Foto bij Het zwaard van Ikaros

Toen ik mijn ogen opendeed was het nog steeds nacht. Ik zuchtte. Ik had zo'n rare droom gehad. Over een vreemdeling die negen jaar geleden over mij gedroomd had, en daarom wit in zijn haar had gekregen. We zaten met onze handen aan elkaar, en we maakten veel ruzie. Het was zo'n echte droom geweest. Maar net toen ik wou gaan lachen zag ik dat hem naast me liggen! Het was toch echt geweest! Ik schaamde ervoor, maar heel, heel diep van binnen was ik opgelucht. Ik hield mezelf voor dat ik helemaal niet eenzaam was geweest, en naar zijn gezelschap verlangde, maar dat het gewoon was omdat hij geld en eten had. We hadden tenslotte een hekel aan elkaar. Dacht ik. Opeens voelde ik iets aan mijn geboeide hand. Geschrokken kwam ik erachter dat ik zijn hand had vastgehouden. Walgend trok ik mijn hand weg. Heel even zat ik eraan te denken om hem nu te doden, maar dat kon ik niet maken. Het was trouwens ook niet fijn om met een lijk te moeten zeulen. Ik keek naar hem. Het maanlicht scheen op zijn gezicht. Het stond vredig, en bijna kinderlijk. Met een schok kwam ik erachter dat ik hem nog steeds knap vond. Wat was er toch met me?! Ik was gewoon slaapdronken, concludeerde ik. Het was best warm geworden, en ik trok mijn cape uit. Mijn trui die ik eronder aan had trok ik ook over mijn hoofd. Nu zat ik alleen nog maar in een t-shirt met bandjes. Ik ging weer liggen, zo ver mogelijk van Matsuda vandaan als de handboei toeliet.

Toen ik wakker werd keek ik slaperig om heen. Matsuda zat op zijn knieën naast me, met iets in zijn handen. Ik ging rechtop zitten. 'Kijk, ik heb bessen!' Ik keek hem zuchtend aan, schudde mijn hoofd, en probeerde niet te lachen. 'Die zijn giftig.' Gauw gooide hij ze over zijn schouder. Hij haalde een nieuwe appel uit zijn zak, en mijn blik gleed naar de appel die hij gisteren mij had aangeboden. 'Pak maar.' Ik draaide koppig mijn hoofd weg. Toen hoorde ik hem grinniken. 'Wat?!' Na een korte stilte zei hij: 'soms ben je best schattig als je zo doet.' Ik bleef wegkijken zodat hij niet kon zien dat ik tot aan de wortels van mijn haar vuurrood was geworden. Ik balde mijn vuisten. Waarom zei hij dat? Toen ik me weer omdraaide duwde Matsuda de appel bijna in mijn gezicht. 'Ik sta erop dat je hem opeet.' 'Nee.' 'Ja.' 'Nee!' 'Waarom niet?' Omdat ik hem niet mocht, dûh. Zuchtend pakte ik het aan. 'Doordrammer...' Fluisterde ik. Ik beet in de appel, en moest toegeven dat hij best lekker was. 'Goed zo, je moet jezelf niet uithongeren.' 'Ben je nu ook al mij diëtiste?' Vroeg ik chagrijnig. Maar voordat hij iets terug kon zeggen, kwam er iemand op het pad lopen. Ik trok Matsuda mee maar een boom, en duwde hem erachter. 'Blijf daar, verstop je!' Ik trok gauw de hals van mijn t-shirt een beetje omlaag. Dit was een trucje van mijn zus Dubhe geweest. 'Hallo, kan ik iets voor u doen, meneer?' Vroeg ik. Ik hield mijn geboeide hand achter mijn rug zodat hij het niet kon zien. 'Nee hoor, meisje.' De ridder keek me strak aan. 'Wacht eens even, ben jij niet...?! Hoe heet je?' 'Dubhe.' Loog ik. Ik gebruikte automatisch de naam van mijn zus. 'Ik dacht even... Erza..... Maar je naam is anders! Kan ik misschien wat voor jóu doen?' Ik dacht even na. 'Nee dank u.' Ik gooide mijn haar naar achteren, en glimlachte stralend. De ridder knipoogde, en liet me achter. Matsuda kwam achter de boom vandaan. 'Godzijdank...' '...zijn er domme mensen.' Maakte hij mijn zin af. Ik grinnikte. Het grinniken ging over in giechelen. Matsuda trok me weer terug naar de plek waar we geslapen hadden. Ik viel. 'Au! Voorzichtig!' Hij negeerde me. Toen duwde hij de appel weer naar me toe. Ik draaide opnieuw mijn hoofd weg. 'Doe niet zo kinderachtig! Dit is niet willen, maar overleven!' 'Ík, kinderachtig?! Kleintje!' Matsuda schudde zijn hoofd. 'Ik ben langer dan jij. Je zou eens moeten groeien.' En toen keek hij vals aan. 'En zeker daar.' Hij wees naar mijn borsten. 'Ik haat je!' Riep ik met tranen in mijn ogen. Ik had altijd al kleine gehad, en was daar heek onzeker over. Ik trok mijn knieën op, en sloeg mijn armen eromheen. 'Klootzak, dat is gevoelig bij vrouwen.' Fluisterde ik. 'Meisjes.' Verbeterde hij me. Hij was ook boos. Heel een had ik op het punt gestaan om hem aan te vliegen. 'Watje.' Gromde ik. 'Ukkie.' Gromde hij terug. 'Spijker.' 'Plank.' 'Onnozele man.' 'Dramaqueen.' En zo gingen we maar door, totdat ik hem negeerde. Dat negeren ging de hele dag door. Toen de zon onder begon te gaan zei Matsuda: 'het spijt me, Erza.' Ik bleef hem negeren. Genoeg met heet steeds maar: het spijt me. Ik was boos, en alleen woorden konden dat niet goedmaken. 'Praat alsjeblieft weer tegen me.' Nee. Dacht ik. 'Ik had echt niet zo gemeen moeten zijn.' Ik zei nog steeds niks. Dacht die lomperik nog dat ik zo makkelijk vergaf? Hij zuchtte vermoeid. En toen rolde er een traan over mijn wang. Niet om wat hij gezegd had, dat boeide me al lang niks meer, maar gewoon omdat ik in korte tijd zo veranderd was. Ik zat vast aan iemand die ik nu het liefste de ogen uit wilde krabben. Mijn pols werd omhoog getrokken. 'Wat?!' Matsuda keek me geschrokken aan. 'Water halen. Heb jij dan geen dorst?' Ik wou niet, maar mijn kurkdroge keel dacht daar anders over. Zuchtend stond ik op. Ik liep zo ver mogelijk van Matsuda vandaan, en keek hem niet aan. We waren bij een bronnetje aangekomen, en haalden beide een veldfles tevoorschijn. 'Is dit water drinkbaar?' Vroeg hij aan mij. Ik gaf geen antwoord. We stonden op, en toen pakte hij mijn kin, en trok mijn hoofd naar hem toe. 'Zeg wat!' Ik sloeg zijn hand weg, en beende naar de plek waar we sliepen. Toen we zaten pakte hij mijn hoofd tussen beide handen, en trok het ruw naar hem. 'Zeg verdomme wat! Erza!!!' En toen... Begon ik keihard te janken. Geschrokken liet hij mijn hoofd los. 'Wat krijgen we...' Ik verborg mijn gezicht in mijn handen, en dacht aan thuis. Aan mijn ouders, zus, vrienden en de dieren. Ik miste iets wat niet meer bestond. Ik was niet meer boos, ook al had ik geen flauw idee waarom. Misschien omdat ik nog meer ruzie niet meer kon verdragen. Ik voelde de arm van Matsuda om me heen, maar schudde hem niet af. Ik leunde tegen hem aan. Nog steeds huilend. 'Mis je het daar? Het Feeënrijk?' Ik knikte. 'Het ergste is nog,' prevelde ik. 'Is dat ik niets liever wil dan er zijn, maar er toch niet naartoe kan. Niet naar hoe het vroeger was... Soms wens ik dat we gewoon voor altijd klein blijven. Lekker een zorgeloos bestaan leiden. Niemand gaat dood...' Ik haalde heel diep adem, en keek hem aan. 'Sorry. Voor het huilen, maar ook voor alles wat ik gezegd en gedaan heb.' En toen gingen we zonder nog iets te zeggen slapen.


'Matsuda! Trek je shirt aan!' Matsuda zat zonder shirt aan een appel te eten toen ik wakker werd. Zijn shirt lag aan mijn voeten, en ik smeet het naar zijn hoofd. 'Sorry, 'k had het warm.' Zei hij terwijl hij het weer aandeed. Ik was een beetje geschrokken omdat hij plotseling zonder shirt zat. hij was trouwens super mager, maar toch gespierd. Niet aan denken!!! Zei ik boos tegen mezelf. Ik at weer niks, en vroeg: 'Heb jij soms stiekem onder je mantel een appelfabriek?' Hij lachte. 'Dit is de laatste die ik nog heb.' Na even in stilte gezeten riep hij opeens: 'ik heb het!!!' 'Wat?' Vroeg ik ongeïnteresseerd. 'Dit!' Hij hield zijn geboeide Han omhoog. 'Het zwaard van Ikaros!' 'Watte?' Dat was niet de reactie waar hij op gehoopt had. 'Ikaros was de vrouw van Chastrifol, zij had een zwaard die álles ter wereld kon vernietigen! Twee magiërs zoals zij hadden genoeg kracht om het op een goede manier te gebruiken. Niet zoals Oslo het zou doen. Volgens de legende ligt het zwaard in Rotsrijk! Men zegt dat ze het in een oude tempel heeft verborgen.' 'Geweldig!' Zei ik blij. Eindelijk!

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen