De regen doorweekte zijn donkerder wordend haar, dat waarschijnlijk zwart of bruin zou worden als hij volwassen was, terwijl hij de groep volgde, zo min mogelijk uitglijdend en struikelend op het smalle, steile pad. Aan weerszijden van het pad waren dichte bossen, die het er niet makkelijker op maakten. Er werd niet veel gezegd.
'Zo dadelijk zien jullie Zweinstein voor het eerst,' riep Hagrid over zijn schouder. 'Gelijk om het hoekie.'
Er klonk een luid 'Oooooh!' toen het pad plotseling uitkwam aan de oever van een groot, inktzwart meer. Hoog op een berg, aan de overkant van het meer, stond een enorm kasteel, met talloze torens en torentjes en ramen die fonkelend afstaken tegen de sterrenhemel.
'Niet meer dan vier per boot!' riep Hagrid en hij wees op een vloot kleine bootjes. Sherlock koos een boot en glarede tegen iedereen die het waagde te proberen in de boot te komen. Het werkte; drie jongens bleven liever achter om later opgepikt te worden door Hagrid dan te proberen in zijn boot te zitten.
'Iedereen aan boord?' schreeuwde Hagrid die ook een boot voor zich alleen had. 'Oké - varen!'
De boten voeren allemaal tegelijk weg en gleden over het onstuimige meer. De kinderen staarden zwijgend naar het kasteel.
'Koppen omlaag!' riep Hagrid toen de eerste bootjes de klif bereikten. Iedereen boog zijn hoofd en de bootjes gleden door een gordijn van klimop, dat de opening van een tunnel bedekt bleek te hebben. Ze dreven de tunnel door en kwamen uit bij een ondergronds haventje, waar ze uitstapten op een strand van stenen en kiezels. Ze klauterden door een gang in de rotsen omhoog en arriveerden tenslotte op een glad, nat grasveld in de schaduw van het kasteel. Ze liepen een stenen bordes op en dromden samen bij een gigantische eiken deur.
'Is iedereen er?'
Hagrid hief zijn enorme vuist op en bonsde drie keer op de deur. Die zwaaide meteen open en ze zagen een lange, zwartharige heks met een smaragdgroen gewaad en een streng gezicht (duidelijk nog een beetje zittend met een lang geleden verbroken relatie, meer kon hij op dat moment niet concluderen).
'De eerstejaars, professor Anderling,' zei Hagrid.
'Bedankt, Hagrid. Ik neem het wel over.'
Ze deed de deur wijd open. De hal was reusachtig, verlicht door fakkels, het plafond was zo hoog dat het niet te zien was en recht tegenover hen leidde een schitterende marmeren trap naar de bovenverdiepingen.
Ze volgden professor Anderling over de hardstenen vloer. Sherlock hoorde geroezemoes komen uit een deuropening rechts - de overige leerlingen waren er duidelijk al - maar professor Anderling ging hen voor naar een leeg kamertje dat aan de hal grensde en ze gingen naar binnen, Sherlock als laatste, onmiddellijk een positie tegen de muur innemend om zo veel mogelijk het overzicht te hebben. Ze kregen te horen dat ze verdeeld zouden worden, wat de afdelingen waren, dat er een puntensysteem was en een afdelingsbeker, die uiteraard toegekend werd aan de afdeling met de meeste punten. Tijdens dit praatje kruisten Sherlocks ogen één keer met die van Anderling. I dare you to be cheeky with me, or misbehaving in any way, zeiden haar ogen. Challenge accepted, zeiden de zijne. 'De Sorteerceremonie begint zo, in de aanwezigheid van de rest van de school. Holmes, jij komt met mij mee.' Zwijgend liep hij op haar af, onderwijl verwoede pogingen uitvoerend om dat slappe en bibberige niet te voelen. In ieder geval slaagde hij erin het te verbergen. Zwijgend volgde hij haar naar een ander kamertje, waar het eerste wat hij zag Lupos was, pratend met een andere vrouw (verpleegster, ongerust, duidelijk aan het bespreken welke voorzorgen er tegen die weerwolverij genomen konden worden). Voor hij de tijd had meer in zich op te nemen sprak professor Anderling.
'Professor Lupos vertelde me,' zei ze, 'dat jij, net als Mr. Potter, flauwviel maar in tegenstelling tot Potter zijn chocola weigerde, al schijn je het wel gehouden te hebben. Klopt dat?' Sherlock wierp Lupos een blik vol intense haat toe - alsof het niet erg genoeg was dat hij hem op zijn zwakst gezien had moest hij ook nog eens het hele kasteel erover vertellen! - voor hij professor Anderling antwoordde.
'Gedeeltelijk.'
'Welk deel klopt niet?' vroeg Lupos.
'Dat ik het gehouden heb,' antwoordde hij.
'Je schijnt ook nog eens drie jongens zoveel angst aangejaagd te hebben dat ze liever in de stromende regen op Hagrid wachtten dat met jou in één boot te zitten.' zei Anderling. Sherlock zweeg. 'Waarom?'
'Ik heb ze niks aangedaan en ik heb ook niks tegen ze gezegd.'
