Foto bij Hoofdstuk 27

Terwijl ik de helft van mijn gebroken lichaam over de grond sleurde en als een zombie probeerde de helling op te klimmen, besefte ik dat ik heel misschien even rust moest nemen. Mijn lichaam voelde aan alsof het ieder moment uit elkaar kon springen en na twee mislukte klimpogingen zag het er naar uit dat ook de derde keer grandioos zou mislukken. Derde keer goede keer? Laat me niet lachen.
Met een doffe plof viel ik weer naar beneden. Ik landde op mijn billen en vervloekte de harde ondergrond. Daarna kroop ik terug naar de oever van de rivier en strekte ik me uit in het gras. Ergens had ik gehoopt dat Alluka opnieuw aan me zou verschijnen, maar er was helemaal niemand; geen mens, geen dier – geen meerman.
‘Het is zeker en vast eenzaam hier,’ verzuchtte ik.
‘Inderdaad, hier komt geen – verstandige – kat.’
Geschrokken door de onbekende stem sprong ik overeind, waarbij ik bijna mijn evenwicht verloor en in het kleine meertje terecht kwam. Gelukkig kon Neminis me nog net op tijd beetnemen bij mijn pols om mijn natte val te voorkomen.
‘Neminis,’ zei ik, en ik dacht terug aan Alluka die me had beloofd dat Neminis mijn wonden in no time zou genezen. Ik vertrouwde Alluka wel, maar Neminis was een heel ander paar mouwen. Het was extreem moeilijk om hem in te schatten. Hij scheen wel aardig te zijn, maar dan wel op een koele, afstandelijke manier.
‘Alluka zei dat je mijn hulp nodig had,’ zei hij met een vragende ondertoon.
‘Uh, ja,’ zei ik, terwijl ik zenuwachtig door mijn haren ging en ter plekke heen en weer hopte om mezelf op te warmen.
‘Je ziet er nochtans levendig uit,’ zei Neminis, die niet echt leek te geloven dat ik zijn hulp nodig had. Daarna zei hij vol afkeer: ‘Hoe ben je hier zelfs beland?’ Neminis zette een stap in mijn richting en ik kon me niet snel genoeg uit de voeten maken, waardoor ik – opnieuw – bijna struikelde en Neminis me – opnieuw – moest redden. Dit keer deed hij het door een grote bloem, die mij als een zacht kussen opving, uit de grond te laten schieten. ‘Dit is een nogal verlaten gebied. Alleen Alluka komt hier zo nu en dan. En laten we duidelijk zijn: Alluka is ook meteen de enige reden waarom ik overweeg je te helpen.’
‘Ben je bevriend met Alluka?’ Misschien kon ik hem beter vertrouwen als ik wist dat Alluka hem vertrouwde. Het zou me in ieder geval een beetje meer tot rust brengen.
‘Ongeveer,’ antwoordde hij.
Ongeveer? Wat was dat voor antwoord? Hadden ze een haat-liefde relatie of waren het gewoon kennissen? Kon hij nog vager antwoorden? Misschien was het wel gewoon zijn bedoeling dat ik hem niet vertrouwde.
Neminis stapte rustig naar me toe terwijl ik haastig uit de bloem probeerde te ontsnappen. Mijn ontsnappingspoging leidde echter tot niet veel goeds, want binnen de tien seconden zat ik onder het stuifmeel en begon ik als een gek te niezen. Hoewel ik zag dat dit nergens heen ging, bleef ik over de bloem rollen in de hoop dat ik er ooit wel eens af moest rollen en de grond weer onder mijn beide voeten zou voelen.
‘Waar ben jij in hemelsnaam mee bezig?’ vroeg Nemenis, die vlak voor de bloem stond en me met een diepe frons aankeek. ‘God, mensen zijn nog gekker dan ik me herinner.’
‘Nee,’ zei ik met een verontschuldigende glimlach. ‘Alleen dit geval is gek. De rest is normaal, maar normaal is saai.’ Daarmee had ik hem vast en zeker gerust gesteld.
‘Ik wil hier weg,’ jammerde hij. Hij kroop langs me op de bloem en legde mijn hand op mijn buik.
‘Eh, geen ongewenste intimiteiten a.u.b.,’ zei ik terwijl ik mijn ogen op zijn hand fixeerde. Hij leek net een Pim 2.
‘Ik ga je genezen, idioot,’ zei hij met een kaarsrecht gezicht. Zijn hand begon de gloeien en een vreemd – er was geen andere manier om het te omschrijven, sinds het zeker niet aangenaam was, maar ook niet onaangenaam – gevoel verspreidde zich doorheen mijn lichaam. Toen hij zijn hand weer van mijn buik haalde, was alle pijn verdwenen.
‘Beda-,’ probeerde ik te zeggen, maar hij snoerde me de mond.
‘Let op voor de paddenstoelen,’ zei hij snel.
‘Paddenstoelen?’ herhaalde ik vragend.
Hij knikte.
En toen schoot de bloem als een lift omhoog en kon ik makkelijk terug omhoog klimmen zodat ik me weer bevond op de plek waar ik was voordat ik naar beneden tuimelde. Tot mijn grote verbazing was het eerste wat ik zag het verraste gezicht van Stevey. Ze knipperde een paar keer met haar ogen en gilde toen: ‘Jesse, je bent geel geworden!’
Wel, ergens had ik een leukere verwelkoming verwacht. Stevey leek onmiddellijk na haar geschokte kreet te beseffen dat haar opmerking geen manier was om duidelijk te maken hoe blij ze was dat ik weer levend en wel terug was. Daarom zei ze vervolgens verrukt: ‘Ik ben zo blij dat je terugbent.’ Tranen begonnen in haar ogen te glimmen en het werd bijna eng dat ze zoveel emoties kon voelen voor een gast die ze nauwelijks kende. ‘Ik dacht dat je dood was.’
‘Ik zei toch dat hij terug zou komen,’ zei Noël.
Mijn blik ging van Noël naar Stevey en terug naar Noël. Er ontbrak iets… Pim. ‘Waar is Pim?’ vroeg ik aan niemand in het bijzonder. Het was niet zo dat ik hem miste, maar zijn afwezigheid was nogal… opvallend.
Stevey richtte haar blik naar de grond, terwijl ze haar hoofd langzaam schudde. Noëls blik was koel, ze toonde geen greintje emotie en hoewel ze Pim niet mocht, had ik dat ergens wel verwacht. Ik had gewild dat ze verdriet en spijt toonde, dan zouden een deel van mijn twijfels weggevaagd worden. Want hoe langer ik met Noël omging, hoe meer ik geneigd was Alluka te geloven.
‘Pim is weg,’ zei ze.
‘Waarheen?’
‘Een draak heeft hem gegrepen,’ legde ze uit alsof het een verzonnen verhaaltje was in plaats van de harde realiteit. ‘Waarschijnlijk wordt hij nu verorberd in haar nest.’
‘En jij deed… niks?’
‘Het ging te snel,’ verklaarde Noël met een simpele schouderophaal. Ze wendde haar blik af alsof het haar speet, maar het leek meer op een goed geacteerd toneelstuk dan op waarachtige gevoelens. ‘Ik kon niks voor hem doen. De draak was al buiten mijn bereik voor ik mijn magie kon oproepen.’
‘En waarom gingen jullie de draak niet achterna?’ Woede borrelde op in mijn maag. Het was niet zo dat Pim mijn beste vriend was, maar ik kon het niet hebben dat ze hem zomaar hadden opgegeven. Als ik Pim was geweest… Als de draak mij had genomen, dan had ik ook gehoopt dat Noël en Stevey me zouden komen helpen. En ik kon Pim niet zomaar aan zijn lot overlaten.
‘Dat zou enkel onze dood betekenen,’ zei Noël. ‘We kunnen het beter laten gaan.’
‘Weet je waar het nest van de draak is?’ vroeg ik.
Noël keek me vol afkeer aan. ‘We gaan Pim niet redden.’
‘Juist ja, ik ga Pim redden.’
‘Dat wordt je dood,’ zei Noël waarschuwend.
‘Dan is dat maar zo,’ antwoordde ik vastberaden.

Reacties (5)

  • LilsEvans

    Haha go Jesse. Pim mag dan een viespeuk zijn, hij verdient het niet om opgegeten te worden door een draak. Noël maakt geen erg goede indruk. Waarom is ze zo... koel en bitter en afstandelijk?

    3 jaar geleden
  • BOOKWURM

    Hmmm ik vond het wel grappig how thirsty Pim is, dus ik stem ook ja om hem te redden

    3 jaar geleden
  • Grace

    ‘Eh, geen ongewenste intimiteiten a.u.b.,’ zei ik terwijl ik mijn ogen op zijn hand fixeerde. Hij leek net een Pim 2 ZALIG

    ‘Jesse, je bent geel geworden!’ NOG MEER ZALIG

    Ik vind de humor in dit verhaal echt ge-wel-dig (:

    3 jaar geleden
  • Altaria

    Lets go safe pim!

    3 jaar geleden
  • ProngsPotter

    Ik begin die Noël steeds minder te mogen.. Ik vraag me ondertussen wel af wie hier nou aan de goede en wie aan de slechte kant staat, als er überhaupt al een goede of slechte kant is.
    Ondanks zijn kapsones denk ik ergens trouwens wel dat Pim de verrassende betrouwbare factor gaat zijn, als ie niet dood is :'D (wat op zich nu ook weer geen ramp is)
    Leuk stukje!*O*

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen