Eisen in het kort:
- Een SA tussen de 500 en 1000 woorden
- Een spoiler onderaan je SA, waar je een (korte) karakterbeschrijving geeft (van max. 5 woorden)
- Je laat in je SA de persoonlijkheid van je karakter naar voren komen. Beschrijf min. 1 karaktereigenschap van deze persoon.



--Juni 2016--

Soepel en zonder enig geluid te maken verplaatste ik mijzelf over de zwarte leren banden, die een halve meter onder het plafond hingen in een blokpatroon over elkaar gevlochten met de karakteristieke vierkante openingen ertussen, die bedoeld waren als een verfraaiing van de zwart-grijze ruimte. Het gaf een sinistere uitstraling, die verkeerd aanvoelde. Het kale licht zou komen kwam van tl-buizen in het plafond, waardoor geblokte schaduwen nog iets duisters zouden toevoegden aan het vreemde vertrek, als het licht aanstond. De rechte, staalgrijze muren, die vreemde, langgerekte inkepingen had om de onregelmatige hoeveelheid afstand, leken onverbiddelijk op je neer te kijken. Het inktzwarte plafond was benauwend, de zwarte banden die ervoor hingen vielen zelfs bijna weg tegen de donkere kleur. Je haalde het niet in je hoofd om hier te komen, iets doms te doen. Zelfs de muren leken te kunnen vertellen aan je meerdere, dat je iets verkeerds deed. Ogen in je rug was geen luxe hier.
      Er stond niets in de kamer. Geen stoelen, geen tafels geen kasten of bureaus. Wel stonden er vreemde rechthoeken, willekeurig verdeeld. Eentje die rechtop stond, en meer dan een meter de lucht in stak, eentje die plat lag en een verhoging van een centimeter of tien vormde, eentje die half in de grond gestoken leek, en ga zo maar door. Allemaal in dezelfde zwarte kleur als die van het benauwende plafond en de koude vloer.
      Maar verder was er niets. Een af en toe knipperende tl-buis, die disfunctioneren aantoonde, was het enige dat de kamer een klein beetje diversiteit gaf. De breedgeschouderde jongen, van een jaar of zeventien, ook.
      Toen hij binnen was gekomen, had hij de kamer gecontroleerd op eventuele achterblijvers. Maar het was zaterdag, en na de avondklok. Iedereen was allang verdwenen. Behalve ik. En hij. Ik moet wel bekennen dat ik in slaap was gevallen. Hoewel ik wist dat er geen camera’s in deze ruimte waren, had ik het akelige gevoel dat Yras wel degelijk had gemerkt dat ik niet zo oplettend was geweest als had gemoeten. De eerstejaars had het licht aangedaan, een klassieke beginnersfout, en had me daarmee gered. Hij gebruikte het grote licht trouwens maar even. Terwijl de tl-buizen flikkerend aansprongen, deed hij twee stappen naar links en haalde zijn hand langs de onzichtbare sensor. Op het eerste gezicht veranderde er niets, tot hij het grote licht weer uitknipte.
      Een zacht, gelig licht scheen vanuit verschillende oorsprongen door de ruimte. Het schemerige licht zorgde voor duistere schaduwen, als er een volgend object hun lichtbaan blokkeerde. De hele kamer was plotseling weer gehuld in een zinderende schemer en dreigende schaduwen. De snelle check in het witte tl-licht had echter al aangetoond dat de jongen voor niemand bang hoefde te zijn. De ruimte was immers leeg. Des te meer was ik dankbaar voor mijn opmerkelijke plek. Het was een hele toer om er te komen, maar hij had me niet gezien.
      Hij was hier al duidelijk eerder geweest, zijn zelfverzekerde, doch nerveuze, tred verried hem. Doelbewust verplaatste hij zich door de kamer. Hij deed precies hetzelfde als ik had gedaan, twee jaar terug. Nu ik eraan dacht vroeg ik me af of ik ook werkelijk zo stom was geweest niet de héle kamer te checken, ook het licht aan had gedaan, en me ook zo voorspelbaar had verplaatst. Als je werd opgeleid voor scherpschutter en sluipmoordenaar, zou je toch verwachten dat er overal een addertje onder het gras zit.
      Zo was ik er ook niet helemaal zeker van of hij wel een eerstejaars wás. Hij leek me net iets te groot gebouwd, net iets te gespierd, net iets te schijnheilig. Het viel me ook op, dat hij na de eerste controle verder blind leek voor zijn omgeving. Hij keek niet op of om, terwijl hij naar de grijze muur liep.
      Eén keer is toeval. Hij duwde tegen het stoffige, grijze vlak, tussen twee scheidingsinkepingen, die de geheime kast aangaven. Nog steeds geen nerveuze blik over zijn schouder.
      Twee keer is misschien een gevolg van de situatie. Het vlak veerde een stukje in onder zijn kracht, en schoof daarna vloeiend naar buiten, en onthulde een heel arsenaal aan wapens. Vluchtige blik naar de deur, te nonchalant om gemeend te zijn.
      Drie keer is een bedreiging.
Hij moest een jaar hoger zitten dan ik. Het kon bijna niet anders, met zijn nonchalante manier van doen. Of hij was werkelijk zo stom en arrogant, en die kans achtte ik zeer klein. Het zou niet de eerste keer zijn dat het niet is wat het lijkt. Toen ík de opdracht kreeg iets te stelen, dacht ik dat het om het stelen ging. Ik had het fout.
      Maar eerstejaars of niet, het was nog steeds mijn opdracht om ervoor te zorgen dat de dief zou falen. Het was drie keer voorgekomen dat er een rood, argwanend lampje ging flikkeren in mijn hoofd. Drie keer is een bedreiging. Vastbesloten en geruisloos kwam ik overeind. Hij zou ook falen. Ik zou winnen. Zonder twijfel. Als je denkt dat je faalt, faal je. Als je van mening bent dat je niet zal falen ben je dom en arrogant. Als je het kan, weet je dat je niet zal falen. Voorzichtig, en de banden uittestend met mijn gewicht, klom ik naar de dief toe.

Vindingrijk, berekenend, observerend, opmerkzaam, competitief.

Reacties (2)

  • Rozenthee

    Oeeh, vind ik leuk!

    4 jaar geleden
  • MrsNeymessi

    Mooi geschreven c:
    De eigenschappen zijn duidelijk herkenbaar in het stukje.:Y)

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here