'Nee, het was je blik.'
'Hoe was mijn blik?'
'Een van de jongens zei, en ik citeer "hij zag eruit alsof hij me zou vermoorden als ik aan boord zou gaan, alsof iets hem ontzettend kwaad gemaakt had... als een psychopaat.".'
'Ik kan mijn blik niet beïnvloeden,' zei hij, proberend te doen alsof die bange jongens hem niet konden schelen.
'Wat had je zo ontzettend kwaad gemaakt?' nam Lupos het verhoor over.
'Ik was niet kwaad.'
'Hoe kan het dan dat drie jongens dachten dat je kwaad was?'
'Zij noemde maar één. Waarom denkt u aan drie?'
'Omdat hij erbij was toen ik met hen sprak,' antwoordde Anderling.
'Ik heb geen idee waarom ze dachten dat ik kwaad was.'
'Omdat je kwaad wás. Maar niet op hen, hé?' Lupos wachtte niet eens op antwoord. 'Je was kwaad op jezelf, nietwaar? Omdat jij, op Harry na, de enige was die flauwviel.' Zwijgend wendde Sherlock zijn blik af. 'Dat laat echter één vraag onbeantwoord -'
'Hij moet gesorteerd worden,' onderbrak Anderling hem. 'Denk je dat hij dat aankan, Poppy?'
'Moeilijk te zeggen,' antwoordde de verpleegster. 'De stress zóú hem te veel kunnen worden.'
'Het kan mij echt niet schelen waar ik terecht kom dus met die stress zal het wel meevallen.'
'Kom dan mee naar de rest, Holmes.' Zwijgend liepen ze naar de andere kamer en ze vertelde de rest dat ze in de rij moesten gaan staan en haar volgen. Sherlock ging helemaal achteraan staan en ze liepen de kamer uit, staken de hal over en gingen de Grote Zaal binnen. Hij probeerde zijn verbazing en bewondering niet te tonen, maar deze waren zo groot dat hij ze niet geheel kon verbergen. A bunch of floating candles; I hope they have extremely good fireprotection. Vijf volle minuten brak zijn masker en toonde hij gevoelens, die hij ook echt benoemen kon. Een zeldzaamheid; meestal wist hij niet wat hij voelde en als hij het wél wist was het pijn, woede (of kwaadheid), verdriet, verbittering, haat of angst en dat stopte hij weg in een kamer in zijn Mindpalace, waar het altijd uit probeerde te ontsnappen. Soms lukte dat; dan had hij een uitbarsting. Gelukkig was het tot nu toe nooit opgemerkt door iemand anders dan hijzelf. Professor Anderling liet de eerstejaars halt houden tegenover de andere leerlingen (Harry en het meisje ontbraken) met de leraren achter zich. De honderden starende gezichten leken bleke lantaarns in het kaarslicht. Sherlock checkte het stormachtige plafond op vallen; er waren er geen, voor zover hij kon zien. Professor Anderling zette zwijgend een kruk met vier poten neer. Op de kruk legde ze een puntige tovenaarshoed, die gerafeld en ontzettend smerig en vol opgenaaide stukken zat. Hij zag dat iedereen naar de hoed staarde en keek er daarom zelf ook naar. Kuddedier, spotte Mycroft in zijn Mindpalace. Out of my head, I'm thinking, dacht hij, met een grom van frustratie. In gedachten liep hij naar zijn bureau en las bliksemsnel de boeken door, zoekend naar spreuken die zouden kunnen helpen. Op dat moment begon de hoed te zingen, eindigend met de verwerkte mededeling dat ze hem slechts op hoefden te zetten. De zaal barstte in spontaan applaus uit toen de hoed was uitgezongen. Hij boog naar de vier tafels en verroerde zich niet meer.
'Kon die hoed niet iets beters verzinnen in een heel schooljaar?' vroeg Sherlock zich hardop af zonder de moeite te nemen zachtjes te spreken. 'Dit was zo veel sneller gegaan als de hoed gewoon gelijk gezegd had dat we het op moesten zetten.'Er viel een pijnlijke stilte. Anderling stapte haastig naar voren, met een rol perkament in haar hand.
'Als ik je naam zeg, zet je de hoed op en ga je op het krukje zitten om ingedeeld te worden,' zei ze, waarna Sherlock naar zijn Mindpalace ging, met zijn oren scannend voor 'Holmes' en 'Sherlock'. Tenslotte klonken de verlossende woorden 'Holmes, Sherlock'. Hij liep rustig naar voren, zette de hoed op en wachtte af. 'Hmm,' zei een stemmetje in zijn oor. 'Meer dan genoeg moed, zie ik. En een goed stel hersens, laat niemand je iets anders vertellen. Talent en kracht heb je ook, lieve hemel, ja - en een sterke drang je te bewijzen. Je zou een Ravenklauw kunnen zijn, maar daar zul je je waarschijnlijk net zo voelen als thuis; de mindere en je zult waarschijnlijk behoorlijk wereldvreemd raken. In Griffoendor zul je warmte en vriendschap vinden en hulp bij moedige daden. Misschien zul je ook leren te voorkomen dat je mensen per ongeluk beledigt als je iets van ze wil. Huffelpuf is misschien weer wat overdreven, daar heb je de minste kans op gesprekken op jou niveau. Vragen?'

'Are you a sentient being?'

'Yes.'

'What was the first thing you saw?'

'Goderic Griffoendor'

'How did the Founders die?'

'Sadly, because of the conflict.'

'What, exactly, happened during the conflict?'

'Long story, pal, and I've got many pupils to sort, although nowhere nearly as much as in the old times. Griffoendor!'

Het woord galmde door de hele zaal. Hij deed de hoed af en identificeerde de Griffoendortafel. Rustig liep hij op hen af, hen uitdagend met zijn hele houding en een plek ver van iedereen af kiezend. Hij zag Potter en het meisje wiens naam hij gedeletet had langs de achtermuur schuifelen. Een oude man, de oudste aan de lerarentafel stond op. Ongeïnteresseerd observeerde Sherlock hem. Hij leek intelligent maar té vriendelijk, dus onbetrouwbaar. What does he hide?
'Welkom!'zei de man. 'Welkom voor een nieuw schooljaar op Zweinstein. Ik heb een paar mededelingen en één daarvan is nogal ernstig. Het lijkt me beter die maar meteen te doen, voor iedereen beneveld raakt door dit uitmuntende feestmaal.' Get on with it, dacht Sherlock ongeduldig. 'Zoals jullie ongetwijfeld gemerkt hebben, omdat ze de trein hebben doorzocht, verblijven hier enkele dementors van Azkaban, in opdracht van het ministerie van Toverkunst.' Gee, I would never have guessed that! It's not like they searched the train or anything., was Sherlocks overduidelijk sarcastische reactie. De man pauzeerde even. 'Ze zijn gestationeerd bij iedere ingang van het terrein en ik wil benadrukken dat niemand moet proberen de school te verlaten zonder toestemming. Dementors laten zich niet bedriegen door vermommingen of trucs - en zelfs niet door onzichtbaarheidsmantels.' Sherlock zag dat Potter en Wemel elkaar aankeken. So they have a invisibility cloak? Useful...
'Een Dementor is ongevoelig voor excuses of smeekbeden. Zo is zijn aard. Daarom waarschuw ik iedereen: geef ze geen aanleiding je kwaad te doen. Ik vertrouw erop dat de klassenoudsten en onze twee nieuwe hoofdmonitors, zowel bij de jongens als bij de meisjes, ervoor zorgen dat er geen leerlingen met de Dementors in aanvaring komen.'
Great. Now we have guards we need to be protected from, who appear far worse then Zwarts. Brilliant idea, headmaster. I can see how you got your job throught honest intelligent work- as opposed to blackmail or bribes-, clearly you have the pupils' best interest in mind.
Hij zag een arrogante, roodharige jongen, een paar plaatsen van Potter, zijn borst uitsteken en gewichtig om zich heen kijken.
'Om op een wat vrolijker onderwerp over te stappen,' vervolgde de man, 'zou ik graag twee nieuwe leraren willen verwelkomen. Om te beginnen professor Lupos, die bereid was de vacante post van leraar Verweer tegen Zwarte Kunsten op zich te nemen.' Hier en daar klonk wat applaus, maar erg enthousiast klonk het niet. Zelf klapte Sherlock niet. Tegenover de andere leerkrachten in hun beste gewaden stak Lupos nog havelozer af, concludeerde Sherlock. Niet dat het voor een weerwolf enig nut had nieuwe gewaden te kopen aangezien hij er toch uitscheurde. Zodra het lauwe applaus was weggestorven, vervolgde de man: 'Het spijt me te zeggen dat professor Staartjes met pensioen besloot te gaan, om meer plezier te hebben met zijn overgebleven lichaamsdelen. Tot mijn genoegen zal zijn plaats worden ingenomen door Rubeus Hagrid.' Het applaus dat nu opsteeg was veel warmer; Hagrid was duidelijk populair -waarschijnlijk door zijn pure stompzinnigheid, waardoor hij paste bij de rest. Hij hoorde Wemel iets brullen over een bijtend boek, voor de oude man eindigde met: 'Nou, dat waren alle belangrijke mededelingen. Laat het feestmaal beginnen!' Sherlock at weinig en liep snel naar de deur.
'Hey, jongen!' met een ruk draaide hij zich om en zag dat het de oudste en arrogantste Wemel was die hem zo had aangesproken.
'Wat?' Het klonk agressiever dan hij bedoelde, realiseerde hij zich, maar dat betekende niet dat hij zich zou verontschuldigen of zijn toon zou matigen. Hij zou geen zwakte tonen in een volle zaal, die nu met veel belangstelling de woordenwisseling gadesloeg.
'Je wordt pas naar de slaapzaal gebracht als het feestmaal ten einde is en je wordt geacht te blijven zitten tot dat moment aangebroken is.'
'Staat ergens in de regels dat je de zaal niet eerder mag verlaten?'
'Nee...' aarzelde de oudste en arrogantste Wemel. 'Het is gewoon... een sociale regel.'
'Wel, in dat geval zou je me niet moeten tegenhouden, als het geen echte regel is.' En met die woorden liep Sherlock de zaal uit, dwalen door het kasteel prefererend boven enig gezelschap. Algauw ging hij naar buiten, waar hij het bezemhok vond en besloot er een te testen. Hij had een kleine afwijking naar links maar had tenminste een redelijke snelheid. Algauw vond hij de leerlingenkamer van Ravenklauw en daarna was die van Griffoendor een eitje. Daar haalde hij zijn viool, borg de bezem op en liep naar door de gangen, willekeurig lokalen testend op akoestiek, tot hij er eentje vond waar hij wilde spelen. Een tijdlang speelde en dacht hij daar, tot een stem zei: 'Je speelt goed.'
Sherlock draaide zich om en zag een bijna helemaal onthoofde geest. 'Wie bent u?' vroeg hij.
'Heer Hendrik van Malkontent tot Maling, tot uw dienst. Inwonend spook van de Griffoendortoren.'
'Daar gaat de illusie van privacy,' zuchtte Sherlock. 'Hoeveel van Zweinstein heeft u meegemaakt en waarom bent u hier blijven rondhangen, Heer Hendrik van Malkontent tot Maling?'
'Ik heb de harmonische tijden helaas gemist, jongen. Zwadderich was al weg toen ik hier kwam. Noem me maar heer Hendrik van Malkontent, hoor. Je lijkt opvallend ontspannen voor een eerstejaars, trouwens. Meestal schrikken ze zich kapot.'
'Waarom?'
'Wel, ik ben dood dus...'
'Ondanks uw levendigheid voor een dode, had ik dat zelf ook al geraden. De doorzichtigheid was een tamelijk duidelijk hint voor iedereen met een een werkend brein, hoewel ik snap dat het u lange tijd aan dat soort gezelschap heeft ontbroken.' antwoordde Sherlock met zijn ogen rollend.
'Ik denk dat ik ze aan de dood herinner met mijn aanwezigheid.'
'Is dat erg?'
'De meeste mensen zijn bang voor de dood.'
'Ja?'
'Wist je dat niet?' Sherlock werd een beetje rood en zweeg.
'Ik was bang voor de dood, weet je...' ging heer Hendrik van Malkontent verder. 'Zo bang dat ik koos te blijven als een zwakke afspiegeling van mijzelf.'
'Dus in deze wereld heb je die keuze en ben je voor iedereen zichtbaar?'
'Dreuzels zijn blind voor veel dingen die wij wel kunnen zien.'
'En omgekeerd.'
'Ja. Nou, ik ga even wat bespreken met de Bloederige Baron en als ik jou was, zou ik maar naar bed gaan, jongen.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen