goed kan rennen, en bewegen zal me warm houden. Aangezien ik net heb kunnen uitrusten, ontbreekt het me niet aan energie. Ik begin langzaam, maar begin daarna steeds grotere en snellere rondjes rond onze open plek te rennen. Zacht, natuurlijk, wat ook nog extra inspanning vergt. Ik vraag me ineens af waarom het zo verschrikkelijk koud is vandaag. Er is geen lol aan om kinderen te zien doodvriezen, dat levert geen spektakel op. Maar waarom dan? Wat is hier het nut van? Zijn er misschien ijsmutanten, die goed jagen bij extreme kou? Kan je doodgaan op een spectaculaire wijze met deze kou? Dit slaat helemaal nergens op. Hijgend kom ik bij onze boom weer tot stilstand. Ik heb het maar half warm. Mijn vingers hebben de temperatuur van de lucht om me heen, maar het zweet loopt langs mijn rug. Weer lekker tegenstrijdig dit.
Net op het moment, dat ik mijn hoofd weer optil – toch besloten te hebben om nóg een rondje te gaan rennen- zie ik een sneeuwkonijn. Een levend wezen, niet een figuurtje in de sneeuw. Het beestje heet alleen zo, vanwege zijn sneeuwwitte vacht. Het enige wat hem verraadt is zijn zwarte neusje, dat altijd enorm fel afsteekt. Wij hebben ze thuis ook, in de winter.
Ik denk er niet eens over na, dat we een vuur moeten maken om hem te kunnen eten, ik schiet gewoon. De pijl gaat precies door zijn oog, bijna helemaal zuiver met zo min mogelijke schade aan het vlees. Het maakt me trouwens ook niet heel veel uit, bedenk ik me. Ik heb mijn pijl en boog, iedereen die zich tevoorschijn waagt, schiet ik neer. Dat vuur, dat gaat er komen.
Het vinden van droge takken blijkt niet eens zo heel moeilijk. Gevoelsmatig lijkt het dan wel onder de tien graden, maar het regent, ijzelt of sneeuwt niet. Wat betekent dat alles koud, maar droog is.
Binnen mum van tijd heb ik een knisperend warm vuur, dat nu al aan de grote takken bezig is en dus niet zomaar uit zal gaan bij de eerste de beste windvlaag. Ik strek mijn handen naar het gezellige oranje vuurtje uit. De warmte voelt aan als een deken van geborgenheid, hoewel in dit geval het tegenovergestelde waar is. Het beestje villen en aan de spit hangen, gaat ook soepel en snel. Na een paar aanpassingen aan een tweetal takken, functioneren ze prima als spit en trekt de geur van gebraden konijn door het koude en stille bos.
‘H-hoi.’ Mijn hart mist een paar slagen bij het horen van dit onverwachte geluid, terwijl ik me binnen een seconde omdraai, met een geladen boog klaar om te schieten. Maar ik laat hem al snel weer zakken. Nathan, de jongen die ik eerder vandaag tegenkwam in die boom, staat met klapperende tanden aan de rand van de open plek.
‘M-mag ik e-er m-misschien b-b-bij komen z-zitten? B-bij het v-v-vuur?’ zijn handen houdt hij verkleumd om zijn schriele lichaam geslagen, en zijn lippen zien blauw van de kou. Al eerder was hij totaal geen bedreiging, maar een vreugde om mee te praten. En ook nu aarzel ik geen moment. Ik stop de pijl weer weg en hang de boog weer om mijn rug.
‘Natuurlijk joh, kom maar. Ik doe je niets, oke? Beloofd.’ Ik lach hem voorzichtig toe. Met kleine, onzekere stapjes komt hij dichterbij. Schichtig als een eekhoorntje laat hij zich bij het vuur vallen, mij en de omgeving geen moment uit het oog verliezend. Ik zie een rilling door zijn lijf trekken, terwijl ook hij zijn handen uitsteekt naar de warmte van het vuur. Een tijdje zitten we allebei in stilte. Er komt niemand anders en de zon daalt steeds verder.
Zodra het konijn klaar was, heb ik het in een impuls met hem gedeeld. Het vlees is nu toch nog warm en hij kan het goed gebruiken. Ik zou wel weer iets anders schieten voor Raikon als het weer wat warmer werd. Ook het eten doen we in stilte, er hoeft gewoon niets gezegd te worden. Ik merk wel dat hij me meer begint te vertrouwen. Zijn ogen blijven soms ook gewoon even op zijn stuk vlees rusten, in plaats van op mij en de omgeving. Het lijkt ook niet nodig. Ik weet niet of iemand de rook gezien had, of in de schemering het licht zou gaan zien, of het konijn zou ruiken, maar er komt niemand. Misschien, nu we met nog maar zo weinig over zijn, zien de anderen het als arrogantie om een vuur te maken. Om te laten zien dat jij het aankunt, en dat jij niet bang bent voor de rest.
De warmte van het vuur brengt me opeens op een idee, als na het warme stuk vlees mijn dorst weer opspeelt. Nadat ik tegen Nathan heb gezegd wat ik ging doen –ik vond het wel leuk dat hij er was en ik wilde hem niet weg jagen- klim ik voorzichtig met langzame en gecontroleerde bewegingen in de boom om de fles water uit de rugzak boven Raikons hoofd te halen. Ik weet niet wat hij gedaan had toen ik sliep, maar het moet heel uitputtend geweest zijn, zoals hij nu overal doorheen slaapt.
Voordat ik begin aan mijn klim naar beneden, controleer ik toch heel gauw nog even waar Nathan is. Het is niet dat ik hem nou heel bedreigend vind, of dat ik daar alleen maar aan kan denken, maar het blijven de Hongerspelen.

Reacties (1)

  • EvilDaughter

    Ik denk dat Nathan niks gaat doen, maar je kan niks uitsluiten.
    Het blijven de Hongerspelen.

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen