Foto bij Had ik mijn vleugels nog maar...

Ik bekeek het zwarte water aandachtig, en kleedde me toen uit. Toen stapte ik het water in, en ging eventjes kopje onder. Het water was verfrissend, en het was fijn om al het bloed af te kunnen wassen. Ik trok wat modder en takjes uit mijn lange haren. Ik zag nergens geesten. Toen ging ik nog een keer onder water. En toen gebeurde het. Ik werd omhoog gesleurd, en er werd voor de zoveelste keer een mes op mijn keel gelegd. Het was gewoon te veel, ik had de laatste dagen al zo veel meegemaakt. Maar het was nu nog erger omdat ik geen kleren aan had. Een donkere schim rende op mijn kleren af, en haalde mijn enige geld er uit. Hij rede weg, en toen vluchtte degene die mij vasthield ook. Wat was het hier toch allemaal? Zou het altijd zo blijven gaan? Hoelang zou het dan duren voordat ik dood was? Een jaar? Een maand? Een week? Misschien wel een paar dagen! Gauw pakte ik mijn kleren, deed ze aan, en voelde of ik alles, behalve mijn geld, nog had. Ik liep langs de oever, en ontdekte een grot. Ik luisterde goed of er geen beren of andere mensen zaten, en liep naar binnen. Opeens voelde ik een windvlaag, en scheerde er een hele groep vleermuizen en Hoxy's over me heen. Hoxy's waren kleine, donkerblauwe, pluizige, bloeddorstige wezens met geschubde vleugels. Ik klapte in mijn handen om andere beesten te verjagen, maar die waren er niet. Ik ging dicht bij de uitgang liggen, en krulde me op tot een klein balletje.

Ik werd vroeg wakker. De zon was nog niet op, en eigenlijk wou ik doorslapen. Maar de vloer was er oncomfortabel. Ik haalde de bessen uit mijn zak, en propte ze in mijn mond. Ik had ongelofelijk veel honger. Ik dwaalde de hele dag een beetje rond, en keerde toen de zon weer onder ging terug naar de grot. Ik had vissen gevangen, en maakte een kampvuur. Het duurde even voordat het eenmaal echt fikte, maar toen had ik ook wat. Ik spietste de vissen aan een tak, en hield ze boven het vuur. De volgende dag scheurde één van mijn schoenen kapot, en besloot ik iets vervelends: ik moest gaan stelen. Ik kon niet langer rondlopen op één schoen. Ik liep door het vochtige gras, en speurde rond naar mensen. En toen deed ik iets heel doms. Ik begon heel hard te roepen: 'dank u wel! Ik kan het geld heel hard gebruiken!!!' Na tien minuten hoorde ik wat ritselen achter een boom. Ik rende er met opgeheven dolk naartoe, en stak in het wilde weg. Mijn slachtoffer was dood, en ik keek geschrokken toe. Ik had echt gedood voor zo iets onbenulligs als schóenen. Mijn ouders zouden vast diep teleurgesteld in me zijn. Toen ik het lijk beter bekeek zag ik tot mijn verdriet en grote schrik ook nog eens dat het een meisje van een jaar of veertien was. Ik kreeg een brok in mijn keel. Zuchtend pakte ik de schoenen, en paste ze. Godzijdank paste ze. Het bos had een slechte invloed op me. Ik wist niet eens meer hoeveel mensen ik in nog geen maand tijd gedood had, terwijl ik tot van kort nog nooit íemand een haar had gekrenkt. Alleen vroeger als we stoeiden deden we elkaar soms pijn. Ik kon niet langer in het bos blijven. Ik was een ordinaire moordenaar geworden, en ik was er nog verdraaid goed in ook! Opeens hoorde ik een gekraak rechts van me. Mijn ene hand schoot naar de dolk, de andere naar het takje met het lichtroze blad. Ik had me zorgen om niks gemaakt. Het was de eenhoorn weer. Het deed me pijn toen ze me vol negeerde, en langs me liep. Waarschijnlijk rook ik nu te veel naar bloed. Ik voelde het takje in mijn hand, en kreeg plotseling een idee. Ja, ik moest er doen. Ik was de enige! Ik moet het blaadje in het verwoeste feeënrijk planten. Ik zou onderweg wel iets kunnen kopen of stelen om alle lijken weg te kunnen halen. Maar, welke kant moest ik op? Ik keek verward om me heen, en probeerde de kaart van alle acht rijken voor me te zien. Had ik maar een kompas... Wacht eens even! Vroeger speelden we vaak alsof we op ontdekkingstocht waren, en één van die jongetjes wist hoe je van een takje en een blaadje een kompas moest maken. Ik zuchtte verslagen. Maar daar had je magie voor nodig. Je moest een klein beetje magie op er takje strooien, en hem dan op het blaadje in een plas leggen. Mijn gedachten dwaalden af naar het gif. Ik had wel magie! Gauw zocht ik een takje en een blaadje bij elkaar, en legde ze in een kleine waterplas. Ik goot er een klein scheutje tendocksxy overheen, en het begon te trillen. Ik had aan één kant het takje geslepen, en die wees naar het noorden. Daar moest ik niet naartoe, daar lagen Zonrijk, en het Rijk Van Legendes. Ik moest ook niet naar het westen, daar lag alleen het Woestijnrijk. Voor de rest lagen rechts en achter me alle andere rijken: Windrijk, Rotsrijk, het Feeënrijk en het Dodenrijk. Niemand wist waar er dodenrijk lag, en hoe je er moest komen, maar op de kaart stond het ergens daar afgebeeld. Ik sloeg rechtsaf, een bospaadje op. Ik liep door het pad totdat het avond begon te worden, en sliep niet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen