Foto bij Hoofdstuk 47

De bosrand is niet moeilijk te vinden, al snel sta ik over het glinsterende water uit te kijken. Ik hijs de rugzak, die al eerder bewezen had waterdicht te zijn, hoger op mijn rug en loop het water in. Al snel wordt het moeilijker om te bewegen, waarna ik stop met lopen en overga in een rustige schoolslag. Met de bult lucht op mijn rug is het praktisch onmogelijk om te verdrinken, maar het zwemt niet fijn. Voor nu moet het maar, maar de volgende keer laat ik de lucht eruit lopen. Ik vind het minder prettig dat anderen me eventueel kunnen zien aankomen, dan de gedachte dat ik misschien verdrink.
Maar het is niet ver en het eiland ziet er verlaten uit. Zeiknat kom ik het water uit, zwaar klossend met mijn laarzen over het frisgroene gras. De gouden Hoorn glanst in het licht van de felle en warme zon. Hoe dichterbij ik kom, hoe vreemder het echter wordt. Er liggen totaal geen spullen meer. Alles is weg. Maar de beroeps waren niet eens noemenswaardig dit jaar, hoe is het dan mogelijk dat álles weg is? De overige tributen, exclusief mij vier, kunnen dit niet allemaal meegenomen hebben. De enige optie die over blijft; de spelmakers. Blijkbaar vonden ze dat iedereen genoeg spullen had. Wat ook zo is, ik ben prima voorzien. Ik zet mijn handen in mijn zij en overzie het vlakke eiland voor me.
Hier ben ik dan.
Om me heen is in de verste verte niemand te zien, niet op de nabij gelegen eilanden, nergens. Een beetje besluiteloos kijk ik voor me uit. Het uitzicht is een beetje treurig. De brandende zon zet alles dan wel in een fel licht, maar de Arena is ongelooflijk kaal. Pas nu ik met mijn rug naar de Hoorn en de bomen toesta, merk ik het. De andere eilanden, die ik vanaf hier kan zien, zijn leeg en dor. Alles lijkt plat en droog. In de verte dan, hier heb ik mijn prachtige overgroene gras. Zou het branden? Bijna meteen wil ik dit bespottelijke idee weer wegduwen, als ik me bedenk dat het is vast weer koud is vannacht. Een vuur zal niemand schaden.
Goed, ik maak dus een vuur. Maar voor vuur heb je hout nodig en aangezien ik niet een stapel hout kan sommeren –ik was immers niet in het bezit van magische krachten die dat mogelijk gemaakt zouden kunnen hebben- betekende dit dat ik het hele eind weer terug kan gaan zwemmen. En dan weer heen naar dit eiland, aangezien ik vast van plan was om hier de nacht door te brengen. Ik ben nog nooit zo blij geweest.
Deze keer laat ik de lucht uit mijn rugzak lopen, voordat ik het warme water –ik schat dat het zo’n dertig graden is- weer in loop. Dit zwemt een stuk makkelijker en terwijl ik door het zachte water glijd, moet ik toegeven dat ik hiervan geniet.
De andere tributen blijken zich aan de andere kant van de Arena te bevinden, want ik zie alweer niemand. Helemaal prima voor mij, zo hoef ik een stuk minder op te letten in mijn zoektocht naar brandhout. Het vinden van dit genoemde hout is geen enkel probleem. Maar zodra ik met mijn armen vol bij de waterrand sta, dringt het probleem in mijn redenatie tot me door. Om bij de Hoorn te komen moet ik zwemmen. Zwemmen moet door water. Water maakt het hout nat. Nat hout brandt niet. En dat is een probleem.
Koppig als ik ben –ik ga voor geen bedding mijn stapel hout nu achterlaten, dat vuur dat komt er- probeer ik het anders. Ik stop de kleine houtjes in mijn tas, waterdicht en dus veilig. Na kunstig stapelen, waarbij ik mijn halflege waterfles uit mijn tas heb gehaald, heb ik alleen nog maar de grootste stukken over. En mijn waterfles, maar daarvan is het geen probleem als die nat wordt. Met een handig lusje, gemaakt van het dunne touw dat zich nog steeds in mijn rugzak bevindt, hang ik de fles aan mijn riem, zodat ik mijn handen helemaal vrij heb voor het hout.
En dan moet ik maar gaan lopen. Het begin is natuurlijk makkelijk, maar zodra het waterniveau hoger dan mijn middel komt, wordt het wel een beetje lastig. Met een frons blijf ik staan als het water al tot mijn borst komt, en het er niet naar uit ziet dat de grond gaat stoppen met dalen.
Als laatste poging –ik ben immers ook best moe- probeer ik zwemmend op mijn rug de weg tot het eiland af te leggen. De stapel met hout probeer ik zo goed en kwaad als het kan omhoog te houden, maar het is enorm zwaar. Het klotsende water maakt het ook niet bijzonder makkelijk. Al een aantal keren is er een golf over mijn gezicht geslagen, waardoor ik zwaar proestend probeer niet te verdrinken en bovenal heel stug door probeer te zwemmen. Ik blijf in mijn hoofd herhalen dat als ik nu opgeef, al mijn eerdere inspanningen voor niets geweest zijn. En dat is dan weer zo’n stomme en hopeloze gedachte, dat ik toch weer even doorzet.
En wonder boven wonder, daar komt een startplaat voorbij. Het scheelt een centimeter of tien, anders zou ik er straal tegenaan gezwommen zijn. Maar, aangezien dat niet het geval is, breekt er een grote lach door op mijn gezicht en probeer ik voorzichtig om te gaan staan. Als ik grond onder mijn voeten voel, wil ik haast van blijdschap juichen. Mijn verzuurde armen krijgen weer rust, nu ik het loodzware hout tegen mijn borst aan kan drukken, en het niet meer tegen de zwaartekracht in hoef te tillen om het droog te houden.

Reacties (1)

  • EvilDaughter

    Misschien heb ik wat gemist, maar waar is Raikon?

    5 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen