Foto bij Hoofdstuk 44

Nathan is niet meer terug gekomen, die nacht. Ik weet niet of hij zich ergens in de schaduwen schuilhield of dat hij echt weg was, maar ik voel me er niet gemakkelijk bij. Blijkbaar was Raikons komst een te grote aanval op zijn vertrouwen.
Anthony stond bij de doden vandaag. De jongen uit 8 ook. Net als Eveline, de districtsgenoot van Raikon. Ik durf het eigenlijk niet te vragen, bang voor het antwoord dat ik al weet. Ronja was het niet. Noch Bianca, noch Eloise, noch ik. Het was Raikon. Hij heeft haar vermoord. En het niet aan me verteld. Ik weet eigenlijk niet wat ik nou erger vind. Maar het zijn wel de Hongerspelen. Het stemmetje in mijn hoofd roept constant dat ik onverstandig bezig ben. Het stemmetje heeft gelijk, natuurlijk. Raikon en ik kunnen niet eeuwig bij elkaar blijven.
Het is dan ook die nacht, als Raikon ligt te slapen, ik besluit om weg te gaan. Ik maak Raikon niet wakker, maar pak alleen de rugzak die boven zijn hoofd aan de tak hangt. Ik laat hem achter met bijna niets. Het doet pijn. Niet fysiek, maar dat ik zo vuil bezig ben om alleen maar mijn eigen huid te redden. Ik laat hem zo achter met niets. Geen voorraden, geen water. Alleen het touw en de slaapzak. En zijn eigen wapens natuurlijk, maar die verbleken bij die van mij. De zon komt al bijna op als ik de boom verlaat. Hij zal nu wel snel wakker worden. Ik heb in ieder geval de wacht gehouden, voor de andere tributen die er niet waren. Dit zijn de laatste acht. Als Raikon en ik de laatste twee worden, weet ik nu al wie er naar huis zal gaan.
De warmte keert langzaam weer terug in het bos. Het zachte windje voelt als een bevrijding, nu die daadwerkelijk verkoeling brengt, in plaats van een snijdende kou. Bijna zonder te kijken beweeg ik me voort, een stuk eenzamer dan normaal. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik dat altijd al was, alleen, maar het helpt niet.
Ik heb zin om te gillen, terug te rennen naar Raikon, hem te omhelzen en nooit meer los te laten. Maar dat zal niet gaan, dat is wel duidelijk. Ik ben vertrokken, met alle spullen. Terug, bestaat niet meer.
Als ik bij de waterrand aankom, twijfel ik. Nu sta ik tussen de bomen, die een mooie beschutting vormen. Het zoute water is een open vlakte, waar je iedereen al van verre ziet aankomen. Door Eloise en Anthony, gisteren, zijn we niet meer naar de Hoorn gegaan, zoals ik van plan was. Ik dacht dat ik dat nu wel kon aanhouden, maar nu ik het water zie ben ik er niet meer zo zeker van. Bovendien weet Raikon van mijn plan. Gaan zou nu niet slim zijn.
Mismoedig draai ik me weer om, op weg naar nergens.
Als ik bij het meer terecht kom, slaat mijn humeur echter om. Waar het water gisteren diep bevroren was, is het nu compleet verdwenen. Een diepe kuil is de enige hint dat hier ooit water is geweest. Ik sta op het punt om een kwade handeling uit te voeren, tegen een boom schoppen bijvoorbeeld. Of kwaad een stok weggooien. Nu kan ik mijn halfvolle fles niet meer vullen, en dat is heel irritant. Niet erg, maar wel heel irritant.
Dan word mijn aandacht echter getrokken door iets anders, iets waardoor mijn hart een slag overslaat en ik spontaan begin te trillen. Aan de overkant beweegt een struik. Mijn hart heeft al meerdere malen bewezen dat hij niet zo van de Spelen houdt, aangezien hij zo makkelijk van slag te brengen is. Het is echter geen probleem, in tegenstelling tot het trillen. Ik tril namelijk zo erg dat het meerdere seconden duurt voordat ik een pijl te pakken heb. Maar nog voor ik kan richten, bewijst de Arena al zijn gruwel. Er komt er een klein konijntje uit de bosjes gehupt. Nou niet echt de levensgevaarlijke tribuut die ik verwacht. Opgelucht zak ik in elkaar, terwijl mijn ogen het beestje volgen.
Dan pas besef ik hoe ik eruit moet zien. Gebroken. Doodop. Niet de moeite waard. Dat is niet wie ik wil zijn. De Spelen hebben me veranderd. Ik voel haast dat er binnen in mij iets verandert, op zijn plaats klikt. De Spelen hebben het leven van mijn familie op de rand van verdoemenis gebracht. No way, geen enkele manier, waarop ik de Spelen ze erin laat duwen. Over mijn lijk. Ik zal terug komen, want na Ella, verdienen ze het niet om ook hun allerlaatste restje hoop te zien vergaan. Mij, de Lucy die ik was, bestaat allang niet meer. Maar daarvoor ga ik hen niet in het verderf storten. Al moet ik persoonlijk de halve wereld ervoor vermoorden, ik zal ze redden. Als ik me daarvoor moet gedragen als een beroeps, het zij zo. Met een opgeheven hoofd, en een pijl klaar om te schieten, laat ik mijn medelijden achter in de dorre kuil van het meer.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen